id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023
Art. 3.1 Verordening (EG) nr.
593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -
Art. 9.1 Verordening (EG) nr.
593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -
Art. 9
.2 Fiches 5 - 7 De Belgische rechter die wordt gevat van een betwisting over de beëindiging van een concessie van alleenverkoop waarop de Rome I-verordening van toepassing is, kan, in weerwil van het bepaalde in artikel X.39 WER, het door de partijen gekozen vreemd recht niet terzijde schuiven om toepassing te maken van de Belgische bepalingen vervat in de artikelen X.35 tot en met X.40 WER en de Belgische rechter kan de arbitreerbaarheid van een geschil inzake de beëindiging van een concessie van alleenverkoop waarop de Rome I-verordening van toepassing is, niet laten afhangen van de voorwaarde dat de arbiters toepassing zullen maken van de voormelde Belgische bepalingen of van een vreemd recht dat een gelijkwaardige bescherming biedt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - EINDE Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.35 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.36 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.37 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.38 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.39 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.40 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.35 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.36 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.37 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.38 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.39 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.40 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: VREEMDE WET Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.35 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.36 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.37 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.38 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.39 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.40 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Annotaties Publicaties: RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2024, nr. 8/9, p. 557-
- - ULRIX, Eline; VAN DEN BROECK, Koen; Noot'Het Hof van Cassatie hakt de knoop door: geschillen betreffende de eenzijdige beëindiging van een voor onbepaalde tijd verleende verkoopconcessie...' Tekst van de beslissing Nr. C.21.0325.N THIBELO bv, met zetel te 4140 Sprimont, Haie des Chênes, 12 FF1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0430.296.552, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen STÖLZLE-OBERGLAS GmbH, vennootschap naar Oostenrijks recht, met zetel te A-8580 Köflach (Oostenrijk), Fabrikstrasse 11, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 10 maart
- Advocaat-generaal Els Herregodts heeft op 20 maart 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Artikel 6.2, laatste lid, van het hier toepasselijke Europees Verdrag van 21 april 1961 inzake de internationale handelsarbitrage, bepaalt dat de rechter voor wie de zaak is aangebracht, de overeenkomst tot arbitrage niet kan erkennen indien, volgens de wet van de bevoegde rechter, het geschil niet voor beslechting door arbitrage vatbaar is. Uit deze bepaling volgt dat de rechter die kennis neemt van een exceptie van rechtsmacht, de arbitrage moet uitsluiten wanneer het geschil krachtens alle relevante rechtsregels van de lex fori niet aan de rechtsmacht van de nationale rechter mag worden onttrokken.
- Krachtens artikel 1676, § 1, Gerechtelijk Wetboek kan ieder geschil van vermogensrechtelijke aard het voorwerp van een arbitrage uitmaken. Geschillen inzake de beëindiging van een concessie van alleenverkoop zijn geschillen van vermogensrechtelijke aard in de zin van deze bepaling en zijn bijgevolg in beginsel vatbaar voor arbitrage.
- Krachtens artikel X.39 WER kan de benadeelde concessiehouder, bij de beëindiging van een verkoopconcessie met uitwerking voor het gehele Belgische grondgebied of een deel ervan, in elk geval de concessiegever in België dagvaarden. Ingeval het geschil voor een Belgische rechtbank wordt gebracht, zal deze uitsluitend de Belgische wet toepassen.
- Krachtens artikel 3.1 van de Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: de Rome I-verordening) wordt een overeenkomst beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen. Krachtens artikel 9.1 Rome I-verordening zijn bepalingen van bijzonder dwingend recht bepalingen aan de inachtneming waarvan een land zoveel belang hecht voor de handhaving van zijn openbare belangen zoals zijn politieke, sociale of economische organisatie, dat zij moeten worden toegepast op elk geval dat onder de werkingssfeer ervan valt, ongeacht welk recht overeenkomstig deze verordening overigens van toepassing is op de overeenkomst. Krachtens artikel 9.2 Rome I-verordening beperkt niets in deze verordening de toepassing van de bepalingen van bijzonder dwingend recht van de rechter bij wie de zaak aanhangig is. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest Unamar van 17 oktober 2013 (C-184/12) geoordeeld dat: - de mogelijkheid om zich krachtens artikel 7, lid 2, EVO (thans artikel 9.2 van de Rome I-verordening) te beroepen op bepalingen van bijzonder dwingend recht de verplichting voor de lidstaten om erop toe te zien dat deze regels verenigbaar zijn met het recht van de Unie onverlet laat; het feit dat nationale bepalingen als wetten van politie en veiligheid worden aangemerkt, immers niet betekent dat zij niet in overeenstemming met de Verdragsbepalingen hoeven te zijn; anders afbreuk zou worden gedaan aan de voorrang en de eenvormige toepassing van het Unierecht; het recht van de Unie de aan dergelijke nationale wettelijke regelingen ten grondslag liggende overwegingen slechts kan aanvaarden voor zover het gaat om uitzonderingen op de communautaire vrijheden die uitdrukkelijk in het Verdrag zijn vastgesteld en, in voorkomend geval, voor zover het gaat om dwingende redenen van algemeen belang (r.o 46); - om volle werking te geven aan het beginsel van de wilsautonomie van contractspartijen, dat de hoeksteen is van het EVO en dat in de Rome I-verordening is overgenomen, ervoor moet worden gezorgd dat de vrije keuze van deze partijen ter zake van het in het kader van hun contractuele relatie toepasselijke recht wordt geëerbiedigd overeenkomstig artikel 3, lid 1, EVO, zodat de uitzondering die wordt gevormd door “bepalingen van bijzonder dwingend recht” in de zin van de wettelijke regeling van de betrokken lidstaat, zoals bedoeld in artikel 7, lid 2, van dit verdrag, strikt moet worden uitgelegd (r.o. 49); - het dus aan de nationale rechter staat om in het kader van zijn beoordeling of de bepalingen van het nationaal recht, die hij in de plaats wil stellen van het uitdrukkelijk door de contractspartijen gekozen recht, “bepalingen van bijzonder dwingend recht” zijn, niet alleen rekening te houden met de precieze bewoordingen van deze bepalingen, maar ook met de algemene opzet en alle omstandigheden waarin deze bepalingen zijn vastgesteld, om daaruit te kunnen afleiden dat zij bepalingen van dwingend recht zijn, voor zover blijkt dat de nationale wetgever deze bepalingen heeft vastgesteld om een belang te beschermen dat voor de betrokken lidstaat fundamenteel is (r.o. 50).
- De artikelen X.35 tot en met X.40 WER in verband met de eenzijdige beëindiging van voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop beschermen in hoofdzaak particuliere belangen en zijn dan ook geen bepalingen van bijzonder dwingend recht in de zin van artikel 9.1 Rome I-verordening.
- Uit wat in de randnummers 3 tot en met 5 werd uiteengezet en uit het beginsel van de voorrang van het Unierecht op het nationaal recht volgt dat de Belgische rechter die wordt gevat van een betwisting over de beëindiging van een concessie van alleenverkoop waarop de Rome I-verordening van toepassing is, in weerwil van het bepaalde in artikel X.39 WER, het door de partijen gekozen vreemd recht niet terzijde kan schuiven om toepassing te maken van de voormelde Belgische bepalingen. Hieruit volgt tevens dat de Belgische rechter de arbitreerbaarheid van een geschil inzake de beëindiging van een concessie van alleenverkoop waarop de Rome I-verordening van toepassing is, niet kan laten afhangen van de voorwaarde dat de arbiters toepassing zullen maken van de voormelde Belgische bepalingen of van een vreemd recht dat een gelijkwaardige bescherming biedt.
- In zoverre het middel ervan uitgaat dat wanneer een arbitragebeding in een internationale concessie van alleenverkoop met uitwerking op het Belgisch grondgebied of een deel ervan, de concessiehouder de bescherming van de Belgische wet ontneemt, het beding ongeldig is, berust het op een onjuiste rechtsopvatting en faalt het naar recht.
- De appelrechter oordeelt dat de partijen “niet betwisten dat de overeenkomst en het arbitragebeding vervat in artikel 11.4 geldig zijn en dat zij handelingsbekwaam waren om de overeenkomst aan te gaan”. Anders dan het middel aanvoert, oordeelt de appelrechter aldus enkel dat de partijen niet betwisten dat de overeenkomst en het daarin vervatte arbitragebeding geldig zijn tot stand gekomen, zonder zich daarbij uit te spreken over de arbitreerbaarheid van het geschil. In zoverre het middel miskenning aanvoert van de bewijskracht van de appelconclusie van de eiseres, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 776,53 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 7 april 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230407.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230407.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div