id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.6 Rolnummer: P.22.1772.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Unierecht Invoerdatum: 2023-04-24 Raadplegingen: 1225 - laatst gezien 2026-06-15 08:19 Versie(s): Vertaling samenvatting(
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 21 Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs - 20-12-2006 - Artt. 7.1, e), en 12, eerste lid Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Artt. 21 en 30, § 1, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 3, § 1, 1° - 31 ELI link Pub nr 1998014078 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 30 Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs - 20-12-2006 - Artt. 7.1, e), en 12, eerste lid Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Artt. 21 en 30, § 1, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 3, § 1, 1° - 31 ELI link Pub nr 1998014078 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs - 20-12-2006 - Artt. 7.1, e), en 12, eerste lid Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Artt. 21 en 30, § 1, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 3, § 1, 1° - 31 ELI link Pub nr 1998014078 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1772.N V. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Frederik Haentjens, advocaat bij de balie Dendermonde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Mechelen, van 25 november 2022. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft op 31 maart 2023 een schriftelijke conclusie ingediend ter griffie van het Hof. De eiser heeft op 7 april 2023 ter griffie van het Hof een door artikel 1107, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot ingediend. Op de rechtszitting van 18 april 2023 heeft raadsheer Peter Hoet verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. Het arrest stelt vast dat de strafvordering voor de telastlegging B verjaard is. In zoverre het cassatieberoep tegen deze beslissing is gericht, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel 2. Het middel voert schending aan van artikel 288, derde lid, VWEU, artikel 7.1, eerste lid,
- e)van de Richtlijn nr. 2006/126/EG van 20 december 2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het rijbewijs (hierna Richtlijn Rijbewijs), de artikelen 21 en 30, § 1, 1°, Wegverkeerswet en artikel 3 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs (hierna KB Rijbewijs): het bestreden vonnis stelt vast dat de eiser in het bezit is van een Roemeens rijbewijs dat is afgeleverd op 10 oktober 2019; vervolgens oordeelt het dat de eiser al sinds 3 maart 2019 in België is ingeschreven, zodat hij geen rijbewijs kon aanvragen in Roemenië en dat de personen die zijn ingeschreven in het Belgisch bevolkingsregister in België alleen een motorvoertuig mogen besturen met een Belgisch of met een Europees rijbewijs; de eiser was in het bezit van een Roemeens rijbewijs, dat een Europees rijbewijs is, zodat hij ten onrechte door het bestreden vonnis wordt veroordeeld voor het op de openbare weg een voertuig te hebben bestuurd zonder houder te zijn van het rijbewijs vereist voor het besturen van dat voertuig of van het als zodanig geldend bewijs. 3. Het bestreden vonnis oordeelt niet alleen dat de personen die zijn ingeschreven in het Belgisch bevolkingsregister in België een motorvoertuig mogen besturen met een Belgisch of met een Europees rijbewijs, maar ook dat dit Europees rijbewijs in overeenstemming met de Richtlijn Rijbewijs moet zijn verstrekt. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag. 4. Artikel 7.1, e), Richtlijn Rijbewijs bepaalt als voorwaarde voor de afgifte van het rijbewijs dat de aanvrager zijn gewone verblijfplaats moet hebben op het grondgebied van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft of het bewijs levert dat hij ten minste zes maanden in een onderwijsinstelling in de lidstaat is ingeschreven. 5. Artikel 12, eerste lid, van deze richtlijn bepaalt dat de gewone verblijfplaats de plaats is “waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar, wegens persoonlijk en beroepsmatige bindingen of, voor iemand zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont”. 6. Artikel 3, § 1, 1°, KB Rijbewijs, dat de voormelde bepalingen omzet in het Belgisch recht, bepaalt dat om een Belgisch rijbewijs te kunnen verkrijgen de aanvrager moet ingeschreven zijn in het bevolkingsregister, in het vreemdelingeregister of het wachtregister van een Belgische gemeente en in België zijn gewone verblijfplaats hebben, te weten volgens artikel 1, 11°, KB Rijbewijs “de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per jaar, wegens persoonlijk en beroepsmatige bindingen of, voor iemand zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont”. 7. Uit de samenhang van deze bepalingen volgt dat een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie die in België in het bevolkingsregister is ingeschreven en er zijn gewone verblijfplaats heeft in de betekenis hieraan gegeven door deze bepalingen, zijn rijbewijs alleen in België kan en moet aanvragen. Deze uitlegging impliceert geen rechtstreekse werking van die richtlijn ten aanzien van een particulier. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 8. Het bestreden vonnis oordeelt als volgt: - verder nazicht door de politiediensten bracht aan het licht dat de eiser in het bezit was van een Roemeens rijbewijs; - dit rijbewijs is uitgereikt op 10 oktober 2019 terwijl de eiser al sinds 3 maart 2019 ingeschreven was in België; - uit het strafdossier, namelijk uit het uittreksel van het rijksregister, blijkt dat de eiser vanaf 3 maart 2019 was ingeschreven in België, meer bepaald in Hamme; - hij woont in België samen met zijn echtgenote en dochter, en heeft dus persoonlijke bindingen met België; - de eiser toont niet aan dat hij in Roemenië zijn gewone verblijfplaats had in 2019 en daar ten minste 185 dagen verbleef; - omdat de eiser zijn gewone verblijfplaats niet op het grondgebied van Roemenië in de zin van artikel 12 Richtlijn Rijbewijs had, kon hij overeenkomstig artikel 7.1, e), juncto artikel 12 Richtlijn Rijbewijs geen rijbewijs aanvragen in Roemenië. Met deze redenen is de beslissing dat de eiser niet over een geldig Europees rijbewijs beschikt en de telastlegging A bewezen blijft, naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 18 april 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.6 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230418.2N.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231031.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div