← België

RESISTEC NV c. RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230403.3N.2 Rolnummer: S.19.0029.N Zaak: RESISTEC NV c. RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2023-05-23 Raadplegingen: 798 - laatst gezien 2026-06-15 08:25 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230403.3N.2 Fiches 1 - 2 De vordering van de RSZ tegen de aannemer tot betaling van de sociale schulden van de onderaannemer, ontstaat op het ogenblik dat de aannemer hoofdelijk aansprakelijk wordt voor de sociale schulden van de onderaannemer; in het geval van een geregistreerde onderaannemer is dat het ogenblik waarop de aannemer nalaat de in artikel 30bis, § 4, tweede lid, bedoelde storting te verrichten; de verjaringstermijn begint eerst vanaf dat ogenblik te lopen, met dien verstande dat de hoofdelijk aansprakelijke aannemer zich met toepassing van artikel 1208 Oud Burgerlijk Wetboek desgevallend kan beroepen op de exceptie van verjaring van de vordering van de RSZ tegen de onderaannemer

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Wettelijke bepalingen: Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 27-06-1969 - Artt. 30bis, § 3, tweede en vierde lid, § 4, tweede lid, § 5, vierde lid, en 42, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Wettelijke bepalingen: Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 27-06-1969 - Artt. 30bis, § 3, tweede en vierde lid, § 4, tweede lid, § 5, vierde lid, en 42, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Fiches 3 - 4 Een partij mag slechts afstand doen van een geding dat nog hangende is; dit is een geding waarin nog geen definitieve uitspraak is gedaan over de vorderingen van de partijen; bijgevolg kan een afstand van geding in hoger beroep geen betrekking hebben op het geding in eerste aanleg waarin reeds een eindvonnis is gewezen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AFSTAND (RECHTSPLEGING) - AFSTAND VAN GEDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 820 en 826, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Algemeen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 820 en 826, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. S.19.0029.N RESITEC nv, met zetel te 2160 Wommelgem, Gulkenrodestraat 3, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0437.023.404, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 11, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0206.731.645, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67/14, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Gent, afdeling Gent, van 7 december 2018, op verwijzing gewezen na arrest van het Hof van 24 oktober
  1. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 6 maart 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  2. Krachtens artikel 30bis, § 3, tweede lid, RSZ-wet, in de versie zoals hier van toepassing, is de aannemer die voor de in § 1 vermelde werken een beroep doet op een onderaannemer die niet geregistreerd is op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst, hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de sociale schulden van zijn medecontractant. Krachtens artikel 30bis, § 3, vierde lid, RSZ-wet, in de versie zoals hier van toepassing, zijn de artikelen 1200 tot en met 1216 van het Oud Burgerlijk Wetboek toepasselijk op de in deze bepaling bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid. Krachtens artikel 30bis, § 4, tweede lid, RSZ-wet, in de versie zoals hier van toepassing, is de aannemer die voor de in § 1 vermelde werken aan een onderaannemer een deel of het geheel van de prijs betaalt, verplicht bij die betaling 35 pct. van het door hem verschuldigde bedrag, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, in te houden en te storten aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid, volgens de modaliteiten bepaald door de Koning. Artikel 30bis, § 5, vierde lid, RSZ-wet, in de versie zoals hier van toepassing, bepaalt dat als de in § 4, tweede lid, bedoelde storting niet werd verricht en de onderaannemer op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst was geregistreerd, de aannemer hoofdelijk aansprakelijk is voor de betaling van de sociale schulden van de onderaannemer binnen de grenzen en voor de schulden vermeld in §
  3. Krachtens artikel 42, eerste lid, RSZ-wet, in de versie zoals hier van toepassing, verjaren de schuldvorderingen van de Rijksdienst voor sociale zekerheid op de werkgevers die onder deze wet vallen en de personen bedoeld bij voormeld artikel 30bis na vijf jaar.
  4. Uit het geheel van deze wetsbepalingen volgt dat de vordering van de RSZ tegen de aannemer tot betaling van de sociale schulden van de onderaannemer, ontstaat op het ogenblik dat de aannemer hoofdelijk aansprakelijk wordt voor de sociale schulden van de onderaannemer. In het geval van een geregistreerde onderaannemer is dat het ogenblik waarop de aannemer nalaat de in artikel 30bis, § 4, tweede lid, bedoelde storting te verrichten. De verjaringstermijn begint eerst vanaf dat ogenblik te lopen, met dien verstande dat de hoofdelijk aansprakelijke aannemer zich met toepassing van artikel 1208 Oud Burgerlijk Wetboek desgevallend kan beroepen op de exceptie van verjaring van de vordering van de RSZ tegen de onderaannemer.
  5. Uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt dat: - de eiseres in de periode van 5 januari 2004 tot en met 18 augustus 2007 in onderaanneming een beroep had gedaan op Benelux Vloertechniek bvba, die toen een geregistreerde aannemer van bouwwerken was; - de eiseres in de periode van 21 november 2005 tot en met 18 augustus 2007 voor deze werken bepaalde bedragen aan Benelux Vloertechniek bvba betaalde zonder hierbij de inhoudingen overeenkomstig artikel 30bis RSZ-wet te verrichten; - Benelux Vloertechniek bvba bij vonnis van 6 januari 2009 failliet werd verklaard; - de verweerder in het faillissement van Benelux Vloertechniek bvba een schuldvordering indiende voor een bedrag dat was samengesteld uit sociale zekerheidsbijdragen, bijdrageopslagen en interest voor bepaalde kwartalen van 1997, 1998, 1999 en 2007; - dit faillissement bij vonnis van 8 december 2009 werd afgesloten bij gebrek aan actief; - de verweerder op 18 november 2010 een aangetekende brief richtte aan de eiseres waarin zij werd aangemaand om in toepassing van artikel 30bis RSZ-wet een bedrag van 50.946,87 euro te betalen.
  6. De appelrechters oordelen dat: - eerst de vraag naar de verjaring van de op artikel 30bis RSZ-wet gebaseerde vordering van de verweerder tegen de eiseres dient te worden beoordeeld; - wanneer zou blijken dat die vordering niet verjaard zou zijn, er de vraag is of de vordering van de verweerder op Benelux Vloertechniek bvba verjaard is, omdat de eiseres zich dan met toepassing van artikel 1208 Oud Burgerlijk Wetboek daarop kan beroepen en de vordering van de verweerder tegen de eiseres dan als ongegrond dient te worden afgewezen; - de verjaringstermijn van de op artikel 30bis RSZ-wet gebaseerde vordering van de RSZ tegen de hoofdelijk gehouden aannemer pas begint te lopen op het ogenblik waarop de RSZ de aannemer op basis van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid kan aanspreken tot betaling van de bijdragen; - de verjaringstermijn van vijf jaar slechts kan aanvangen op het tijdstip waarop de aannemer het factuurbedrag dat hij verschuldigd is aan zijn onderaannemer, betaalt zonder dat hij de vereiste inhouding en doorstorting verricht; - de vordering van de verweerder tegen de eiseres gebaseerd is op de betalingen die de eiseres in de periode van 21 november 2005 tot 18 augustus 2007 verrichtte aan Benelux Vloertechniek bvba zonder de 35 pct. inhoudingen; - de aangetekende ingebrekestelling van 18 november 2010 de verjaring stuitte van de op artikel 30bis RSZ-wet gebaseerde vordering van de verweerder tegen de eiseres.
  7. Met deze redenen verantwoorden de appelrechters hun beslissing dat de vordering van de verweerder tegen de eiseres niet verjaard is, naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel Eerste subonderdeel
  8. Krachtens artikel 820 Gerechtelijk Wetboek ziet de partij, bij afstand van geding, af van de rechtspleging die zij is begonnen met een hoofdvordering of met een tussenvordering. Afstand van geding heeft niet tot gevolg dat het recht wordt prijsgegeven. Artikel 826, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de afstand van geding die aangenomen is, van rechtswege inhoudt dat de partijen ermee instemmen dat de zaken over en weder in dezelfde staat worden teruggebracht alsof er geen geding geweest was.
  9. Uit deze bepalingen volgt dat een partij slechts afstand mag doen van een geding dat nog hangende is, dit is een geding waarin nog geen definitieve uitspraak is gedaan over de vorderingen van de partijen. Bijgevolg kan een afstand van geding in hoger beroep geen betrekking hebben op het geding in eerste aanleg waarin reeds een eindvonnis is gewezen.
  10. Uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt dat: - de arbeidsrechtbank bij vonnis van 13 oktober 2005 de vorderingen van de verweerder tegen Benelux Vloertechniek bvba in een bepaalde mate gegrond heeft verklaard; - de verweerder tegen voormeld vonnis hoger beroep aantekende en Benelux Vloertechniek bvba incidenteel beroep; - de verweerder met een fax van 14 december 2010 en een brief van 17 december 2010 aan het arbeidshof meedeelde “afstand van geding te doen om reden dat het faillissement van Benelux Vloertechniek bvba afgesloten is”; - het arbeidshof bij arrest van 10 februari 2011 aan de verweerder akte verleende van deze afstand en deze inwilligde.
  11. De appelrechters die oordelen dat een afstand van geding enkel betrekking heeft op de aanleg waarin de afstand wordt gedaan, verantwoorden hiermee naar recht hun beslissing dat de afstand van geding door de verweerder enkel betrekking had op de procedure in hoger beroep en dat het geding voor de arbeidsrechtbank, met inbegrip van de gedinginleidende vorderingen met hun verjaringsstuitende werking en het vonnis van 13 oktober 2005, onverkort blijft gelden. Het subonderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.
  12. Voor het overige komt het subonderdeel op tegen overtollige redenen en is het bijgevolg niet ontvankelijk bij gebrek aan belang. (…) Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de rechtsplegingsvergoeding voor de appelprocedure. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiseres tot negen tienden van de kosten en laat de beslissing over de overige kosten aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Brussel. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 222,80 euro en op de som van 20 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Christian Storck, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Mireille Delange, en de raadsheren Antoine Lievens en Eric de Formanoir, en in openbare rechtszitting van 3 april 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230403.3N.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230403.3N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.