← België

W. contra W.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 4 - 5 Het in artikel 373, eerste lid (oud), Strafwetboek bedoelde geweld als bestanddeel van het misdrijf aanranding van de eerbaarheid kan inhouden dat het slachtoffer de feiten slechts duldde ingevolge een door morele dwang bij dit slachtoffer verwekte vrees voor een dreigend kwaad; het vermogen van het slachtoffer om zich te verzetten tegen het geweld moet worden beoordeeld in het licht van diens fysieke en mentale weerbaarheid; hierbij kunnen onder meer ook de vroegere ervaringen van het slachtoffer of de actuele of voormalige gezagsrelatie tussen de dader en het slachtoffer medebepalende factoren zijn

(1); de rechter oordeelt onaantastbaar of de door een beklaagde uitgevoerde handelingen als geweld in de hier bedoelde zin moeten worden beschouwd; het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
(1)Cass. 21 december 2021, AR P.21.0055.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211221.2N.21, AC 2021, nr. 817; Cass. 9 oktober 2012, AR P.11.2120.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121009.1, AC 2012, nr.
  1. Over de nieuwe artikelen 417/5 en 417/7 Sw. zie B. SPRIET, S. CAREEL en M. WALGRAEVE, “Actualia seksueel strafrecht: aanranding van de eerbaarheid, verkrachting, voyeurisme”, in Straf-en strafprocesrecht, Intersentia 2022, 4-
  2. Thesaurus CAS: AANRANDING VAN EERBAARHEID EN VERKRACHTING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 417/5 en 417/7 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 417/5 en 417/7 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Nota: Artt. 417/5 en 417/7 Strafwetboek, voordien (oud) art. 373 Strafwetboek. Tekst van de beslissing Nr. P.22.1734.N D. R. R. W., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Maarten Vandermeersch, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen A. W., burgerlijke partij, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 25 november
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 807 en 1138, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de besluiten van de beklaagde of zijn raadsman: het arrest verklaart het feit gekwalificeerd als aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging bewezen omdat zou zijn aangetoond dat de eiser ten aanzien van de verweerster geweld heeft gebruikt onder de vorm van morele dwang; zoals ook opgemerkt in eisers appelconclusie, heeft de verweerster echter niet aangevoerd dat dit constitutief bestanddeel was aangetoond; evenmin hebben de appelrechters aan de partijen de mogelijkheid geboden om tegenspraak te voeren over het door de appelrechters ambtshalve opgeworpen middel dat er sprake zou zijn geweest van geweld onder de vorm van morele dwang; aldus miskent het arrest eisers recht van verdediging; minstens antwoordt het niet naar genoegen van recht op eisers bij appelconclusie opgeworpen verweer dat de verweerster geen enkel argument bijbrengt dat er sprake zou zijn geweest van geweld of bedreiging. De eiser is vervolgd wegens: “als dader of mededader in de zin van artikel 66 Strafwetboek: B aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging gepleegd te hebben op personen van het mannelijke of vrouwelijke geslacht, met name op [de verweerster], (art. 373, eerste lid, 374, 378 en 483 Strafwetboek) met de omstandigheid dat de schuldige een bloedverwant in de opgaande lijn of adoptant is, te weten haar vader, (art. 377, eerste en vierde lid, en 378 Strafwetboek) te Oudenaarde in de periode van 31 januari 2015 tot en met 28 februari 2015, op een niet nader bepaalde datum ten nadele van [de verweerster], geboren te Kortrijk op 6 juni 1981.” Het stond ter beoordeling van de appelrechters of de eiser dat aldus omschreven feit in al zijn constitutieve bestanddelen heeft gepleegd. De beoordeling van het constitutief bestanddeel van het geweld of de bedreiging en de vorm waaronder dit kan hebben plaatsgevonden, was zodoende van meet af aan in het debat en vereiste geen aanvoering van een ambtshalve middel door de appelrechters, noch een uitnodiging aan de partijen om daarover standpunt in te nemen. Evenmin vereiste die beoordeling dat de verweerster over dat constitutieve bestanddeel uitdrukkelijk argumenten ontwikkelde in haar appelconclusie, zodat de appelrechters de doelloze opmerking van de eiser in dat verband niet dienden te beantwoorden. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: het arrest steunt de bewezenverklaring van het als misdrijf omschreven feit van aanranding van de eerbaarheid op eerdere verjaarde feiten van seksueel misbruik, die niet tot de saisine van de appelrechters behoorden; het oordeelt hierover: “Het hof (van beroep) twijfelt er niet aan dat het seksueel misbruik uit het verre verleden, veel verder is gegaan dan [de eiser] heeft toegegeven en wel degelijk ook verschillende vormen van seksuele penetratie inhield, zoals door [de verweerster] beschreven”; aldus verklaart het arrest de eiser schuldig aan feiten waarvoor hij niet werd vervolgd en die verjaard zijn, wat ten aanzien van de eiser een miskenning van het vermoeden van onschuld inhoudt aangaande feiten die hij niet heeft toegegeven. Het arrest (p. 8) oordeelt dat de gelegenheid die de eiser te baat heeft genomen om het feit omschreven als aanranding van de eerbaarheid op de verweerster te plegen met gebruik van morele druk en derhalve van geweld, zijn oorsprong vindt in het seksueel misbruik waarvan de eiser heeft toegegeven dat hij het op de verweerster heeft gepleegd vanaf haar kinderjaren, hetgeen “[o]ngeacht hoever dit seksueel misbruik uit het verre verleden ging” heeft geleid tot enorme spanningen in het toenmalige gezin en tot een enorme lijdensdruk voor de verweerster. Eensdeels miskennen de appelrechters het vermoeden van onschuld van de eiser niet door het bewijs van het als misdrijf omschreven feit waarmee zij zijn gelast onder meer te putten uit feiten die de eiser zelf heeft toegegeven, ongeacht of die feiten tot de saisine van de appelrechters behoorden, of de eiser daarvoor is veroordeeld en of die feiten al dan niet zijn verjaard. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Anderdeels is het onderdeel, in zoverre het betrekking heeft op specifieke feiten van seksuele penetratie in het verleden, gericht tegen een overtollige reden die de beslissing niet schraagt en die de overige zelfstandige redenen waarop de beslissing steunt, onverlet laat. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Derde onderdeel Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 373, eerste lid (oud), en 417/5, derde lid, Strafwetboek: het arrest oordeelt: “[De eiser] was nog nooit daadwerkelijk ter verantwoording geroepen voor dit vroegere misbruik en was hiervoor tot dan toe nooit strafrechtelijk vervolgd. In die door hemzelf gecreëerde omstandigheden en in die context, zag hij begin 2015 opnieuw zijn kans schoon toen hij met zijn dochter alleen in haar woning was. Door haar in die omstandigheden en in die context in 2015 opnieuw te misbruiken, oefende hij een morele dwang op haar uit, die tot gevolg had dat [de verweerster] weerloos en machteloos was en zich hier niet tegen kon verzetten, niettegenstaande ze toen al enkele jaren meerderjarig was. Deze morele dwang is een vorm van geweld, bedoeld in artikel 373, eerste lid oud Strafwetboek zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten, en zoals bedoeld in artikel 417/5 Strafwetboek, van toepassing sinds 1 juni 2022”; morele dwang is de bij het slachtoffer verwekte vrees voor een dreigend kwaad, dat dient te slaan op een ander kwaad dan het ondergaan van de feiten van de aanranding zelf en dat dient uit te gaan van de dader van de aanranding; dat de eiser nog nooit daadwerkelijk ter verantwoording zou zijn geroepen voor eerder misbruik en hiervoor nooit strafrechtelijk werd vervolgd, maakt geen omstandigheid noch context uit die uitgaat van de eiser, zodat dit geenszins als door hem uitgeoefende morele dwang kan gelden; bovendien maakt de nergens verder geconcretiseerde “omstandigheid en context” geen element uit van enige morele dwang die bij het slachtoffer ernstige vrees voor nog dreigend kwaad veroorzaakte; daaruit kunnen de appelrechters niet wettig afleiden dat er sprake zou zijn van een vrees voor een dreigend kwaad ten gevolge waarvan het slachtoffer de vermeende feiten van aanranding van de eerbaarheid zou hebben toegelaten. Het in artikel 373, eerste lid (oud), Strafwetboek bedoelde geweld als bestanddeel van het misdrijf aanranding van de eerbaarheid kan inhouden dat het slachtoffer de feiten slechts duldde ingevolge een door morele dwang bij dit slachtoffer verwekte vrees voor een dreigend kwaad. Het vermogen van het slachtoffer om zich te verzetten tegen het geweld moet worden beoordeeld in het licht van diens fysieke en mentale weerbaarheid. Hierbij kunnen onder meer ook de vroegere ervaringen van het slachtoffer of de actuele of voormalige gezagsrelatie tussen de dader en het slachtoffer medebepalende factoren zijn. De rechter oordeelt onaantastbaar of de door een beklaagde uitgevoerde handelingen als geweld in de hier bedoelde zin moeten worden beschouwd. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Het arrest oordeelt dat de eiser de verweerster reeds vanaf haar zes jaar herhaaldelijk seksueel heeft misbruikt, dat hij dit straffeloos heeft kunnen doen, dat ook de moeder van de verweerster, hoewel bekend met de situatie, daartegen niets wezenlijks heeft ondernomen en dat het seksueel misbruik ernstige psychologische gevolgen voor de verweerster heeft gehad met inbegrip van een opname in een instelling. Aldus oordeelt het arrest dat het dreigend kwaad voor de verweerster, dat het voorwerp van de morele dwang inhield, bestond uit haar angst voor de eiser en voor een herhaling van vroeger lijden, waarvan de eiser misbruik heeft gemaakt. Bijgevolg kan het arrest uit de gegevens die het vaststelt en die eveneens behoren tot de context die het vermeldt, wettig afleiden dat de eiser het feit omschreven als aanranding van de eerbaarheid met gebruik van geweld op de verweerster heeft gepleegd. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten in het geheel op 84,01 euro, waarvan 49,01 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 18 april 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121009.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211221.2N.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.