← België

T. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.12 Rolnummer: P.23.0427.N Zaak: T. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2023-04-24 Raadplegingen: 1073 - laatst gezien 2026-06-18 16:09 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Hoewel artikel 833 Gerechtelijk Wetboek geen uitdrukkelijke termijn oplegt waarbinnen de wraking moet worden voorgedragen, blijkt uit zowel de letter als de geest ervan, de welomschreven termijnen voor de wrakingsprocedure en de schorsing van alle vonnissen en handelingen die zij met zich meebrengt, dat een wraking moet worden voorgedragen van zodra de grond van wraking is gekend door de partij die zich erop beroept

(1); die regel heeft een algemene draagwijdte; de rechter die uitspraak doet over het wrakingsverzoek, oordeelt onaantastbaar in feite of de partij die het wrakingsverzoek heeft ingediend, dit heeft gedaan van zodra de wrakingsgrond haar was gekend; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
(1)Cass. 18 juni 2020, AR C.20.0222.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200618.1N.27, AC 2020, nr. 425 ; Cass. 15 januari 2019, AR P.18.1214.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.6, AC 2019, nr. 25; Cass. 14 juni 2016, AR P.16.0586.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160614.4, AC 2016, nr. 402; Cass. 21 april 2011, AR C.11.0054.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110421.3, AC 2011, nr.
  1. Thesaurus CAS: WRAKING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 833 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 833 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 3 - 4 De wrakingsrechter moet beslissen binnen een korte termijn en moet bijgevolg niet tot in de bijzonderheden het verweer van de verzoeker tot wraking beantwoorden; die rechter moet evenmin antwoorden op alle tot staving van dat verweer aangevoerde argumenten die geen zelfstandig verweer uitmaken. Thesaurus CAS: WRAKING Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0427.N A. T., beklaagde, verzoeker tot wraking, met als raadslieden mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent, en mr. Bart De Geest, advocaat bij de balie Brussel, in de zaak van A. T., reeds vermeld, en P. B., wonende te 8000 Brugge, Fosterpark 1 bus 102, burgerlijke partij. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, burgerlijke kamer, van 2 maart
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 828, 1° en 9°, en 833 Gerechtelijk Wetboek: het arrest verklaart eisers verzoek van 14 februari 2023 tot wraking van de rechters G., C. en W. laattijdig en bijgevolg niet ontvankelijk omdat de eiser reeds op 19 januari 2023 kennis had van de wrakingsgrond, erin bestaande dat de vermelde rechters op voorhand en zonder mogelijkheid tot tegenspraak aan de eiser hebben meegedeeld dat zij weigerden hem een uitstel toe te staan op de rechtszitting van 6 maart 2023; het arrest houdt daarbij geen rekening met het feit dat de gewraakte rechters in een mededeling van 7 februari 2023 eveneens het verzoek tot uitstel van de raadsman van een andere beklaagde hebben afgewezen, maar ditmaal met de uitdrukkelijke vermelding dat de zaak integraal zou worden behandeld op de rechtszitting van 6 maart 2023; bijgevolg hebben de gewraakte rechters pas op 7 februari 2023 de mogelijkheid uitgesloten waarop de eiser voorheen nog dacht te mogen rekenen, namelijk dat de zaak op de rechtszitting van 6 maart 2023 gedeeltelijk kon worden behandeld en dat zij voor wat betreft de eiser in voortzetting kon worden gesteld; aldus is de grond tot wraking slechts ontstaan door het samen lezen van de beide mededelingen en oordeelt het arrest ten onrechte dat die beide mededelingen afzonderlijk dienen te worden beoordeeld.
  4. Artikel 833 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat hij die een wraking wil voordragen, dit moet doen vóór de aanvang van de pleidooien tenzij de redenen van wraking later zijn ontstaan en, indien de zaak bij verzoekschrift is ingeleid, alvorens op het verzoekschrift een beschikking is gegeven.
  5. Hoewel dat artikel geen uitdrukkelijke termijn oplegt waarbinnen de wraking moet worden voorgedragen, blijkt uit zowel de letter als de geest ervan, de welomschreven termijnen voor de wrakingsprocedure en de schorsing van alle vonnissen en handelingen die zij met zich meebrengt, dat een wraking moet worden voorgedragen van zodra de grond van wraking is gekend door de partij die zich erop beroept. Die regel heeft een algemene draagwijdte.
  6. De rechter die uitspraak doet over het wrakingsverzoek, oordeelt onaantastbaar in feite of de partij die het wrakingsverzoek heeft ingediend, dit heeft gedaan van zodra de wrakingsgrond haar was gekend. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
  7. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  8. Het arrest oordeelt zoals hiervoor vermeld. Verder stelt het vast en oordeelt het (p. 5-6 en 8-9) onder meer als volgt: - de door de eiser aangevoerde wrakingsgrond steunt in het bijzonder op het gegeven dat de gewraakte rechters op voorhand en zonder mogelijkheid tot tegenspraak hebben beslist tot de afwijzing van eisers verzoek tot uitstel; - eisers raadsman schreef op 16 januari 2023 aan de voorzitter van de B12 kamer dat hij onverwacht in de onmogelijkheid verkeerde om op 6 maart 2023 de belangen van zijn cliënt te behartigen en deelde daarbij onder meer mee: “In die omstandigheden zou ik u dan ook middels [dit] schrijven willen verzoeken om de zaak met een week uit te stellen zodat ik ter zitting aanwezig kan zijn. Ter zitting zal een confrater aanwezig zijn teneinde dit verzoek tot uitstel van behandeling mondeling te herhalen en desgevallend toe te lichten. Ik hield eraan u hiervan in kennis te stellen. Ik zie uw berichten dienaangaande tegemoet”; - op 19 januari 2023 antwoordde de griffier aan eisers raadsman en de overige raadslieden: “De rechtbank zal geen nieuw uitstel toestaan in de bovenvermelde zaak. De zaak wordt hoe dan ook behandeld op 6 maart e.k., desgevallend bij verstek van de afwezige partijen. Ik hield mij eraan u hiervan op de hoogte te brengen”; - op 6 februari 2023 vroeg de raadsman van een andere beklaagde eveneens om een uitstel, waarop de griffier met een bericht van 7 februari 2023 antwoordde: “Zoals reeds vermeld zal er geen nieuw uitstel worden toegestaan en zal de zaak integraal behandeld worden op 6 maart e.k.”; - een wrakingsgrond is door een partij gekend wanneer die partij over die grond voldoende zekerheid heeft om zich ter zake een overtuiging te kunnen vormen en een verzoekschrift tot wraking te kunnen indienen, zonder dat die voldoende kennis gelijk is te stellen met de mogelijkheid het bewijs van de aangevoerde feiten te leveren; - reeds sedert 19 januari 2023 was de eiser ervan op de hoogte dat de rechtbank niet zou ingaan op het verzoek tot uitstel van zijn raadsman. Dat de rechtbank op 7 februari 2023 nog bevestigd heeft dat er geen nieuw uitstel zou worden toegestaan, neemt niet weg dat de eiser wel degelijk reeds op 19 januari 2023 op de hoogte was van het voornemen van de rechtbank om de zaak te behandelen op de zitting van 6 maart 2023; - de beweerde wrakingsgronden waren de eiser op 19 januari 2023 reeds gekend. Zijn wrakingsverzoek werd pas neergelegd op 14 februari 2023 en dus niet van zodra de eiser de wrakingsgronden kende; - ten overvloede: zelfs indien de eiser pas op 7 februari 2023 op de hoogte zou zijn gesteld van de wrakingsgrond, dan nog zou zijn verzoek - pas een week later neergelegd - laattijdig zijn.
  9. Uit die redenen blijkt het oordeel van het hof van beroep dat de mededeling van 19 januari 2023 voor de eiser voldoende duidelijk was om zijn wrakingsverzoek te kunnen indienen en dat de mededeling van 7 februari 2023 daaraan niets wezenlijks toevoegde. Daaruit kan het hof van beroep wettig de laattijdigheid van eisers verzoek tot wraking afleiden. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.b EVRM en artikel 833 Gerechtelijk Wetboek: het arrest oordeelt dat, zelfs indien de eiser pas op 7 februari 2023 op de hoogte zou zijn gesteld van de wrakingsgrond, zijn verzoek tot wraking van een week later nog laattijdig zou zijn; een termijn van zeven dagen is echter niet te lang om een wrakingsverzoek neer te leggen; de eiser dient te beschikken over voldoende tijd en faciliteiten om de gronden tot wraking te onderzoeken en desbetreffend een verzoekschrift op te stellen en neer te leggen.
  11. Het onderdeel dat is gericht tegen een overtollige reden die de beslissing tot de verwerping van het wrakingsverzoek niet schraagt, is niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest antwoordt niet op eisers verweer dat de mededelingen van 19 januari 2023 en 7 februari 2023 samen moeten worden gelezen en dat de termijn voor het neerleggen van een wrakingsverzoek moet worden beoordeeld vanaf de laatste datum, noch op de door de eiser aangehaalde juridische gronden waarom zijn wrakingsverzoek niet onontvankelijk mocht worden verklaard wegens laattijdigheid.
  13. De wrakingsrechter moet beslissen binnen een korte termijn en moet bijgevolg niet tot in de bijzonderheden het verweer van de verzoeker tot wraking beantwoorden. Die rechter moet evenmin antwoorden op alle tot staving van dat verweer aangevoerde argumenten die geen zelfstandig verweer uitmaken. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  14. Met de redenen vermeld in het eerste onderdeel verwerpt en beantwoordt het arrest het verweer van de eiser over de noodzaak tot het samen beoordelen van de mededelingen van 19 januari 2023 en 7 maart 2023 en over de laattijdigheid van eisers verzoek tot wraking gerekend vanaf 19 januari 2023, zonder dat het elk argument ter ondersteuning van dat verweer diende te beantwoorden. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  15. Voor het overige heeft het onderdeel betrekking op de mededeling van 7 februari 2023 als aanvangsdatum van eisers kennis van de wrakingsgrond. In zoverre is het onderdeel gericht tegen een overtollige reden die de beslissing tot de verwerping van het wrakingsverzoek niet schraagt en is het niet ontvankelijk. Tweede middel
  16. Het middel voert schending aan van artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest miskent de bewijskracht van het verzoekschrift tot wraking door te stellen dat de grond tot wraking betrekking heeft op het weigeren in te gaan op het verzoek tot uitstel, terwijl de in dat verzoekschrift geformuleerde wrakingsgrond betrekking heeft op het gebrek aan tegenspraak; door het feit dat de wrakingsrechters uitspraak hebben gedaan over een geschil, namelijk eisers verzoek tot uitstel, op een ogenblik dat er nog geen rechtszitting is bepaald en dus zonder de partijen voorafgaandelijk te horen, maakt dat er sprake is van partijdigheid bij de gewraakte rechters.
  17. Het middel dat gericht is tegen overtollige redenen die de beslissing tot de verwerping van het wrakingsverzoek niet schragen, is niet ontvankelijk. Derde middel
  18. Het middel voert schending aan van artikel 828, 9°, Gerechtelijk Wetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de e-mail van de griffier van 29 januari 2023, waarbij het verzoek tot uitstel van de eiser wordt afgewezen, geen geschrift is in de zin van artikel 828, 9°, Gerechtelijk Wetboek.
  19. Het middel dat is gericht tegen een overtollige reden die de beslissing tot de verwerping van het wrakingsverzoek niet schraagt, is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  20. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten tot op heden op 0 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 18 april 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231219.2N.10 precedenten: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110421.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160614.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200618.1N.27 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231212.2N.6 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240409.2N.17 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240521.2N.4 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250826.VAK.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.