id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230331.1N.9 Rolnummer: F.21.0122.N Zaak: BELGISCHE STAAT contra APOTHEEK VANDERSTEEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2023-04-25 Raadplegingen: 1237 - laatst gezien 2026-06-18 22:26 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230331.1N.9 Fiche 1 Artikel 333, derde lid, WIB92, vereist niet dat het fiscaal bestuur over bekende feiten of vaststellingen beschikt die tot het bewijs van fraude aanleiding kunnen geven en dat zij dit moet meedelen in de voorafgaande kennisgeving; het zou immers in strijd zijn met de wil van de wetgever het bestuur op voorhand te dwingen te bewijzen wat het juist op grond van een bijkomend onderzoek wil bewijzen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Allerlei Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 333, derde lid - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 2 Het vereiste dat er aanwijzingen van belastingontduiking moeten bestaan “voor het bedoelde tijdperk” houdt niet in dat die aanwijzingen moeten steunen op of mede moeten steunen op feiten of vaststellingen die zich binnen het bedoelde tijdperk situeren; feiten betreffende latere aanslagjaren kunnen bijgevolg op zich aanwijzingen van belastingontduiking vormen voor eerdere aanslagjaren
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Allerlei Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 333, derde lid - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de beslissing Nr. F.21.0122.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal Centrum KMO Leuven, met kantoor te 1800 Vilvoorde, Groenstraat 51-57, eiser, tegen APOTHEEK VANDERSTEEN bv, met zetel te 1654 Beersel (Huizingen), Steenweg naar Alsemberg 952, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0453.251.801, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 12 januari
- Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 3 maart 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 333, derde lid, WIB92, zoals van toepassing, mogen onderzoekingen bovendien worden verricht gedurende de in artikel 354, tweede lid, bedoelde aanvullende termijn van vier jaar, op voorwaarde dat de administratie de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die te zijnen aanzien bestaan voor het bedoeld tijdperk. Die voorafgaande kennisgeving is voorgeschreven op straffe van nietigheid van de aanslag. Het is niet vereist dat het fiscaal bestuur over bekende feiten of vaststellingen beschikt die tot het bewijs van fraude aanleiding kunnen geven en dat zij dit moet meedelen in de voorafgaande kennisgeving. Het zou immers in strijd zijn met de wil van de wetgever het bestuur op voorhand te dwingen te bewijzen wat het juist op grond van een bijkomend onderzoek wil bewijzen. Enkel wanneer de aanwijzingen onnauwkeurig zijn omschreven of berusten op vage of ongeloofwaardige veronderstellingen, kan niet tot het bestaan van aanwijzingen van belastingontduiking worden besloten. Het vereiste dat er aanwijzingen van belastingontduiking moeten bestaan “voor het bedoelde tijdperk” houdt niet in dat die aanwijzingen moeten steunen op of mede moeten steunen op feiten of vaststellingen die zich binnen het bedoelde tijdperk situeren. Feiten betreffende latere aanslagjaren kunnen bijgevolg op zich aanwijzingen van belastingontduiking vormen voor eerdere aanslagjaren.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - uit de voorafgaande schriftelijke kennisgeving bedoeld in het derde lid van artikel 333 WIB92 kon worden afgeleid dat er aanwijzingen waren, met name gegevens over de jaren 2009 en 2010, waaruit blijkt dat via de kassa ‘divers’ op regelmatige wijze ‘negatief afgeronde bedragen werden geboekt’, terwijl er geen bewijskrachtige stukken worden voorgelegd om deze boekingen te verantwoorden; - de gegevens enkel konden wijzen op fraude voor wat betreft de aanslagjaren 2010 en 2011; - hieruit niet zonder meer kan worden afgeleid dat er dan ook aanwijzingen van belastingontduiking voorhanden zijn wat betreft de aanslagjaren 2006 tot en met 2009; - in de kennisgeving enkel sprake is van gegevens over de jaren 2009 en 2010; - in welke mate er voor de vorige jaren aanwijzingen zouden zijn van belastingontwijking uit geen enkel gegeven, vermeld in de kennisgeving, blijkt en eventuele bijkomende verduidelijkingen achteraf niet relevant zijn ter beoordeling van de kennisgeving, vermits enkel met de aanwijzingen, vermeld in de kennisgeving, rekening kan worden gehouden; - het feit dat tijdens een controle onregelmatigheden werden vastgesteld die kunnen doen vermoeden dat dezelfde of analoge praktijken sedert langere tijd werden toegepast, de fiscale administratie niet ontslaat van de verplichting om de belastingplichtige nauwkeurig te informeren over de aanwijzingen van belastingontduiking met betrekking tot het bedoelde tijdperk en een loutere verwijzing naar de resultaten van een controle daarbij geen voldoende rechtvaardiging is voor de verlenging van de controletermijn, maar de indicaties nauwkeurig moeten worden meegedeeld; - de eerste rechter dan ook terecht besliste dat de aanwijzingen die voor een bepaald jaar zijn vastgesteld, niet zonder meer mogen worden geëxtrapoleerd naar vorige jaren, zodat de vermeende onregelmatigheden voor de inkomstenjaren 2009 en 2010 niet volstonden om de onderzoekstermijn te verlengen naar de inkomstenjaren 2005 tot en met 2008 en het loutere vermoeden dat de voor de aanslagjaren 2010 en 2011 vastgestelde aanwijzingen van onregelmatigheden ook tijdens de aanslagjaren 2006 tot en met 2009 voorkwamen, niet zomaar een aanwijzing van belastingontduiking in die eerdere jaren rechtvaardigt; - de fiscale administratie niet op schriftelijke en nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van aanwijzingen van belastingontwijking voor wat betreft de belastbare tijdperken 2005 tot en met
- De appelrechter die met die redenen vereist dat de administratie voor de aanslagjaren 2006 tot en met 2009 aanwijzingen bijbrengt die moeten steunen op of mede moeten steunen op feiten of vaststellingen die zich binnen het bedoelde tijdperk situeren, verantwoordt hiermee zijn beslissing dat de voorafgaande kennisgeving van 8 februari 2012 niet aan het bepaalde in artikel 333, derde lid, WIB92 voldoet en dat aangezien er voor de aanslagjaren 2006 tot en met 2009 niet voldaan is aan het vereiste van artikel 333, derde lid, WIB92 voor de betrokken aanslagjaren, geen geldige aanslagen konden worden gevestigd op basis van het onderzoek gevoerd in de verlengde onderzoekstermijn, niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit het incidenteel beroep van de verweerster ongegrond verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 31 maart 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230331.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230331.1N.9 geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.107 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div