← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230425.2N.19 Rolnummer: P.23.0469.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-05-16 Raadplegingen: 842 - laatst gezien 2026-06-19 03:45 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Uit het enkele feit dat dezelfde of samenhangende misdrijven het voorwerp uitmaken van onderscheiden gerechtelijke onderzoeken die worden gevoerd door onderzoeksrechters die niet tot elkaars rechtsgebied behoren, dat de incriminatieperiodes in die gerechtelijke onderzoeken overlappend zijn, dat de beide gerechtelijke onderzoeken deels op dezelfde personen betrekking hebben en dat de bewijsgaring gedeeltelijk op dezelfde bewijselementen is gesteund, volgt niet dat een inverdenkinggestelde recht heeft op een regeling van rechtsgebied en op de beslissing om de beide gerechtelijke onderzoeken aan één onderzoeksrechter toe te vertrouwen; het staat aan het Hof te oordelen of het gegeven dat twee onderzoeksrechters die niet tot elkaar rechtsgebied behoren dezelfde of samenhangende misdrijven onderzoeken een geschil van rechtsmacht doet ontstaan dat de rechtsgang belemmert hetgeen het geval kan zijn wanneer het met het oog op de goede rechtsbedeling en meer bepaald tot vrijwaring van de onderzoekstechnische doelmatigheid van de waarheidsvinding, de leidende rol van de onderzoeksrechter en het recht van verdediging, noodzakelijk voorkomt dat de beide gerechtelijke onderzoeken verder worden behandeld door eenzelfde onderzoeksmagistraat; bij die beoordeling kunnen ook de stand van de rechtspleging in de beide gerechtelijke onderzoeken en de beheersbaarheid van het onderzoek na een eventuele voeging worden betrokken

(1).
(1)Cass. 18 januari 2022, AR P.21.1573.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.15, AC 2022, nr. 41; Cass. 29 juli 2014, AR P.14.0878.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140729.2, AC 2014, nr. 477; Cass. 2 november 2004, AR P.04.0605.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041102.7, AC 2004; nr. 520; R. DECLERCQ, “Regeling van rechtsgebied”, Comm. Straf., p. 4, nr.
  1. Thesaurus CAS: REGELING VAN RECHTSGEBIED - STRAFZAKEN - Tussen onderzoeksrechters of onderzoeksgerechten Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 526 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 526 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0469.N F. C. C. B., verzoeker tot regeling van rechtsgebied, inverdenkinggestelde, met als raadslieden mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Recollettenlei 39-40, waar de verzoeker woonplaats kiest, en mr. Yehudi Moszkowicz, advocaat te Utrecht (Nederland). I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het verzoek strekt ertoe om op grond van de artikelen 526 en volgende Wetboek van Strafvordering het rechtsgebied te regelen met betrekking tot de gerechtelijke onderzoeken die worden gevoerd door: - B. D. H., onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, op vordering van de procureur des Konings bij deze rechtbank (dossier gekend onder nummer OR 109/2020 en notitienummer AN.10.F0.3256/2020) (hierna het Antwerpse gerechtelijk onderzoek); - J. D., onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, op vordering van de federale procureur (dossier gekend onder nummer 053/2021 en notitienummer BG.10.F1.501133/2020) (hierna het Brugse gerechtelijk onderzoek). Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  2. De verzoeker zet in zijn verzoekschrift met verwijzing naar de bijgevoegde stukken samengevat uiteen wat volgt: - de verzoeker maakt, naast anderen, het voorwerp uit van het Antwerpse gerechtelijk onderzoek dat wordt gevoerd naar de invoer van verdovende middelen in verenging en deelname aan een criminele organisatie; - aan het Antwerpse gerechtelijk onderzoek zijn gegevens toegevoegd afkomstig uit een gerechtelijk onderzoek dat wordt gevoerd door P. V. L., onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen (gekend onder nummer 080/2019 en notitienummer FD.10.97.18/21) (hierna het Mechelse gerechtelijk onderzoek); - in het Antwerpse gerechtelijk onderzoek heeft de procureur des Konings een eindvordering uitgebracht strekkende tot verwijzing van de verzoeker naar de correctionele rechtbank wegens mededaderschap aan de invoer van verdovende middelen in vereniging te Antwerpen of bij samenhang te Beveren in het gerechtelijk arrondissement Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde of bij samenhang elders in het Rijk tussen 31 juli 2020 en 26 augustus 2020 (telastlegging C1), voorbereidende handelingen inzake verdovende middelen in vereniging te Antwerpen of bij samenhang elders in het Rijk tussen 31 juli 2020 en 26 augustus 2020 (telastlegging D) en het onwettig voorhanden hebben van vergunningsplichtige wapens te Antwerpen tussen 23 augustus 2020 en 26 augustus 2020 (telastlegging I2) en de zaak zou thans hangende zijn voor de raadkamer te Antwerpen; - de verzoeker maakt ook, naast anderen, het voorwerp uit van het Brugse gerechtelijk onderzoek dat wordt gevoerd naar de invoer van verdovende middelen in vereniging en dat volgens het tegen de eiser uitgevaardigde bevel tot aanhouding slaat op feiten vanaf 1 januari 2019 tot 14 oktober 2022; - aan het Brugse gerechtelijk onderzoek zijn ook gegevens toegevoegd afkomstig uit het Mechelse gerechtelijk onderzoek.
  3. Volgens de verzoeker bestaat er tussen de feiten die het voorwerp uitmaken van het Antwerpse en het Brugse gerechtelijk onderzoek een zodanig verband dat een goede rechtsbedeling en de eerbiediging van het recht van verdediging vereisen dat de beide gerechtelijke onderzoeken verder worden gevoerd door eenzelfde onderzoeksmagistraat. Volgens de verzoeker houden de feiten die het voorwerp uitmaken van beide gerechtelijke onderzoeken verband met de invoer en de handel van verdovende middelen gepleegd in vereniging en lidmaatschap aan een criminele organisatie, zit de incriminatieperiode betreffende de feiten van het Antwerpse gerechtelijk onderzoek vervat in die van het Brugse gerechtelijk onderzoek, is er in beide dossiers sprake van dezelfde personen, is de vervolging in zowel het Antwerpse als het Brugse gerechtelijk onderzoek in essentie gesteund op de gegevens die zijn ontleend aan het Mechelse gerechtelijk onderzoek en zou volgens een vordering van de federale procureur in het Brugse gerechtelijk onderzoek de feiten uit het Antwerpse en het Brugse gerechtelijk onderzoek één strafrechtelijke gedraging opleveren.
  4. De verzoeker leidt daaruit af dat hij recht heeft op de toepassing van artikel 526 Wetboek van Strafvordering en artikel 65 Strafwetboek. Hij voert aan dat het recht van verdediging en de goede rechtsbedeling het noodzakelijk maken dat de thans afzonderlijk onderzochte feiten het voorwerp uitmaken van één gerechtelijk onderzoek, zodat de aan het licht gekomen onderzoekselementen deel zouden uitmaken van eenzelfde dossier, wat de waarheidsvinding en het recht op een eerlijk proces zou dienen, alsook dat eenzelfde rechter alle aspecten van de feiten, de regelmatigheid van de bewijzen en de schuld van de vervolgde personen kan beoordelen. De verzoeker wijst daarvoor in het bijzonder op het gegeven dat het onderzoek in beide dossiers in belangrijke mate werd gevoed door de inzage in het Mechelse gerechtelijk onderzoek en hun oorsprong vinden in dezelfde bewijsgaring, zodat het volkomen artificieel zou zijn om de aan de verzoeker toegeschreven berichten af te splitsen van de metadata en de volledige dataset uit het Mechelse gerechtelijk onderzoek.
  5. Uit de artikelen 526 en 526bis Wetboek van Strafvordering volgt dat er grond is tot regeling van rechtsgebied door het Hof van Cassatie wanneer onderscheidene onderzoeksrechters, die niet tot elkaar rechtsgebied behoren, kennis nemen van eenzelfde misdrijf of samenhangende misdrijven.
  6. Artikel 525 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat ieder verzoek tot regeling van rechtsgebied summier en op enkele memorie wordt behandeld en uitgewezen. Uit de artikelen 528 en 528bis Wetboek van Strafvordering volgt dat het Hof onmiddellijk uitspraak kan doen over een verzoek tot regeling van rechtsgebied.
  7. Uit het enkele feit dat dezelfde of samenhangende misdrijven het voorwerp uitmaken van onderscheiden gerechtelijke onderzoeken die worden gevoerd door onderzoeksrechters die niet tot elkaars rechtsgebied behoren, dat de incriminatieperiodes in die gerechtelijke onderzoeken overlappend zijn, dat de beide gerechtelijke onderzoeken deels op dezelfde personen betrekking hebben en dat de bewijsgaring gedeeltelijk op dezelfde bewijselementen is gesteund, volgt niet dat een inverdenkinggestelde recht heeft op een regeling van rechtsgebied en op de beslissing om de beide gerechtelijke onderzoeken aan één onderzoeksrechter toe te vertrouwen.
  8. Het staat aan het Hof te oordelen of het gegeven dat twee onderzoeksrechters die niet tot elkaar rechtsgebied behoren dezelfde of samenhangende misdrijven onderzoeken een geschil van rechtsmacht doet ontstaan dat de rechtsgang belemmert. Dat kan het geval zijn wanneer het met het oog op de goede rechtsbedeling en meer bepaald tot vrijwaring van de onderzoekstechnische doelmatigheid van de waarheidsvinding, de leidende rol van de onderzoeksrechter en het recht van verdediging, noodzakelijk voorkomt dat de beide gerechtelijke onderzoeken verder worden behandeld door eenzelfde onderzoeksmagistraat. Bij die beoordeling kunnen ook de stand van de rechtspleging in de beide gerechtelijke onderzoeken en de beheersbaarheid van het onderzoek na een eventuele voeging worden betrokken.
  9. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat de goede rechtsbedeling en meer bepaald de vrijwaring van de onderzoekstechnische doelmatigheid van de waarheidsvinding en de leidende rol van de onderzoeksrechter, mede in acht genomen de stand van de rechtspleging in het Antwerpse gerechtelijk onderzoek en de problemen van beheersbaarheid die een voeging van de beide gerechtelijke onderzoeken zouden kunnen meebrengen, vereist dat de beide gerechtelijke onderzoeken zouden worden gevoerd door één onderzoeksrechter.
  10. Het recht van verdediging van de verzoeker vereist evenmin een dergelijke beslissing. De verzoeker kan in de beide gerechtelijke onderzoeken en in de desgevallend daaropvolgende rechtsplegingen elk verweer laten gelden betreffende de bewijsgaring en de eventuele toepassing van artikel 65 Strafwetboek. De verzoeker maakt op geen enkele wijze aannemelijk hoe het afzonderlijk voeren van de beide gerechtelijke onderzoeken zijn recht van verdediging daadwerkelijk zou beknotten.
  11. Er is dan ook geen grond tot regeling van rechtsgebied. Dictum Het Hof, Verwerpt het verzoek tot regeling van rechtsgebied. Veroordeelt de verzoeker tot de kosten. Bepaalt de kosten tot op heden op 0 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 25 april 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230425.2N.19 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041102.7 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140729.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.15 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.