id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023
Art. 1
- 21 ELI link Pub nr 2020030731 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 30 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Artt. 21 en 30, § 1, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Artt. 17, § 4, vierde lid, 69, § 9, en 90quinqies, § 5 - 31 ELI link Pub nr 1998014078 Wet 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid - 15-05-2007 - Artt. 182 en 187 - 61 ELI link Pub nr 2007000663 KB 23 april 2020 houdende maatregelen betreffende het rijbewijs naar aanleiding van
Art. 1- 21 ELI link Pub nr 2020030731 Thesaurus CAS: WETTEN.
DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Artt. 21 en 30, § 1, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Artt. 17, § 4, vierde lid, 69, § 9, en 90quinqies, § 5 - 31 ELI link Pub nr 1998014078 Wet 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid - 15-05-2007 - Artt. 182 en 187 - 61 ELI link Pub nr 2007000663 KB 23 april 2020 houdende maatregelen betreffende het rijbewijs naar aanleiding van
Art. 1- 21 ELI link Pub nr 2020030731 Nota: Art.
1 KB van 23 april 2020 houdende maatregelen betreffende het rijbewijs naar aanleiding van de COVID-19-crisis, gewijzigd door art. 2 KB van 28 augustus 2020 en art. 3 KB van 13 december
- Tekst van de beslissing Nr. P.23.0004.N A. E. K., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jorgen Van Laer, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 2 december
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het bestreden vonnis verklaart eisers hoger beroep ontvankelijk en het oordeelt dat het hoger beroep betrekking heeft op de schuld en de straf. In zoverre het cassatieberoep ook gericht is tegen die beslissing, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 21 en 30, § 1, 1°, Wegverkeerswet en de artikelen 3, 69, § 9, en 90quinquies, § 5, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs (hierna KB Rijbewijs): het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de eiser een nieuwe aanvraag moest indienen tot het verkrijgen van een nieuw vervangend rijbewijs met geldigheid tot 30 september 2021; de ratio legis van artikel 90quinquies, § 5, KB Rijbewijs is immers dat omwille van de coronapandemie en de samenhangende onbereikbaarheid van de verscheidene overheidsdiensten de tijdelijke geldigheid van de rijgeschiktheid werd verlengd tot en met 30 september 2021; minstens is er een ongelijke behandeling tussen de personen die houder zijn van een rijbewijs met beperkte geldigheid ingevolge de artikelen 69, § 9, en 73, zevende lid, KB Rijbewijs en de personen die houder zijn van een rijbewijs met beperkte geldigheid ingevolge artikel 6 KB Rijbewijs en de artikelen 3, 4 en 5/1, § 1/1, van het koninklijk besluit van 10 juli
- In ondergeschikte orde wordt gevraagd het Grondwettelijk Hof de volgende vraag te stellen: “Schendt artikel 90quinquies van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het artikel 90quinquies van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs voorziet in een automatische verlenging van de voorlopige rijbewijzen (categorieën M3, M18, M36, M12), waar deze automatische verlenging in artikel 90quinquies van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs niet voorzien wordt voor de rijbewijzen uitgegeven conform artikel 69, § 9, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs en waarvan het deelnemingsattest conform artikel 90quinquies, § 5, eveneens automatisch verlengd wordt?”
- Artikel 69, § 9, eerste tot en met derde lid, KB Rijbewijs bepaalt: “In afwijking van § 7, eerste lid, 2°, wordt, indien de houder geschikt wordt verklaard naar aanleiding van het medisch of het psychologisch herstelonderzoek en het deelnemingsdocument attesteert zijn rijgeschiktheid onder voorwaarden of met beperkingen, het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs waarvan hij houder is niet teruggegeven door de griffier. In dit geval wordt het door de griffie bewaarde rijbewijs, indien het een Europees rijbewijs is, teruggezonden naar de overheid bedoeld in artikel
- Op vraag van de houder, geeft de overheid bedoeld in artikel 7 een rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs af voor de categorieën bedoeld in het deelnemingsdocument dat zijn rijgeschiktheid attesteert onder voorwaarden of met beperkingen, gevoegd bij de aanvraag, overeenkomstig artikel 17, § 4, vierde lid.”
- Artikel 17, § 4, vierde lid, KB Rijbewijs bepaalt: “In het geval bedoeld in artikel 69, § 9, derde lid, verkrijgt de aanvrager een nieuw rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs waarvan de administratieve geldigheidsduur wordt beperkt tot de duur bepaald in het attest in voorkomend geval. In voorkomend geval kan dit rijbewijs of dit als zodanig geldend bewijs hernieuwd worden met een nieuw rijgeschiktheidsattest met vermelding van voorwaarden of beperkingen, overeenkomstig artikel 73.”
- Artikel 73, zevende lid, KB Rijbewijs bepaalt: “De geneesheer of de psycholoog bevestigt op het deelnemingsdocument het slagen door de vermelding «geschikt» met eventueel de toevoeging van voorwaarden of beperkingen die hij aanduidt en die, in voorkomend geval, zullen overgenomen worden op het teruggekregen of het verkregen rijbewijs. Wanneer de kandidaat zowel een geneeskundig als psychologisch onderzoek heeft ondergaan, moet de geneesheer na overleg met de psycholoog beslissen of de kandidaat al dan niet «geschikt» is en onder welke voorwaarden of beperkingen.”
- Artikel 90quinquies, § 5, KB Rijbewijs, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 23 april 2020 houdende maatregelen betreffende het rijbewijs naar aanleiding van de COVID-19-crisis met inwerkingtreding op 16 maart 2020, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 augustus 2020 tot wijziging van bepaalde maatregelen betreffende het rijbewijs naar aanleiding van de COVID-19-crisis en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 december 2020 tot wijziging van bepaalde maatregelen betreffende het rijbewijs naar aanleiding van de COVID-19-crisis, bepaalt: “In afwijking van dit besluit zijn de in het tweede lid opgesomde documenten die na 15 maart 2020 vervallen, geldig tot en met 30 september 2021, indien hun geldigheidsduur verstrijkt voor deze datum. Deze maatregel betreft de volgende documenten: 1° de attesten bedoeld in bijlage 6, VII tot XI; 2° het attest bedoeld in artikel 73, zevende lid, indien de opgelegde voorwaarden en beperkingen een vervaldatum bevatten.”
- In de aanhef van het voormelde koninklijk besluit van 13 december 2020 wordt onder meer overwogen: “(…) Overwegende het koninklijk besluit van 23 april 2020 houdende maatregelen betreffende het rijbewijs naar aanleiding van de COVID-19-crisis, bekendgemaakt op 7 mei 2020; Overwegende het koninklijk besluit van 28 augustus 2020 tot wijziging van bepaalde maatregelen betreffende het rijbewijs naar aanleiding van de COVID-19-crisis, bekendgemaakt op 7 september 2020; Overwegende dat deze koninklijke besluiten bepaalden dat het voorlopig rijbewijs, dat na 15 maart 2020 verstrijkt, aanvankelijk tot 30 september 2020, vervolgens tot 31 december 2020 worden verlengd om geen onbeheersbare toestroom te creëren in de gemeenten die verantwoordelijk zijn voor de afgifte van het voorlopig rijbewijs en waarvoor een reëel risico bestond dat zij zonder een dergelijke maatregel een abnormaal groot aantal houders van een voorlopig rijbewijs zouden moeten ontvangen die willen weten hoe zij hun situatie in deze periode van voortdurende bezorgdheid moeten beheren; Overwegende dat anderzijds het SARS-CoV-2-virus opnieuw sterk in België circuleert en op dit moment redelijkerwijs kan worden ingeschat dat de situatie eind 2020 niet opgelost zal zijn; Overwegende dat nalaten een koninklijk besluit te nemen om het voorlopig rijbewijs te verlengen twee dingen zal veroorzaken: 1) een indrukwekkende toestroom van mensen naar het gemeentebestuur om inlichtingen omtrent deze verlenging bij gebrek aan enige officiële online informatie, die niet voorhanden zal zijn als de Staat niet ingrijpt; (…)”
- Uit de samenhang van deze bepalingen en die aanhef volgt dat de geldigheidsduur van het op basis van de artikelen 17, § 4, vierde lid, en 69, § 9, KB Rijbewijs uitgereikte vervangend rijbewijs overeenkomstig artikel 90quinquies, § 5, van dit besluit wordt verlengd, zoals ook de geldigheidsduur van het attest op basis waarvan het wordt uitgereikt wordt verlengd en dat de administratieve geldigheidsduur van dit vervangend rijbewijs bepaalt.
- Het bestreden vonnis stelt vast dat het overeenkomstig de artikelen 17, § 4, vierde lid, en 69, § 9, KB Rijbewijs uitgereikte vervangend rijbewijs was vervallen sinds 23 mei
- Die vervallenverklaring situeert zich na 15 maart 2020, zijnde de datum van inwerkingtreding van het voormelde koninklijk besluit van 23 april 2020, zodat de geldigheidsduur van dit rijbewijs werd verlengd tot 30 september
- Daaruit volgt dat de eiser op het ogenblik van de feiten, namelijk 13 maart 2021, wel houder was van een rijbewijs. Het bestreden vonnis oordeelt dan ook ten onrechte dat de eiser naliet een nieuw vervangend rijbewijs aan te vragen en op het moment van de feiten niet in het bezit was van een geldig rijbewijs. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis, behoudens waar dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart en de saisine van het appelgerecht bepaalt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot een tiende van de kosten van zijn cassatieberoep en laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond tot verwijzing is. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 18 april 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div