← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.3 Rolnummer: P.23.0328.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Handelsrecht - Overige Invoerdatum: 2023-04-24 Raadplegingen: 1082 - laatst gezien 2026-06-15 08:20 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 De omstandigheid dat de rechter beslist om een voertuig, dat op basis van artikel 50, § 2, Wegverkeerswet in aanmerking komt voor verbeurdverklaring, niet verbeurd te verklaren omdat dit een buitenproportionele bestraffing zou opleveren, belet hem niet de stallingskosten betreffende dit rechtmatig in beslaggenomen en gehouden voertuig ten laste van de beklaagde te leggen. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 50 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 50, § 2 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 50, § 2 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 50, § 2 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Tekst van de beslissing Nr. P.23.0328.N B. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kris Masson, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 23 december

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Het bestreden vonnis stelt een deskundige aan met het oog op een onderzoek van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de eiser, stelt de zaak daartoe in voortzetting en houdt de daarmee verbandhoudende kosten aan. Dit is geen eindbeslissing in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en evenmin een eindbeslissing als bedoeld in het tweede lid van die bepaling. In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep niet ontvankelijk wegens voorbarigheid. Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 47bis en 195 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat eisers recht op een eerlijk proces niet werd miskend; nochtans werden de feiten geprovoceerd door de politieagenten die zich niet beperkten tot het passief vaststellen van de misdrijven maar ook een arrestatieteam ter plaatse opriepen; de eiser bevond zich in een kwetsbare positie en had recht op de bijstand van een advocaat; een banaal verkeersincident werd door het arrestatieteam buitenproportioneel afgehandeld en lokte angst uit bij de eiser die een ademanalyse onderging zonder aanwezigheid en bijstand van een advocaat; het bestreden vonnis beantwoordt niet het in de appelconclusie (p. 7 onderaan) ontwikkelde verweer betreffende de motivering van de politierechter.
  4. In zoverre het middel aanvoert dat de aan de eiser ten laste gelegde feiten rechtstreeks zijn ontstaan door tussenkomst van de ter plaatse aanwezige politieambtenaren, dat het optreden van het arrestatieteam disproportioneel was en dat de eiser zich in een kwetsbare positie bevond, komt het op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter of verplicht het tot een onderzoek van feiten waartoe het Hof niet bevoegd is en is het bijgevolg niet ontvankelijk.
  5. Noch uit artikel 6 EVRM noch uit artikel 47bis Wetboek van Strafvordering volgt dat het afnemen van een ademtest of een ademanalyse slechts mag gebeuren met de bijstand van een raadsman. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  6. De appelrechters, die hun eigen beslissing motiveren, moeten niet antwoorden op de kritiek die een partij uit op de door de eerste rechter gehanteerde motivering. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 50 Wegverkeerswet: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de eiser de stallingskosten van zijn vrijgegeven voertuig verschuldigd is; in het beschikkend gedeelte van het vonnis wordt over deze stallingskosten niets vermeld; twee maanden na het bestreden vonnis heeft het parket het voertuig nog niet teruggegeven.
  8. Artikel 6 EVRM is vreemd aan de door het middel aangevoerde grief. In zoverre faalt het middel naar recht.
  9. In zoverre het middel is gericht tegen het niet-handelen van het parket en dus niet tegen het bestreden vonnis, is het niet ontvankelijk.
  10. De omstandigheid dat de rechter beslist om een voertuig, dat op basis van artikel 50, § 2, Wegverkeerswet in aanmerking komt voor verbeurdverklaring, niet verbeurd te verklaren omdat dit een buitenproportionele bestraffing zou opleveren, belet hem niet de stallingskosten betreffende dit rechtmatig in beslaggenomen en gehouden voertuig ten laste van de beklaagde te leggen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  11. Het bestreden vonnis oordeelt dat de stallingskosten ten laste van de eiser blijven omdat het zijn gedrag was dat aanleiding heeft gegeven tot de inbeslagname van het voertuig en dit beslag volledig wettig was. Aldus beantwoordt het bestreden vonnis eisers betwisting betreffende de stallingskosten. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  12. Geen enkele wettelijke bepaling bepaalt de plaats of de vorm van het beslissend gedeelte van een vonnis. Het is zonder belang of een beslissing is vermeld in het overwegend gedeelte dan wel in het dispositief, voor zover de beslissing duidelijk is uitgedrukt. Zo kan de beslissing dat de stallingskosten van een inbeslaggenomen voertuig ten laste blijven van de beklaagde opgenomen zijn bij de overwegingen, zonder dat het nodig is dat die beslissing wordt herhaald in het dictum. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Derde middel
  13. Het middel voert schending aan van artikel 7.1 EVRM, de artikelen 15.1 en 15.3 IVBPR, de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet, artikel 2, tweede lid, Strafwetboek en artikel 38 Wegverkeerswet, alsmede miskenning van het legaliteitsbeginsel: het bestreden vonnis past ten onrechte de in artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet bedoelde staat van verzwaring toe; het houdt geen rekening met de uitlegging die het Grondwettelijk Hof aan deze bepaling heeft gegeven met het arrest nr. 63/2020 van 7 mei 2020; de nieuwe veroordeling bij vonnis van 23 december 2022 is niet gewezen binnen de drie jaar na het vorig veroordelend vonnis van 14 oktober
  14. Het arrest nr. 63/2020 van 7 mei 2020 van het Grondwettelijk Hof heeft geen betrekking op de versie van artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten van de telastleggingen C en D, maar wel op de versie zoals van toepassing in de periode van 15 februari 2018 tot en met 11 oktober
  15. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van dit arrest en mist het feitelijke grondslag.
  16. Artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet, in de versie zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten van de telastleggingen C en D, bepaalt: “Behoudens in geval van § 7, moet de rechter het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van ten minste drie maanden uitspreken en het herstel van het recht tot sturen afhankelijk maken van het slagen voor de vier examens en onderzoeken bedoeld in § 3, eerste lid, wanneer de schuldige, na een veroordeling met toepassing van de artikelen 29, § 1, eerste lid, 29, § 3, derde lid, 30, §§ 1, 2 en 3, 33, §§ 1 en 2, 34, § 2, 35, 37, 37bis, § 1, 48, 62bis of artikel 22 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, één van deze bepalingen binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, opnieuw overtreedt.”
  17. Volgens die bepaling is er herhaling in de zin van artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet indien een beklaagde zich binnen de drie jaar te rekenen van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling voor een van de in artikel 38, § 6, Wegverkeerswet vermelde overtredingen, opnieuw schuldig maakt aan één van die overtredingen. De omstandigheid dat het veroordelend vonnis voor de nieuwe overtreding of overtredingen zich situeert buiten die termijn van drie jaar, is niet relevant. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Ambtshalve onderzoek
  18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 84,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 18 april 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.