id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230412.2N.1 Rolnummer: P.23.0428.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-04-21 Raadplegingen: 735 - laatst gezien 2026-06-18 23:43 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Indien tegen een veroordeelde aan wie de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling werd toegekend, nieuwe veroordelingen worden uitgesproken die de naleving van de aan die strafuitvoeringsmodaliteit verbonden bijzondere voorwaarden onmogelijk maken, en de feiten waarvoor de nieuwe veroordelingen zijn uitgesproken dateren van vóór de proeftijd verbonden aan de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling, dan is een herroeping van deze strafuitvoeringsmodaliteit mogelijk op grond van artikel 64, 7°, Wet Strafuitvoering; de strafuitvoeringsrechtbank dient in dat geval te onderzoeken of de veroordeelde, rekening houdende met de nieuwe veroordelingen, zich nog in de tijdsvoorwaarden bevindt voor de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling; indien de veroordeelde als gevolg van die nieuwe veroordelingen zich niet langer meer bevindt in de tijdsvoorwaarden voor de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling dient zij tot de herroeping over te gaan
(1).
(1)Zie Cass. 28 februari 2023, AR P.23.0174.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.12, AC 2023, n° 155, met concl. van advocaat-generaal De Smet. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 64, 7° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: VOORWAARDELIJKE INVRIJHEIDSTELLING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 64, 7° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0428.N K. C. F. D. R., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Kris Luyckx, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 10 maart 2023, gewezen op verwijzing bij arrest van het Hof van 28 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Hugo Mormont heeft geconcludeerd. II. RELEVANTE GEGEVENS
- De eiser was aanvankelijk gedetineerd ter uitvoering van drie titels, namelijk een gevangenisstraf van vijf jaar waartoe hij werd veroordeeld bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 13 november 2019, een gevangenisstraf van veertig maanden waartoe hij werd veroordeeld bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 21 februari 2018 en een strafrestant van 566 dagen wegens een herroepen voorwaardelijke invrijheidstelling bij vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 20 maart 2017 (hierna de strafuitvoeringsrechtbank).
- Bij vonnis van 31 juli 2018 werd aan de eiser de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht toegekend. Die strafuitvoeringmodaliteit werd herroepen bij vonnis van 23 augustus
- Bij vonnis van 31 mei 2021 werd aan de eiser de strafuitvoeringsmodaliteit van de beperkte detentie toegekend, welke een aanvang nam op 10 juni
- Bij vonnis van 23 december 2021 werd aan de eiser de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht toegekend, welke een aanvang nam op 30 december
- De strafuitvoering nam volgens de op 31 december 2021 geviseerde detentiefiche een aanvang op 17 februari 2017 en zou een einde kennen op 18 december
- Bij vonnis van 26 september 2022 werd aan de eiser de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling toegekend, welke een aanvang nam op 4 oktober
- De eiser werd bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 4 november 2021 veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van achttien maanden voor feiten daterend uit de periode van 1 juli 2013 tot 9 januari
- Het cassatieberoep tegen dit arrest werd verworpen bij arrest van het Hof van 17 mei
- De eiser werd bij vonnis van de correctionele rechtbank Antwerpen van 10 juni 2022 veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van drie jaar voor feiten daterend uit de periode van 17 februari 2017 tot 9 maart
- Bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 7 december 2022 werd de afstand van eisers hoger beroep tegen dit vonnis vastgesteld.
- De voormelde titels van 4 november 2021 en 10 juni 2022 werden in uitvoering gebracht. Volgens de eiser verblijft hij als gevolg daarvan sinds 23 december 2022 in de gevangenis.
- De op 27 december 2022 geviseerde detentiefiche vermeldt als aanvang van de straf 1 december 2022 en als strafeinde 15 juni
- Bij vonnis van 10 januari 2023 van de strafuitvoeringsrechtbank werd de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling herroepen op grond van artikel 64, 3°, Wet Strafuitvoering.
- Tegen dit vonnis heeft de eiser cassatieberoep ingesteld.
- Bij arrest P.23.0174.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.12 van 28 februari 2023 heeft het Hof het vonnis van 10 januari 2023 vernietigd en de zaak verwezen naar hetzelfde rechtscollege, anders samengesteld, en dit op de volgende gronden: - indien tegen een veroordeelde nieuwe veroordelingen worden uitgesproken die de naleving van de bijzondere voorwaarden onmogelijk maken, is de herroeping van de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling op grond van artikel 64, 3°, Wet Strafuitvoering slechts mogelijk indien de feiten waartoe die nieuwe veroordelingen aanleiding hebben gegeven, werden gepleegd tijdens de proeftijd verbonden aan de voorwaardelijke invrijheidstelling; - indien de feiten waarvoor de nieuwe veroordelingen werden uitgesproken evenwel dateren van vóór de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling, is een herroeping op grond van artikel 64, 3°, Wet Strafuitvoering niet mogelijk, ook niet als die feiten werden gepleegd tijdens de proeftijd verbonden aan een voorheen toegekende strafuitvoeringsmodaliteit; - de herroeping van de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling is volgens artikel 64, 7°, Wet Strafuitvoering mogelijk indien de veroordeelde zich niet meer in de tijdsvoorwaarden voor de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit bevindt; - het staat in dat geval aan de strafuitvoeringsrechtbank bij wie een vordering tot herroeping van die strafuitvoeringsmodaliteit aanhangig is en die is gegrond op nieuwe veroordelingen wegens feiten daterend van vóór de aan die strafuitvoeringsmodaliteit verbonden proeftijd, te onderzoeken of de veroordeelde nog aan de tijdsvoorwaarden voldoet voor de strafuitvoeringsmodaliteit waarvan de herroeping wordt gevorderd.
- Het thans bestreden vonnis oordeelt als volgt: - een herroeping op grond van artikel 64, 3°, Wet Strafuitvoering is niet mogelijk; - een herroeping is wel mogelijk op grond van artikel 64, 7°, Wet Strafuitvoering indien de eiser zich niet meer in de tijdsvoorwaarden bevindt voor de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit; - de eiser bevindt zich volgens de detentiefiche van 5 september 2022 in de tijdsvoorwaarden voor de voorwaardelijke invrijheidstelling die hem werd toegekend bij vonnis van 26 september 2022, aangezien die fiche als toelaatbaarheidsdatum voor de voorwaardelijke invrijheidstelling 23 november 2019 vermeldt; - de bij vonnis van 26 september 2022 toegekende voorwaardelijke invrijheidstelling wordt bijgevolg niet herroepen; - uit de detentiefiche van 2 januari 2023 blijkt dat de eiser is opgesloten ter uitvoering van twee nieuwe straffen voor feiten gepleegd vóór de proeftijd van de hem bij vonnis van 26 september 2022 toegekende voorwaardelijke invrijheidstelling; - volgens diezelfde detentiefiche verkeert de eiser slechts in de tijdsvoorwaarden voor een nieuwe voorwaardelijke invrijheidstelling op 20 juni 2024 en is hij thans niet meer toelaatbaar voor een voorwaardelijke invrijheidstelling op basis van de nieuwe straffen.
- Het is tegen dit vonnis dat de eiser opnieuw cassatieberoep heeft aangetekend. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 24, 25, § 2, a), 62, 64, 7°, en 68 Wet Strafuitvoering: het vonnis kan niet terzelfder tijd oordelen dat de eiser wel in de tijdsvoorwaarden is voor wat betreft de bij vonnis van 26 september 2022 reeds toegekende strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling, maar dat dit niet het geval is voor de nieuwe straffen; er kunnen geen twee strafuitvoeringstrajecten naast elkaar bestaan; alle straffen moeten worden getotaliseerd.
- Indien tegen een veroordeelde aan wie de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling werd toegekend, nieuwe veroordelingen worden uitgesproken die de naleving van de aan die strafuitvoeringsmodaliteit verbonden bijzondere voorwaarden onmogelijk maken, en de feiten waarvoor de nieuwe veroordelingen zijn uitgesproken dateren van vóór de proeftijd verbonden aan de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling, dan is een herroeping van deze strafuitvoeringsmodaliteit mogelijk op grond van artikel 64, 7°, Wet Strafuitvoering.
- De strafuitvoeringsrechtbank dient in dat geval te onderzoeken of de veroordeelde, rekening houdende met de nieuwe veroordelingen, zich nog in de tijdsvoorwaarden bevindt voor de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Indien de veroordeelde als gevolg van die nieuwe veroordelingen zich niet langer meer bevindt in de tijdsvoorwaarden voor de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling dient zij tot de herroeping over te gaan.
- Het vonnis oordeelt enerzijds dat volgens de detentiefiche van 5 september 2022 de eiser zich sinds 23 november 2019 bevindt in de tijdsvoorwaarden voor de hem bij vonnis van 26 september 2022 toegekende voorwaardelijke invrijheidstelling en die voorwaardelijke invrijheidstelling dan ook niet wordt herroepen. Het oordeelt anderzijds dat volgens de detentiefiche van 2 januari 2023 de eiser slechts op 20 juni 2024 aan de tijdsvoorwaarden voor een nieuwe voorwaardelijke invrijheidstelling zal voldoen, zodat hij thans niet toelaatbaar is voor een voorwaardelijke invrijheidstelling op basis van de nieuwe straffen. Het vonnis dat aldus vaststelt dat rekening houdende met de nieuwe veroordelingen de eiser niet voldoet aan de tijdsvoorwaarden voor een voorwaardelijke invrijheidstelling en toch oordeelt dat de toegekende voorwaardelijke invrijheidstelling niet wordt herroepen, schendt artikel 64, 7°, Wet Strafuitvoering. Het middel is in zoverre gegrond. Overige grieven
- De grieven behoeven geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter ridder Jean de Codt, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Françoise Roggen, Eric de Formanoir en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 12 april 2023 uitgesproken door voorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Hugo Mormont, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230412.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.12 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230516.2N.15 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251210.2F.32 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div