← België

G.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.10 Rolnummer: P.23.0132.N Zaak: G. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Unierecht Invoerdatum: 2023-04-24 Raadplegingen: 1041 - laatst gezien 2026-06-18 14:28 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230418.2N.10 Fiches 1 - 3 Uit de artikelen 7.3, eerste lid, b), en 12, eerste lid EG-Richtlijn Rijbewijs en art. 1, 11° KB Rijbewijs volgt dat een persoon, met het oog op de verlenging van zijn rijbewijs overeenkomstig artikel 7.3, eerste lid, b), Richtlijn Rijbewijs, zijn gewone verblijfplaats heeft in een lidstaat van de Europese Unie wanneer hij tijdens het jaar dat de verlenging voorafgaat, gedurende ten minste 185 dagen in die lidstaat heeft verbleven wegens persoonlijke of beroepsmatige bindingen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 21 Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs - 20-12-2006 - Artt. 7.3, eerste lid, b), en 12, eerste lid KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 1, 11° - 31 ELI link Pub nr 1998014078 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 30 Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs - 20-12-2006 - Artt. 7.3, eerste lid, b), en 12, eerste lid KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 1, 11° - 31 ELI link Pub nr 1998014078 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs - 20-12-2006 - Artt. 7.3, eerste lid, b), en 12, eerste lid KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 1, 11° - 31 ELI link Pub nr 1998014078 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0132.N M. G. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Nick Heinen, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 23 december
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft op 31 maart 2023 een schriftelijke conclusie ingediend ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 18 april 2023 heeft raadsheer Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 7.1.e van de richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs (hierna Richtlijn Rijbewijs) en artikel 1, 11°, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs (hierna KB Rijbewijs): het bestreden vonnis oordeelt dat de eiser op 2 maart 2021 een motorvoertuig op de openbare weg heeft bestuurd zonder houder te zijn van het daarvoor vereiste rijbewijs omdat de eiser op het moment van de verlenging van zijn Spaans rijbewijs op 20 juli 2020, onbetwist al meer dan zes maanden in België leefde en de Spaanse autoriteiten dit rijbewijs niet meer rechtsgeldig konden verlengen overeenkomstig artikel 7.3.b Richtlijn Rijbewijs; het bestreden vonnis interpreteert de artikelen 7.3.b en 12 Richtlijn Rijbewijs echter verkeerd; de voorwaarde van een verblijf van zes maanden waarvan sprake in artikel 7.3.b Richtlijn Rijbewijs heeft immers enkel betrekking op de inschrijving in een onderwijsinstelling en niet op de gewone verblijfplaats; het bestreden vonnis houdt ten onrechte ook enkel rekening met een uittreksel uit het rijksregister om te oordelen over de gewone verblijfplaats van de eiser; het bestreden vonnis gaat eraan voorbij dat de eiser de Spaanse nationaliteit heeft, wat impliceert dat hij nauwe banden heeft met Spanje; de appelrechters moesten ter rechtszitting toetsen of de eiser minstens 185 dagen per jaar in Spanje zou verblijven, maar hebben dit nagelaten; de wetgeving is hier alleszins niet duidelijk over, waardoor de eiser in de veronderstelling was dat hij over een rechtsgeldig rijbewijs beschikte.
  3. De Richtlijn Rijbewijs bepaalt: - in artikel 7.3, eerste lid, b,: “De verlenging van het rijbewijs op het moment dat de administratieve geldigheidsduur verstrijkt, is afhankelijk van: het feit dat de betrokkene zijn gewone verblijfplaats heeft, of aantoont dat hij voor ten minste zes maanden in een onderwijsinstelling is ingeschreven, op het grondgebied van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft”; - in artikel 12, eerste lid: “Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder “gewone verblijfplaats” verstaan de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar, wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen of, voor iemand zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont.” Artikel 1, 11°, eerste lid, KB Rijbewijs bepaalt: “Voor de toepassing van dit besluit dat voorziet in de omzetting van Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs wordt verstaan onder: "gewone verblijfplaats", de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per jaar, wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen of, voor iemand zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont.”
  4. Hieruit volgt dat een persoon, met het oog op de verlenging van zijn rijbewijs overeenkomstig artikel 7.3, eerste lid, b, Richtlijn Rijbewijs, zijn gewone verblijfplaats heeft in een lidstaat van de Europese Unie wanneer hij tijdens het jaar dat de verlenging voorafgaat, gedurende ten minste 185 dagen in die lidstaat heeft verbleven wegens persoonlijke of beroepsmatige bindingen.
  5. Het bestreden vonnis oordeelt: “Uit het uittreksel uit het rijksregister blijkt dat [de eiser] het Spaans rijbewijs op 18 februari 2010 geldig heeft bekomen. Zolang de administratieve einddatum niet verlopen was, kon [de eiser] met dit Spaans rijbewijs in België rijden. Op het moment van de hernieuwing/verlenging op 20 juli 2020, leefde [de eiser] evenwel onbetwist al meer dan zes maanden in België en kon Spanje dit niet meer rechtsgeldig verlengen overeenkomstig artikel 7.3.b van de Europese Rijbewijsrichtlijn 2006/126/EG. [De eiser] had voor de vervaldatum in België een administratieve verlenging dan wel een omzetting moeten vragen naar een Belgisch rijbewijs.”
  6. Op grond van die redenen, die niet uitsluiten dat de eiser in Spanje heeft verbleven gedurende ten minste 185 dagen gedurende het jaar dat voorafging aan de verlenging van zijn rijbewijs, kan het bestreden vonnis niet wettig oordelen dat die verlenging ongeldig is. Het middel is in zoverre gegrond. Tweede middel
  7. Het middel dat niet kan leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, behoeft geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis, behoudens in zoverre dit het hoger beroep van het openbaar ministerie ontvankelijk verklaart en de saisine van het appelgerecht bepaalt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiser tot een tiende van de kosten van het cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat ze over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Limburg, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 133,70 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 18 april 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230418.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.