← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.14 Rolnummer: P.23.0001.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-04-24 Raadplegingen: 774 - laatst gezien 2026-06-15 08:19 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Uit de duidelijke tekst van artikel 62bis Wegverkeerswet volgt dat niet enkel het bij zich hebben van uitrustingen of middelen die de vaststellingen door automatisch werkende toestellen verhinderen is verboden, maar ook het bij zich hebben van elke uitrusting die of elk middel dat de vaststellingen van overtredingen van de Wegverkeerswet en de uitvoeringsbesluiten ervan bemoeilijkt of verhindert

(1); het gegeven dat de aanleiding voor de invoering van dit strafrechtelijk gesanctioneerd verbod de tegenwerking van de opsporing door middel van automatisch werkende toestellen was, of dat de wetgever die tegenwerking heeft geviseerd, laat niet toe het algemeen omschreven toepassingsgebied van artikel 62bis Wegverkeerswet en het aldus ingevoerde alomvattend verbod in te perken; strafbaar is het bemoeilijken of verhinderen van zowel de vaststelling van een overtreding als de identificatie van de overtreder en dit zonder beperking van de wijze waarop dit gebeurt.
(1)Cass. 12 december 2017, AR P.17.0384.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171212.4, AC 2017, nr. 708, Cass. 29 november 2011, AR P.11.0934.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.5, AC 2011, nr. 655, RW 2011-12, 1598 noot C. DE ROY, “”Over de omgeplooide nummerplaat: het Hof van Cassatie doet de feitenrechters plooien” (1599-1600); Luik 18 december 2018, VAV-CRA 2020, 100; Corr. 28 juni 2010, RW 2010-11, 812 noot C. DE ROY, “Beschouwingen bij de automatische parkeerschijf” (813-814); P. DE HERT, “De strijd tegen verkeersovertredingen. Nut en, juridische opportuniteit van de wet van 4 augustus 1996”, RW 1997-98, 137-138; I. THIELEMANS, “Radardetectoren”, in Postal Memorialis, Kluwer 2020, R20, p.
  1. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 62 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0001.N P. K. G. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Mathias Dendievel, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8830 Hooglede, Bruggesteenweg 315, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 25 november
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 62bis Wegverkeerswet: het bestreden vonnis interpreteert deze bepaling in strijd met de geest van de wet en de bedoeling van de wetgever zoals die blijken uit de parlementaire voorbereiding; het was de bedoeling apparatuur te verbieden die vaststellingen met automatisch werkende toestellen of de identificatie van de betrokkene verhindert.
  4. Artikel 62bis Wegverkeerswet bepaalt dat verboden is het bij zich hebben van elke uitrusting die of elk ander middel dat de vaststelling van overtredingen van de Wegverkeerswet of de uitvoeringsbesluiten ervan bemoeilijkt of verhindert of in artikel 62 Wegverkeerswet bedoelde automatische werkende toestellen opspoort. De toepasselijke straffen zijn bepaald in artikel 29bis Wegverkeerswet.
  5. Uit de duidelijke tekst van artikel 62bis Wegverkeerswet volgt dat niet enkel het bij zich hebben van uitrustingen of middelen die de vaststellingen door automatisch werkende toestellen verhinderen is verboden, maar ook het bij zich hebben van elke uitrusting die of elk middel dat de vaststellingen van overtredingen van de Wegverkeerswet en de uitvoeringsbesluiten ervan bemoeilijkt of verhindert.
  6. Het gegeven dat de aanleiding voor de invoering van dit strafrechtelijk gesanctioneerd verbod de tegenwerking van de opsporing door middel van automatisch werkende toestellen was, of dat de wetgever die tegenwerking heeft geviseerd, laat niet toe het algemeen omschreven toepassingsgebied van artikel 62bis Wegverkeerswet en het aldus ingevoerde alomvattend verbod in te perken. Strafbaar is het bemoeilijken of verhinderen van zowel de vaststelling van een overtreding als de identificatie van de overtreder en dit zonder beperking van de wijze waarop dit gebeurt.
  7. Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Tweede middel Eerste onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek: met het oordeel dat het voldoende is dat de inbreuk wetens of willens of uit onachtzaamheid is gepleegd, is het bestreden vonnis tegenstrijdig gemotiveerd; dit betreft twee onderscheiden rechtsfiguren die niet op gelijke hoogte kunnen worden gesteld en die een ander bewijs vereisen.
  9. Artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek beoogt enkel de tegenstrijdigheid tussen de beschikkingen van eenzelfde rechterlijke beslissing en niet de tegenstrijdigheid tussen de redenen van eenzelfde beslissing. In zoverre het onderdeel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
  10. Redenen van eenzelfde rechterlijke beslissing zijn slechts tegenstrijdig en leveren een juridisch sanctioneerbaar motiveringsgebrek op in de zin van artikel 149 Grondwet als ze elkaar opheffen of teniet doen.
  11. Dat is niet het geval met het oordeel dat voor het door de artikelen 29bis en 62bis Wegverkeerswet bedoelde wanbedrijf geen bijzonder opzet is vereist als moreel bestanddeel, maar dat wetens en willens handelen dan wel onachtzaamheid volstaat. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 25 en 28 Strafwetboek en de artikelen 29bis en 62bis Wegverkeerswet: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat voor het door de artikelen 29bis en 62bis Wegverkeerswet bedoelde wandrijf onachtzaamheid volstaat; aangezien het om een wanbedrijf gaat dat is ingevoerd door een bijzondere strafwet die hoofdzakelijk strafbepalingen bevat, is opzet vereist; dit blijkt ook uit de rechtspraak.
  13. Na een beschrijving van de vaststellingen door de verbalisanten (bestreden vonnis, p. 4, eerste tot en met vierde alinea) en algemene overwegingen betreffende het vereiste moreel bestanddeel (bestreden vonnis, p. 5, tweede alinea) oordelen de appelrechters als volgt: “De rechtbank hecht geen geloof aan de bewering van [de eiser] dat hij de lamp van het type Viper in het kader van zijn werkzaamheden aangeschaft had, enkel voor gebruik in de (private) haventerminals. Dit wordt niet objectief gestaafd met de voorlegging van een arbeidscontract, een verklaring werkgever, … De 12-voltstekker van de lamp zat bij de interceptie in het contact van de sigarettenaansteker en kon blauw licht flikkeren, in weerwil tot de verklaring van [de eiser] aan de verbalisanten dat enkel wit licht mogelijk was”. Daaruit volgt dat de appelrechters oordelen dat de eiser het hem verweten feit omschreven onder de telastlegging C wetens en willens heeft gepleegd. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag.
  14. Voor het overige kan de aangevoerde onwettigheid, zelfs al was ze gegrond, niet tot cassatie leiden en is ze bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 18 april 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171212.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240102.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.