id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230404.2N.3 Rolnummer: P.22.1691.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2023-04-07 Raadplegingen: 901 - laatst gezien 2026-06-18 21:34 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Het feit dat de rechter, om de door een beklaagde uit een misdrijf verkregen vermogensvoordelen ex aequo et bono te bepalen, de gegevens van het strafdossier in aanmerking dient te nemen die deze bepaling zo nauwkeurig mogelijk toelaten, vereist niet dat de beslissing die gegevens uitdrukkelijk vermeldt. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 42, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 42, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1691.N N. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 28 november 2022, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 29 mei 2018. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek: bij de toebedeling van de lastens de eiser verbeurd te verklaren vermogensvoordelen gaan de appelrechters in het algemeen uit van twee premissen, namelijk ten eerste dat van de opbrengst van de cocaïnetransporten vier vijfden gaat naar de investeerders en een vijfde is bestemd ter dekking van de kosten van de overige betrokkenen bij de transporten en ten tweede dat de vier vijfden voor de investeerders altijd in gelijke delen wordt verdeeld met als enige verdeelsleutel het aantal investeerders in het transport; die premissen worden niet gesteund op gegevens van het strafdossier, maar louter geponeerd zonder daarvoor enige feitelijke grondslag uit het strafdossier aan te reiken; aldus berust de ex aequo et bono-bepaling van de vermogensvoordelen niet op de gegevens van het strafdossier. 2. Het feit dat de rechter, om de door een beklaagde uit een misdrijf verkregen vermogensvoordelen ex aequo et bono te bepalen, de gegevens van het strafdossier in aanmerking dient te nemen die deze bepaling zo nauwkeurig mogelijk toelaten, vereist niet dat de beslissing die gegevens uitdrukkelijk vermeldt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 3. Met de redenen aangeduid in het tweede onderdeel vermeldt het arrest de gegevens op grond waarvan het ex aequo et bono de vermogensvoordelen bepaalt die de eiser heeft verkregen uit elk cocaïnetransport waaraan hij reeds definitief schuldig is verklaard bij het op dit punt niet vernietigde arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 15 juni 2017 en het stelt vast dat die gegevens voortkomen uit de resultaten van het gerechtelijk onderzoek. Het berekent het totale vermogensvoordeel van de eiser door de samentelling van de hem toegekomen vermogensvoordelen uit elk transport. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat er grotere kosten waren dan een vijfde van de opbrengst van de cocaïnetransporten en dat hij niet evenveel ontving als de andere investeerders aangezien hij binnen de organisatie slechts de rol van ondergeschikte bewindvoerder had. 5. Na te hebben vastgesteld (p. 9 en 21) dat de eiser definitief is veroordeeld als leider van de criminele organisatie en aan welke transporten van cocaïne hij definitief is schuldig verklaard, preciseert het arrest (p. 20-28) op grond van welke hoeveelheden cocaïne per transport, welke eenheidsprijzen en welke forfaitaire verdeelsleutel het de vermogensvoordelen berekent die het ex aequo et bono lastens de eiser verbeurdverklaart, in acht genomen de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn. Het uitgangspunt dat het arrest hanteert bij het bepalen van de forfaitaire verdeelsleutel van de opbrengsten is niet de rang van elke beklaagde binnen de organisatie, maar wel diens rol als investeerder in de transporten. Het arrest oordeelt bovendien dat de vermogensvoordelen ten aanzien van de eiser minimalistisch zijn bepaald gelet op de inkomsten uit de transporten die hij in afgeluisterde gesprekken aan zichzelf heeft toebedeeld en die veel hoger liggen dan de netto opbrengst waarvan de appelrechters uitgaan. Met die redenen verwerpen en beantwoorden de appelrechters het verweer van de eiser, zonder te moeten antwoorden op elk argument dat de eiser heeft aangevoerd ter ondersteuning van dat verweer, maar dat geen zelfstandig verweer uitmaakt. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel 6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt immers, enerzijds, dat de opbrengst onder de investeerders werd verdeeld volgens een vaste verdeelsleutel, maar vermeldt, anderzijds, feitelijke gegevens die met betrekking tot de transporten 3 en 5 aantonen dat die verdeelsleutel niet met de werkelijkheid overeenstemt. 7. Het feit dat het arrest de vermogensvoordelen ex aequo et bono bepaalt, houdt noodzakelijkerwijze in dat de toegepaste forfaitaire verdeelsleutel niet overeenstemt met de precieze opbrengst die de eiser heeft verkregen uit elk individueel transport, maar dat die verdeelsleutel een doorsnede vormt van eisers opbrengsten, die toelaat het totale hem toegekomen vermogensvoordeel te bepalen op een wijze die het arrest verder als minimalistisch omschrijft. 8. Hieruit volgt dat de redenen van het arrest elkaar niet opheffen of tenietdoen en het arrest bijgevolg niet tegenstrijdig is gemotiveerd. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde onderdeel 9. Het onderdeel voert miskenning aan van het begrip feitelijk vermoeden: het arrest stelt vast dat 350 kilogram cocaïne, afkomstig van het transport 5, zou worden verdeeld tussen de Nederlandse en de Belgische tak, dat er vier investeerders waren, dat er 200 kilogram toekwam aan de Belgische tak met daarin nog drie investeerders waaronder de eiser en dat aan de eiser dus 50 kilogram, dit is een vierde, toekwam; uit die vaststellingen kan het arrest niet in het algemeen afleiden dat het saldo van vier vijfden van de opbrengst van alle betrokken cocaïnetransporten steeds in gelijke delen werd verdeeld tussen de verschillende investeerders na aftrek van de kosten; uit die vaststellingen blijkt precies een ongelijke verdeling van de opbrengst; bijgevolg is het arrest niet naar recht gemotiveerd. 10. In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het derde onderdeel, kan het om dezelfde reden niet worden aangenomen. 11. Voor het overige komt het onderdeel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is het niet ontvankelijk. Tweede middel 12. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest past met betrekking tot het transport 1 de algemene verdeelsleutel toe op grond waarvan het oordeelt dat vier vijfden van de opbrengst van de cocaïnetransporten in gelijke delen naar de investeerders ging, zonder te antwoorden op eisers verweer dat hij niet evenveel van de opbrengst ontving als de andere investeerders aangezien hij binnen de organisatie slechts de rol van ondergeschikte bewindvoerder had (eerste onderdeel) en dat uit een gecapteerd gesprek waaraan de eiser heeft deelgenomen niet kan worden afgeleid dat hij bij het transport 1 reeds 100 kilogram cocaïne zou hebben gekregen (tweede onderdeel). 13. Artikel 6 EVRM verplicht de strafrechter niet om het verweer van een beklaagde tot in de bijzonderheden te beantwoorden, maar enkel om, zelfs bij afwezigheid van een conclusie, de voornaamste redenen te vermelden die hem hebben overtuigd van de schuld of de onschuld van een beklaagde. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 14. Voor het overige heeft het middel dezelfde strekking als het tweede en derde onderdeel van het eerste middel en kan het om dezelfde redenen niet worden aangenomen. Derde middel 15. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt met betrekking tot het transport 3 dat er slechts 400 kilogram van de beoogde 2.000 kilogram cocaïne werd verkregen en dat een herverdeling van de in ontvangst genomen lading diende te gebeuren “overeenkomstig de door de partners geïnvesteerde gelden”; dat laatste houdt in dat de herverdeling is gebeurd overeenkomstig de gelden die iedereen apart heeft geïnvesteerd; die vaststelling is niet verenigbaar met een algemene regel waarbij ervan wordt uitgegaan dat iedereen evenveel kreeg van de betrokken lading louter gelet op de rol “als investeerder in dit transport”. 16. Artikel 6 EVRM verplicht de strafrechter niet om het verweer van een beklaagde tot in de bijzonderheden te beantwoorden, maar enkel om, zelfs bij afwezigheid van een conclusie, de voornaamste redenen te vermelden die hem hebben overtuigd van de schuld of de onschuld van een beklaagde. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 17. Voor het overige heeft het middel dezelfde strekking als het tweede en derde onderdeel van het eerste middel en kan het om dezelfde redenen niet worden aangenomen. Vierde middel Eerste onderdeel 18. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het oordeel dat de eiser uit het transport 5 een hoeveelheid van 50 kilogram cocaïne heeft verkregen, is onverenigbaar met de gehanteerde globale verdeelsleutel volgens welke vier vijfden van de opbrengsten gelijkelijk zijn verdeeld tussen de investeerders in de transporten; het arrest aanvaardt immers dat het transport 5 in totaal 350 kilogram cocaïne heeft opgebracht, waarvan 150 kilogram is toebedeeld aan de Nederlandse tak en 200 kilogram aan de Belgische tak, die overigens nog maar uit drie personen bestond; aldus is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd. 19. Het arrest rekent het aan de eiser toekomende breukdeel van de opbrengst van het gehele transport 5, dit is minstens 350 kilogram cocaïne, in zijn voordeel niet toe op de totaliteit van dat transport, maar enkel op het deel van 200 kilogram toekomend aan de Belgische tak. Bovendien deelt het arrest, eveneens in eisers voordeel, dat beperkte deel door het totale aantal investeerders in het transport en brengt het daarvan bovendien de forfaitair bepaalde kosten in mindering. Verder oordeelt het arrest (p. 32): “Mede gelet op de huidige situatie van de beklaagden en teneinde hun financiële toestand niet overmatig te belasten, hun reclassering niet in het gedrang te brengen en hen geen onevenredige maatregel en geen onredelijk zware straf op te leggen, is de geraamde geldwaarde van de wederrechtelijk verkregen vermogensvoordelen beperkt tot de hierboven vermelde bedragen.” Aldus is het arrest niet tegenstrijdig gemotiveerd, maar past het de algemene, ex aequo et bono bepaalde verdeelsleutel enkel toe met daarop correcties in het voordeel van de eiser. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 20. Voor het overige heeft het onderdeel dezelfde strekking als het tweede en derde onderdeel van het eerste middel en kan het om dezelfde redenen niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 21. Het onderdeel voert miskenning aan van het begrip feitelijk vermoeden: uit de feiten die het arrest vaststelt, kan het niet wettig afleiden dat het saldo van vier vijfden van de opbrengst van het cocaïnetransport 5 in gelijke delen is verdeeld. 22. Het onderdeel komt op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel 23. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de regel van de bewijskracht van akten: het arrest (p. 28) oordeelt: “In het navolgend proces-verbaal 006695/2013 van 2 oktober 2013 (…) wordt in de aanhef toegelicht dat 50 kg van die 200 kg is toegekomen aan [de eiser]. Dit sluit aan bij hetgeen hiervoor werd overwogen: [de eiser] is één van de vier investeerders, de criminele organisatie ontving een lading van 200 kg, hetgeen impliceert dat de opbrengst van 50 kg cocaïne [de eiser] toekomt”; in het aldus vermelde proces-verbaal wordt echter in de voorwaardelijke wijs gesproken, als “zou” de verdeling van de 200 kilogram voor S. en N. inhouden dat er 50 kilogram voor N. is; zodoende doen de appelrechters dit proces-verbaal iets zeggen wat het niet zegt en miskennen zij de bewijskracht ervan. 24. Het arrest geeft van het proces-verbaal een uitlegging die niet onverenigbaar is met de in het onderdeel aangehaalde bewoordingen ervan. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde onderdeel 25. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het begrip feitelijk vermoeden: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat hij onmogelijk enig aandeel in de opbrengst van transport 5 kan hebben gehad; uit de loutere inbezitneming of zelfs verkoop van een partij cocaïne kan niet worden afgeleid dat deze ook een financieel vermogensvoordeel voor de vervolgde persoon heeft opgeleverd. 26. Artikel 6 EVRM verplicht de strafrechter niet om het verweer van een beklaagde tot in de bijzonderheden te beantwoorden, maar enkel om, zelfs bij afwezigheid van een conclusie, de voornaamste redenen te vermelden die hem hebben overtuigd van de schuld of de onschuld van een beklaagde. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 27. Het arrest (p. 28) oordeelt: “Het feit dat [de eiser] met oorspronkelijke medebeklaagden in het hotel (…) werd gearresteerd op 29 mei 2013 staat niet in de weg dat zijn aandeel in de opbrengst van deze niet onderschepte lading cocaïne door hem moet zijn ontvangen.” Het is de tegenwaarde van die hoeveelheid cocaïne, voortkomend uit het cocaïnetransport 5, die naar het oordeel van de appelrechters het wederrechtelijke vermogensvoordeel in de zin van artikel 42, 3°, Strafwetboek uitmaakt en die zij overeenkomstig artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek per equivalent verbeurdverklaren lastens de eiser. Aldus beantwoordt het arrest eisers verweer, zonder dat het nog moest vaststellen dat de eiser op het moment van zijn arrestatie de cocaïne reeds te gelde had gemaakt. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 28. Voor het overige komt het onderdeel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is het niet ontvankelijk. Vijfde middel 29. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt dat, gezien de overschrijding van de redelijke termijn, voor de verbeurdverklaring slechts de netto-opbrengst van 15.000,00 euro per kilogram cocaïne in acht zal worden genomen en dus niet de groothandelsprijzen van minstens 30.000,00 euro per kilogram; het arrest motiveert echter niet waarom die groothandelsprijs van 30.000,00 euro per kilogram in acht kan worden genomen, maar neemt gewoon het bedrag over dat is aangereikt door het openbaar ministerie; aldus beantwoordt het niet eisers verweer dat de groothandelsprijs niet gefundeerd is en afhangt van de omstandigheden; evenmin beantwoordt het arrest eisers verweer dat de verbeurdverklaring niet bruto moest worden bevolen en kon worden verminderd met de werkelijk gemaakte kosten teneinde het reële vermogensvoordeel niet te overschrijden en geen dubbele verbeurdverklaring te bevelen; zodoende blijkt ook niet de realiteit van de toegepaste strafvermindering wegens de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn. 30. Artikel 6.1 EVRM verplicht de strafrechter niet om het verweer van een beklaagde tot in de bijzonderheden te beantwoorden, maar enkel om, zelfs bij afwezigheid van een conclusie, de voornaamste redenen te vermelden die hem hebben overtuigd van de schuld of de onschuld van een beklaagde. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 31. De eiser heeft in zijn appelconclusie aangevoerd dat de door het openbaar ministerie vooropgestelde groothandelswaarde van 30.000,00 euro per kilogram cocaïne uitgaat van een niet gefundeerde veronderstelling en dat alles afhangt van hoeveel er wordt verkocht, aan wie en wanneer. 32. Met de in het middel vermelde reden, waaruit niet blijkt dat de appelrechters de door het openbaar ministerie vooropgestelde groothandelswaarde zonder meer overnemen, oordeelt het arrest dat de groothandelswaarde van cocaïne minimaal 30.000,00 euro per kilogram bedraagt. Aldus verwerpt en beantwoordt het arrest eisers verweer over de groothandelswaarde van de cocaïne. 33. Hoewel niet verplicht, vermindert het arrest het totale verbeurd te verklaren vermogensvoordeel met een forfaitaire kost van een vijfde van dat vermogensvoordeel. Het arrest (p. 31-32) oordeelt verder onder meer dat de verbeurdverklaring zich opdringt om de gevolgen van de bewezen verklaarde feiten voor de eiser ongedaan te maken en herhaling te voorkomen, dat er aan de eiser geen onredelijk zware straf wordt opgelegd en dat er geen grond is tot verdere matiging van de verbeurdverklaring. Aldus verwerpt en beantwoordt het arrest eisers verweer over de bruto verbeurdverklaring. 34. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek 35. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 160,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 4 april 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230404.2N.3 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241231.2N.21 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230620.2N.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.