← België

T. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230425.2N.14 Rolnummer: P.23.0461.N Zaak: T. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2023-05-16 Raadplegingen: 1274 - laatst gezien 2026-06-19 03:33 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Artikel 833 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat hij die een wraking wil voordragen, dit moet doen vóór de aanvang van de pleidooien tenzij de redenen van wraking later zijn ontstaan en, indien de zaak bij verzoekschrift is ingeleid, alvorens op het verzoekschrift een beschikking is gegeven; hoewel dat artikel geen uitdrukkelijke termijn oplegt waarbinnen de wraking moet worden voorgedragen, blijkt uit zowel de letter als de geest ervan, de welomschreven termijnen voor de wrakingsprocedure en de schorsing van alle vonnissen en handelingen die zij met zich meebrengt, dat een wraking moet worden voorgedragen van zodra de grond van wraking is gekend door de partij die zich erop beroept en die regel heeft een algemene draagwijdte; de rechter die uitspraak doet over het wrakingsverzoek, oordeelt onaantastbaar of de partij die het wrakingsverzoek heeft ingediend, dit heeft gedaan van zodra de wrakingsgrond haar was gekend

(1).
(1)Cass. 15 januari 2019, AR P.18.1214.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.6, AC 2019, nr. 25; Cass. 14 juni 2016, AR P.16.0586.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160614.4, AC 2016, nr. 402; R. DECLERCQ, “Wraking”, Comm. Straf., p. 9, nr.
  1. Thesaurus CAS: WRAKING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 833 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 833 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0461.N S. T., beklaagde, verzoeker tot wraking, eiser, met als raadslieden mr. Joris Van Cauter en mr. Karel De Meester, beiden advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Gustaaf Callierlaan 175, waar de eiser woonplaats kiest, tegen W. D. V., burgerlijke partij. verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, burgerlijke kamer, van 23 maart
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. Het arrest wijst het verzoek van de federaal magistraat af om de eiser te veroordelen tot een geldboete wegens een kennelijk onontvankelijk of kennelijk ongegrond verzoek. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is eisers cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 833 Gerechtelijk Wetboek: het arrest kan uit zijn vaststellingen niet wettig afleiden dat het wrakingsverzoek niet tijdig is; een wrakingsverzoek is slechts gekend door een partij indien die wat de wrakingsgrond betreft over voldoende zekerheid beschikt om zich ter zake een overtuiging te vormen; uit het gegeven dat de secretaresse van het kantoor van de raadsman van de eiser op 15 februari 2023 telefonisch heeft geïnformeerd naar de uitspraak, waarin conclusietermijnen werden bepaald en de zaak voor behandeling werd vastgesteld op de rechtszitting van 23 mei 2023, kan niet worden afgeleid dat de eiser op de hoogte was van de feiten die hij aan de gewraakte rechter verwijt; die informatie blijkt niet uit die telefonische mededeling; die informatie blijkt evenmin uit het bij toepassing van artikel 792 Gerechtelijk Wetboek toesturen van het tussenvonnis aan de raadsman van de eiser; de eiser heeft slechts op 22 februari 2023 kennis genomen van het feit dat de zaak op de rechtszitting van 14 februari 2023 in zijn afwezigheid was behandeld en dit door inzage te nemen ter griffie van de kamer van inbeschuldigingstelling van het strafdossier met inbegrip van het proces-verbaal van de rechtszitting van 14 februari 2023; pas toen had de eiser voldoende zekerheid om zich een overtuiging te kunnen vormen betreffende de aan te voeren wrakingsgrond; er wordt geen melding gemaakt van het feit dat de secretaresse van de raadsman van de eiser ook na 15 februari 2023 telefonisch contact heeft opgenomen met de griffie te Veurne met de vraag of de raadsman van de eiser het dossier daar kon inzien waarbij haar werd meegedeeld dat het dossier al was verzonden naar Gent.
  5. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  6. Artikel 833 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat hij die een wraking wil voordragen, dit moet doen vóór de aanvang van de pleidooien tenzij de redenen van wraking later zijn ontstaan en, indien de zaak bij verzoekschrift is ingeleid, alvorens op het verzoekschrift een beschikking is gegeven.
  7. Hoewel dat artikel geen uitdrukkelijke termijn oplegt waarbinnen de wraking moet worden voorgedragen, blijkt uit zowel de letter als de geest ervan, de welomschreven termijnen voor de wrakingsprocedure en de schorsing van alle vonnissen en handelingen die zij met zich meebrengt, dat een wraking moet worden voorgedragen van zodra de grond van wraking is gekend door de partij die zich erop beroept. Die regel heeft een algemene draagwijdte.
  8. De rechter die uitspraak doet over het wrakingsverzoek, oordeelt onaantastbaar of de partij die het wrakingsverzoek heeft ingediend, dit heeft gedaan van zodra de wrakingsgrond haar was gekend.
  9. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
  10. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  11. Het arrest bevat de volgende vaststellingen betreffende het procedureverloop: - de eiser heeft tijdens het gerechtelijk onderzoek meermaals verzocht om de opheffing van de hem opgelegde voorwaarden, maar die verzoeken werden telkens afgewezen door de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling; - de eiser werd bij beschikking van 6 december 2022 verwezen naar de correctionele rechtbank met handhaving van de opgelegde voorwaarden. Het hoger beroep tegen die beschikkingen werd onontvankelijk verklaard; - de zaak werd vastgesteld voor behandeling op de rechtszitting van 10 januari 2023 van de kamer V.14; - de raadsman van de verweerder liet bij brief van 30 december 2022 aan de voorzitter weten dat hij had vernomen dat conclusietermijnen zouden worden gevraagd en dat hij zich na contact met zijn tegenstrever daarbij aansloot; - de raadsman van de verweerder vroeg per e-mail van 4 januari 2023, die ook was gericht aan de raadsman van de eiser, om de vaststelling van conclusietermijnen en deed daartoe een voorstel met termijnen voor hemzelf, de eiser en het openbaar ministerie; - op de rechtszitting van 10 januari 2023 diende de eiser een conclusie in met een verzoek om verzending van de zaak naar een Franstalige rechtbank. In die conclusie werden geen opmerkingen gemaakt over de door de raadsman van de verweerder gesuggereerde conclusietermijnen; - de federaal magistraat vroeg om op deze conclusie te kunnen antwoorden; - omtrent dit geschil werden korte conclusietermijnen toegestaan en de behandeling werd verdaagd naar de rechtszitting van 7 februari 2023; - volgens het proces-verbaal van de rechtszitting van 7 februari 2023 werd er gepleit in overeenstemming met de neergelegde besluiten. Er blijkt niet dat de raadsman van de eiser opmerkingen heeft gemaakt op de gesuggereerde conclusietermijnen; - op 20 januari 2023 diende de eiser een verzoekschrift in om overeenkomstig artikel 36, § 3, Voorlopige Hechteniswet de opgelegde voorwaarden gedeeltelijk op te heffen; - dit verzoek, dat niet ter kennis werd gebracht van de federaal magistraat, werd door de voorzitter van de gevatte kamer bij beschikking van 24 januari 2023 in raadkamer afgewezen als ongegrond zonder voorafgaand debat of oproeping van de partijen. De kamer van inbeschuldigingstelling heeft bij arrest van 31 januari 2023 op het hoger beroep van de eiser de voorwaarden gedeeltelijk opgeheven; - op de rechtszitting van 7 februari 2023 werd gepleit met betrekking tot het verzoek om verwijzing naar een Franstalige rechtbank, werd de zaak in beraad genomen en voor uitspraak gesteld op de rechtszitting van 14 februari 2023; - op 7 februari 2023 legde de federaal magistraat een verzoekschrift neer om overeenkomstig artikel 36, § 3, Voorlopige Hechteniswet de voorwaarden te verlengen. De voorzitter van de kamer verlengde bij een in raadkamer verleende beschikking van 14 februari 2023 de voorwaarden; - volgens het proces-verbaal van de rechtszitting van 14 februari 2023 sprak de voorzitter van de kamer het tussenvonnis uit waarbij het verzoek om taalwijziging werd afgewezen en bepaalde hij conclusietermijnen; - bij arrest van 14 februari 2023 vernietigde het Hof het arrest van het hof van beroep te Gent van 31 januari 2023 omdat het niet was gewezen door een correctionele kamer en werd de zaak verwezen naar een andere kamer van het hof van beroep; - bij arrest van 21 februari 2023 velde de tweede correctionele kamer van het hof van beroep te Gent een gelijkaardig arrest als het vernietigde arrest van 31 januari
  12. Op de rechtszitting van die tweede kamer van 21 februari 2023 legde de raadsman van de eiser besluiten neer.
  13. Het arrest oordeelt over de tijdigheid van eisers wrakingsverzoek als volgt: - het wrakingsverzoek waarin de eiser bepaalde beslissingen van de voorzitter van de kamer van 14 februari 2023 hekelt, werd ingediend op 24 februari 2023; - uit de toelichting van de federaal magistraat, gegeven op de rechtszitting van 16 maart 2023, blijkt dat het kantoor van de raadsman van de eiser daags na de rechtszitting van 14 februari 2023 telefonisch contact opnam met de griffie van de rechtbank van eerste aanleg Veurne, waarbij werd meegedeeld dat er daags voordien conclusietermijnen waren bepaald door de voorzitter en dat de zaak voor behandeling was vastgesteld op de rechtszitting van 23 mei 2023, wat de raadsman van de eiser ook erkende op de rechtszitting van 16 maart 2023; - de griffie heeft bij toepassing van artikel 792 Gerechtelijk Wetboek op 15 februari 2023 het vonnis van 14 februari 2023 gemaild aan de raadslieden van de partijen en dus ook aan de raadsman van de eiser; - de beschikking tot verlenging van de voorwaarden van 7 februari 2023 werd ook onmiddellijk betekend aan de eiser, die woonstkeuze heeft gedaan bij zijn raadsman; - de eiser kan dan ook niet worden bijgetreden waar hij beweert dat hij pas op 22 februari 2023 – zijnde de datum waarop hij per toeval kennis zou hebben gekregen van het zittingsblad van 14 februari 2023 – kennis kreeg van het feit dat de zaak in zijn afwezigheid werd behandeld op de rechtszitting van 14 februari 2023; - de eiser was zeker op 15 februari 2023 op de hoogte van de zaken die hij thans aan de rechter verwijt wiens wraking wordt gevraagd; - de eiser wachtte nog tot 24 februari 2023 vooraleer zijn verzoekschrift tot wraking in te dienen; - kennelijk wachtte hij nog de rechtszitting af van de tweede kamer van het hof van beroep van 21 februari 2023, rechtszitting waarop hij een conclusie neerlegde waarin hij nagenoeg dezelfde argumenten opwierp als in het thans beoordeelde wrakingsverzoek; - hij legde pas het wrakingsverzoek neer nadat de tweede correctionele kamer van het hof van beroep zijn argumentatie afwees. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat eisers wrakingsverzoek laattijdig is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede, derde en vierde middel
  14. Met deze middelen bekritiseert de eiser de ten overvloede door het arrest gegeven redenen om te beslissen tot de ongegrondheid van de door hem aangevoerde wrakingsgrond.
  15. Deze middelen die, gelet op de vergeefs aangevoerde onwettigheid van de beslissing over de tijdigheid van het wrakingsverzoek, niet kunnen leiden tot cassatie, zijn bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn nageleefd en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 0 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 25 april 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230425.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160614.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.