id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230403.3N.3 Rolnummer: S.22.0013.N Zaak: H. contra RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2023-05-23 Raadplegingen: 1184 - laatst gezien 2026-06-18 22:45 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230403.3N.3 Fiche 1 De schade die de RSZ lijdt door de niet-betaling van socialezekerheidsbijdragen bestaat onder meer uit het bedrag van die bijdragen, dat door de RSZ kan worden geraamd met toepassing van de artikelen 22 en 22bis RSZ-wet en waarvan de juistheid onaantastbaar door de rechter wordt beoordeeld; deze niet-betaling vormt een persoonlijke schade van de RSZ die onder meer met die bijdragen zijn opdracht moet vervullen tot financiering van de verschillende sectoren van de sociale zekerheid; de omstandigheid dat de RSZ ter uitvoering van die opdracht de ontvangen bijdragen moet verdelen en doorbetalen aan de socialezekerheidsinstellingen die instaan voor de uitbetaling van de uitkeringen van sociale zekerheid, belet niet dat de niet-betaling een persoonlijke schade vormt voor de RSZ; die schade staat in causaal verband met de fout en de voormelde verplichting tot doorbetaling doorbreekt dat oorzakelijk verband niet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 3 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 27-06-1969 - Artt. 22 en 22bis - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Fiches 2 - 3 Noch artikel 236, eerste lid, Sociaal Strafwetboek, noch de mogelijkheid voor de verweerder om een vordering in te stellen anders dan op grond van een misdrijf, belet dat een rechtsvordering wordt ingesteld voor de arbeidsgerechten op grond van een misdrijf als onrechtmatige daad, met toepassing van de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Artt. 3 en 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 236, eerste lid - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Burgerlijke rechtsvordering (bijzondere regels) Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Artt. 3 en 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 236, eerste lid - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Fiches 4 - 5 De omstandigheid dat voor de toepassing van de ambtshalve veroordeling overeenkomstig artikel 236 Sociaal Strafwetboek de vordering van de RSZ op de werkgever tot betaling van de achterstallige bijdragen, bijdrageopslagen en verwijlinterest nog niet verjaard mag zijn, belet de rechtsvordering niet tot het verkrijgen van een schadevergoeding op grond van een misdrijf, als onrechtmatige daad, waarbij toepassing moet worden gemaakt niet van de verjaringsregeling van artikel 42 RSZ-wet maar van de verjaringsregel bepaald in artikel 26 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS VERJARING - STRAFZAKEN - Algemeen Tekst van de beslissing Nr. S.22.0013.N I.H., eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 11, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0206.731.645, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67/14, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 15 november
- Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 9 maart 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Krachtens de artikelen 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek moet degene die door zijn fout aan een ander schade berokkent die schade integraal vergoeden, wat impliceert dat de schadelijder hersteld wordt in de toestand waarin hij zou hebben verkeerd indien de handeling waarover hij klaagt niet was gepleegd. De schade moet in de regel gebonden zijn aan de persoon die er de vergoeding van eist. Krachtens artikel 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering behoort de rechtsvordering tot herstel van de schade, door een misdrijf veroorzaakt, aan hen die de schade hebben geleden.
- De schade die de verweerder lijdt door de niet-betaling van socialezekerheidsbijdragen bestaat onder meer uit het bedrag van die bijdragen, dat door de verweerder kan worden geraamd met toepassing van de artikelen 22 en 22bis RSZ-wet en waarvan de juistheid onaantastbaar door de rechter wordt beoordeeld.
- Deze niet-betaling vormt een persoonlijke schade van de verweerder die onder meer met die bijdragen zijn opdracht moet vervullen tot financiering van de verschillende sectoren van de sociale zekerheid. De omstandigheid dat de verweerder ter uitvoering van die opdracht de ontvangen bijdragen moet verdelen en doorbetalen aan de socialezekerheidsinstellingen die instaan voor de uitbetaling van de uitkeringen van sociale zekerheid, belet niet dat de niet-betaling een persoonlijke schade vormt voor de verweerder. Die schade staat in causaal verband met de fout en de voormelde verplichting tot doorbetaling doorbreekt dat oorzakelijk verband niet.
- De krachtens artikel 28 RSZ-wet en artikel 54, eerste lid, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet verschuldigde verwijlinterest en bijdrageopslagen strekken tot de forfaitaire vergoeding van de schade geleden ingevolge het niet renderen van de niet-betaalde bijdragen en de door de wanbetalers veroorzaakte administratiekosten. Niets belet aldus de verweerder om zijn schade mede te ramen op die verhogingen en interest bepaald met toepassing van artikel 28 RSZ-wet.
- Het onderdeel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. (…) Tweede middel
- Het arrest kent de vordering van de verweerder niet toe met toepassing van artikel 236, eerste lid, Sociaal Strafwetboek, maar oordeelt integendeel dat deze wetsbepaling het recht van de verweerder onverminderd laat om een vordering in te stellen voor de burgerlijke rechter teneinde de schade veroorzaakt door het misdrijf vergoed te zien. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Artikel 236, eerste lid, Sociaal Strafwetboek bepaalt: “Wanneer de benadeelde derden zich geen burgerlijke partij hebben gesteld, veroordeelt de rechter die de straf uitspreekt voorzien in onder meer artikel 218 Sociaal Strafwetboek, of die de schuld vaststelt voor een inbreuk op deze bepalingen, de schuldenaar van onbetaalde of gedeeltelijk onbetaalde bijdragen ambtshalve tot het betalen van de achterstallige bijdragen, de bijdrageopslagen en de verwijlinterest.”
- Artikel 236, eerste lid, Sociaal Strafwetboek, is een bijzondere vorm van de in artikel 44 Strafwetboek vermelde teruggave, die beoogt de sporen van het misdrijf uit te wissen via de betaling van de onrechtmatig niet-betaalde bijdragen, bijdrageopslagen en interest. Noch deze wetsbepaling, noch de mogelijkheid voor de verweerder om een vordering in te stellen anders dan op grond van een misdrijf, belet dat een rechtsvordering wordt ingesteld voor de arbeidsgerechten op grond van een misdrijf als onrechtmatige daad, met toepassing van de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering.
- Uit artikel 236 Sociaal Strafwetboek kan niet worden afgeleid dat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zich geen burgerlijke partij kan stellen voor de schade die het gevolg is van het onrechtmatig niet-betalen van socialezekerheidsbijdragen. De omstandigheid dat voor de toepassing van de ambtshalve veroordeling overeenkomstig artikel 236 Sociaal Strafwetboek de vordering van de RSZ op de werkgever tot betaling van de achterstallige bijdragen, bijdrageopslagen en verwijlinterest nog niet verjaard mag zijn, belet de rechtsvordering niet tot het verkrijgen van een schadevergoeding op grond van een misdrijf, als onrechtmatige daad, waarbij toepassing moet worden gemaakt niet van de verjaringsregeling van artikel 42 RSZ-wet maar van de verjaringsregel bepaald in artikel 26 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering.
- Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 468,84 euro en op de som van 22 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Christian Storck, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Mireille Delange, en de raadsheren Antoine Lievens en Eric de Formanoir, en in openbare rechtszitting van 3 april 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230403.3N.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230403.3N.3 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231129.2F.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div