← België

I.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.18 Rolnummer: P.23.0463.N Zaak: I. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2023-04-28 Raadplegingen: 983 - laatst gezien 2026-06-18 17:21 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Artikel 1.3 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, en het door artikel 10/1, Wet Europees Aanhoudingsbevel gewaarborgde recht op bijstand van een raadsman beletten het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de toepassing van de weigeringsgrond van artikel 4.5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel niet om de geloofwaardigheid te beoordelen van de gegevens verstrekt door de raadsman van de betrokkene in de uitvaardigende staat en te oordelen dat dit geen “objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens” zijn. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 1.3 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Artt. 4, 5°, en 10/1 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 1.3 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Artt. 4, 5°, en 10/1 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiche 4 Geen enkele bepaling van het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel zoals omgezet in de Wet Europees Aanhoudingsbevel verplicht het onderzoeksgerecht dat op grond van artikel 6.4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel weigert het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen, voorafgaandelijk te onderzoeken of de detentieomstandigheden in de uitvaardigende staat een inbreuk vormen op artikel 3 EVRM of artikel 4 Handvest Grondrechten Europese Unie en bijgevolg een grondslag vormen voor de toepassing van de in artikel 4.5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalde weigeringsgrond; bij de weigering van de tenuitvoerlegging op grond van artikel 6.4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel kan de aangevoerde miskenning van fundamentele rechten door de detentieomstandigheden in de uitvaardigende staat zich immers niet voordoen. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Artt. 4, 5°, en 6, 4° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0463.N N. I., persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, eiseres, met als raadslieden mr. Christophe Marchand en mr. Crépine Uwashema, advocaten bij de balie Brussel, met kantoor te 1060 Sint-Gillis, Henri Jasparlaan 128, waar de eiseres woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 23 maart 2023. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. De raadsman van de eiseres heeft op 12 april 2023 ter griffie van het Hof een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 1.3 en 4.5 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel, de artikelen 10/1, 2°, en 17, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel en de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de motiveringsplicht. Eerste onderdeel 2. Het onderdeel voert aan dat het arrest de motiveringsplicht miskent door te stellen dat de door de eiseres aangevoerde miskenning van een eerlijk proces in Roemenië enkel verwijst naar bepaalde door haar voorgelegde stukken zonder oog te hebben voor andere eveneens door haar aangehaalde gegevens; de bewijskracht van eiseres’ conclusie en de daarbij horende stukken zijn hierdoor ook miskend. 3. Het arrest oordeelt niet dat de eiseres “enkel” heeft verwezen naar de stukken die het arrest vermeldt. 4. Het arrest (p. 4, derde alinea) maakt uitdrukkelijk melding van de beslissing van het Roemeense Grondwettelijk Hof betreffende de ongeldig verklaarde afspraken tussen het openbaar ministerie en de Roemeense geheime dienst. 5. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 6. Het gegeven dat de rechter geen melding maakt van bepaalde in een conclusie ter staving van een verweer aangehaalde stukken en gegevens of van aan het dossier toegevoegde stukken, maar wel melding maakt van andere stukken en gegevens die hij uitdrukkelijk bij zijn beoordeling betrekt, levert geen motiveringsgebrek op noch een miskenning van de bewijskracht van de conclusie en de bedoelde stukken. 7. De rechter moet evenmin noodzakelijk antwoorden op ingediende stukken of die in zijn beslissing bespreken. 8. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Tweede onderdeel 9. Het onderdeel voert aan dat het arrest gebrekkig is gemotiveerd; het maakt een onjuiste toepassing van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, en geeft met name niet aan waarom door de eiseres bijgebrachte nationale gerechtelijke beslissingen en een beslissing van een internationaal orgaan niet voldoen aan de criteria van “objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens” om in aanmerking te worden genomen bij de beoordeling of er een reëel gevaar bestaat dat het fundamenteel recht op een eerlijk proces van de betrokkene zal worden of werd miskend wegens structurele of fundamentele gebreken inzake de werking van het gerechtelijk apparaat van de uitvaardigende lidstaat of wegens gebreken die afbreuk doen aan de rechts-bescherming van een objectief identificeerbare groep personen waartoe de betrokkene behoort; bij de beoordeling van de concrete omstandigheden houdt het dan wel rekening met de door de eiseres bijgebrachte gegevens. Aan het Hof van Justitie van de Europese Unie moet de volgende prejudiciële vraag worden gesteld: “Moet artikel 1, 3 van (het) kaderbesluit 2002/584/JBZ aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling (die) bepaalt dat de opsomming van “objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens” in de rechtspraak van het Hof van justitie (onder meer C-158/21, §124) als exhaustief (moeten) worden beschouwd, als die welke in het hoofdgeding dat bepaalt dat bijvoorbeeld beslissingen van het Bestands Controle Commissie van Interpol, een inter-governmental organization bestaande uit 195 lidstaten, niet dezelfde waarde als besluiten, rapporten en andere documenten die zijn opgesteld door de organen van de Raad van Europa of die tot het systeem van de Verenigde Naties behoren omschreven in de rechtspraak van het Hof van Justitie?” 10. Het arrest (p. 4, derde alinea) oordeelt niet enkel zoals het onderdeel aanvoert, maar ook dat uit niets blijkt dat de aangehaalde gebreken een concrete impact hebben gehad op de berechting van de eiseres. Dit oordeel, dat vergeefs met het tweede middel wordt bekritiseerd, draagt de bestreden beslissing. Het kan dan ook niet tot cassatie leiden en is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. 11. Gelet op de niet-ontvankelijkheid van het onderdeel, is er geen grond tot het stellen van de voorgestelde prejudiciële vraag. Derde onderdeel 12. Het onderdeel voert aan dat het arrest de verslagen van de Roemeense raadsman van de eiseres ten onrechte niet als “objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens” beschouwt; dit is strijdig met artikel 10/1, 2°, Wet Europees Aanhoudingsbevel. Aan het Hof van Justitie van de Europese Unie moet de volgende prejudiciële vraag worden gesteld: “Moet artikel 1, 4 van (het) Kaderbesluit 2002/584/JBZ aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling (die) voorziet dat de gegevens verstrekt door de raadsman uit de uitvaardigende lidstaat niet (voldoen) aan de criteria van “objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens” zoals voorzien in de rechtspraak van het Hof van justitie (onder meer C-158/21, §124)?” 13. Het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van 13 juni 2002 van de Raad betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedure van overlevering tussen de lidstaten (hierna Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel) bevat geen artikel 1.4. 14. Artikel 1.3 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, en het door artikel 10/1, Wet Europees Aanhoudingsbevel gewaarborgde recht op bijstand van een raadsman beletten het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de toepassing van de weigeringsgrond van artikel 4.5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel niet om de geloofwaardigheid te beoordelen van de gegevens verstrekt door de raadsman van de betrokkene in de uitvaardigende staat en te oordelen dat dit geen “objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens” zijn. 15. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 16. Aangezien er geen redelijke twijfel bestaat over de juiste uitlegging van de vermelde bepaling van het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel wordt de prejudiciële vraag niet gesteld. Vierde onderdeel 17. Het onderdeel voert aan dat het arrest gebrekkig is gemotiveerd door aan de eiseres een veel te hoge bewijslast op te leggen wat de opgeworpen en gestaafde gegevens betreft inzake het gebrek aan een eerlijk proces; het doet geen correcte beoordeling naar de maatstaven van het beschermingsniveau van het gewaarborgde grondrecht op een eerlijk proces zoals voorzien in de rechtspraak van het Hof van Justitie. 18. Het onderdeel dat formeel een motiveringsgebrek aanvoert, komt in werkelijkheid geheel op tegen de onaantastbare beoordeling van feiten door het onderzoeksgerecht en is bijgevolg niet ontvankelijk. Vijfde onderdeel 19. Het onderdeel voert aan dat het arrest een uitleg geeft van de appelconclusie van de eiseres die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan door te stellen dat de eiseres geen documenten heeft vermeld of enkel heeft verwezen naar een verslag van haar Roemeense raadsman, een Griekse gerechtelijke beslissing, een aantal persartikels en soortgelijke geschriften en een beslissing van een internationaal orgaan; de eiseres heeft nog veel andere bronnen vermeld in haar conclusie inzake de vrees in het kader van artikel 6 EVRM; het miskent de bewijskracht van deze conclusie. 20. Het onderdeel heeft dezelfde strekking als het eerste onderdeel en is om de in het antwoord op dat onderdeel vermelde redenen te verwerpen. Tweede middel 21. Het middel voert schending aan van artikel 17, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel, alsmede miskenning van de algemene motiveringsplicht. Eerste onderdeel 22. Het onderdeel voert aan dat het arrest onvoldoende antwoordt op de appelconclusie van de eiseres waarin zij aanvoert dat er concrete aanwijzingen zijn dat het door het Roemeense Grondwettelijk Hof ongrondwettig verklaarde bewijs nooit fysiek werd verwijderd uit haar dossier zodat de Roemeense rechters hiervan wel kennis konden nemen; het arrest houdt evenmin rekening met de door haar Roemeense raadsman verschafte gegevens, onder meer de gegevens vervat in stuk 7 van de door de eiseres neergelegde appelconclusie. 23. Met het geheel van redenen die het arrest (p. 4, derde alinea) bevat, beantwoordt en verwerpt het wel degelijk het door het onderdeel bedoelde verweer, zonder dat het diende in te gaan op de argumenten die louter tot staving van dit verweer werden aangevoerd, zonder evenwel een afzonderlijk verweer te vormen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 24. Het onderdeel voert aan dat het arrest tegenstrijdig is gemotiveerd; het houdt enerzijds geen rekening met het arrest van het Roemeense Grondwettelijk Hof van 16 januari 2019 bij de beoordeling van de eerste stap van de in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie bepaalde tweestappentoets; het houdt er bij de beoordeling van de tweede stap van de tweestappentoets wel rekening mee voor de vaststelling dat de ongeldig verklaarde afspraken geen concrete impact hebben gehad op de berechting van de eiseres. 25. Een motivering is enkel tegenstrijdig wanneer zij bestaat uit redenen die elkaar tenietdoen en bijgevolg opheffen. Dit is niet het geval met de in het onderdeel vermelde oordelen, zodat de aangevoerde tegenstrijdigheid niet bestaat. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel 26. Het onderdeel voert aan dat het arrest de motiveringsplicht miskent; de vaststelling dat de beslissing van het Roemeense Grondwettelijk Hof van 16 januari 2019 dateert van vóór de uitspraken betreffende de veroordeling van de eiseres, volstaat niet om vast te stellen dat hiermee rekening werd gehouden bij de beoordeling van de strafvordering; die vaststelling wordt niet ondersteund door objectieve ter beschikking staande gegevens. 27. Het onderdeel dat formeel een motiveringsgebrek aanvoert, komt in werkelijkheid op tegen de beoordeling van de feiten door het onderzoeksgerecht of vereist een onderzoek van feiten waartoe het Hof geen bevoegdheid heeft en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel 28. Het middel voert schending aan van artikel 17, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel, alsmede miskenning van de algemene motiveringsplicht: het arrest beantwoordt niet het door de eiseres in conclusie opgeworpen verweer betreffende het gewijzigde verjaringssysteem; de eiseres verzocht de appelrechters niet om te oordelen over de eventuele verjaring van de strafvordering of de strafuitvoering in Roemenië; het verstrekte antwoord is onjuist; de eiseres heeft aangevoerd dat de nog hangende procedure gedeeltelijk zal worden beëindigd en de aan de eiseres opgelegde straf gedeeltelijk zal worden nietig verklaard, waardoor ook het Europees aanhoudingsbevel nietig zal worden; de appelrechters hadden minstens aanvullende informatie moeten opvragen. 29. Een onjuiste motivering levert mogelijks een schending van de wet op, maar geen motiveringsgebrek. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 30. Met de redenen die het arrest (p. 4, eerste tot en met derde alinea) bevat, beantwoordt en verwerpt dit het door het middel bedoelde verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Vierde middel 31. Het middel voert schending aan van artikel 3 EVRM, artikel 4 Handvest Grondrechten Europese Unie, artikel 1.3 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel, de artikelen 6.4°, en 17, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel, alsmede miskenning van de algemene motiveringsplicht en het evenredigheidsbeginsel in het kader van de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel: het arrest past ten onrechte de facultatieve weigeringsgrond van artikel 6.4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel toe zonder eerst een concrete toets te doen van de opgeworpen risico’s in het kader van artikel 3 EVRM en artikel 4 Handvest Grondrechten Europese Unie; de uitvoerende rechtelijke autoriteit mag geen gevolg geven aan een Europees aanhoudingsbevel dat niet voldoet aan de minimumvereisten voor de geldigheid van een uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel; het arrest maakt een onjuiste beoordeling van de opgeworpen risico’s en is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat door de toepassing van artikel 6.4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel het middel gesteund op een beweerde schending van artikel 3 EVRM zonder voorwerp wordt; het doet anderzijds slechts een oppervlakkige beoordeling van de beweerde schending van artikel 3 EVRM (eerste onderdeel); het arrest beantwoordt niet het door de eiseres in conclusie concreet opgeworpen verweer inzake de ontoereikende informatie ontvangen van de uitvaardigende lidstaat betreffende de detentieomstandigheden in Roemenië (tweede onderdeel). Aan het Hof van Justitie van de Europese Unie moet de volgende prejudiciële vraag worden gesteld: “Moeten artikel 1, 3, en artikel 4, lid 6 van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ aldus worden uitgelegd dat deze zich verzetten tegen een nationale regeling (die) bepaalt dat bij toepassing van artikel 4, lid 6, de eerbiediging van de grondrechten door de uitvoerende gerechtelijke autoriteit niet zou moeten getoetst worden, met name, de risico van schending van artikel 4 van het Handvest (absoluut verbod van foltering of onmenselijke en onterende behandeling) als die welke in het hoofdgeding?” 32. Artikel 6.4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel, dat de omzetting inhoudt van artikel 4.6 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel, laat de uitvoerende staat toe de tenuitvoerlegging te weigeren van een Europees bevel tot aanhouding dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf, de betrokken persoon Belg is of ingezetene of in België verblijft en de bevoegde Belgische autoriteiten zich ertoe verbinden die straf overeenkomstig de Belgische wetgeving ten uitvoer te leggen. 33. Geen enkele bepaling van het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel zoals omgezet in de Wet Europees Aanhoudingsbevel verplicht het onderzoeksgerecht dat op grond van artikel 6.4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel weigert het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen, voorafgaandelijk te onderzoeken of de detentieomstandigheden in de uitvaardigende staat een inbreuk vormen op artikel 3 EVRM of artikel 4 Handvest Grondrechten Europese Unie en bijgevolg een grondslag vormen voor de toepassing van de in artikel 4.5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalde weigeringsgrond. Bij de weigering van de tenuitvoerlegging op grond van artikel 6.4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel kan de aangevoerde miskenning van fundamentele rechten door de detentieomstandigheden in de uitvaardigende staat zich immers niet voordoen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 34. Aangezien er geen redelijke twijfel bestaat over de juiste uitlegging van artikel 4.6 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel wordt de prejudiciële vraag niet gesteld. 35. Het arrest (p. 5 randnr. 5) dat in de bovenvermelde zin oordeelt, verantwoordt de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 36. Voor het overige is het middel gericht tegen overtollige motieven, zodat het niet tot cassatie kan leiden en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 37. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 18 april 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.18 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231122.2F.14 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231219.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.