← België

V. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023

Art. 16

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 491 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISBRUIK VAN VERTROUWEN Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 16

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 491 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 4 - 6 De bewijsregels in strafzaken, met inbegrip van de uitzondering bepaald in artikel 16, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zijn van toepassing zodra het te bewijzen feit een misdrijf uitmaakt en het speelt daarbij geen rol of de burgerlijke rechter dan wel de strafrechter oordeelt over de burgerlijke rechtsvordering tot vergoeding van de ingevolge dat misdrijf ontstane schade; ook het bestaan en de omvang van de schade en het causaal verband tussen de schade en de fout, ongeacht of deze een als misdrijf omschreven feit uitmaakt, betreffen feitenkwesties die zowel voor de strafrechter als voor de burgerlijke rechter met alle middelen van recht kunnen worden bewezen en die onderworpen zijn aan een vrije bewijswaardering door deze rechter

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijsvoering BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Fiche 7 Het tweede lid van artikel 16, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bevat enkel een bijzondere toepassing van het eerste lid van die bepaling en valt bijgevolg onder dezelfde beperkingen als dat eerste lid: enkel wanneer het misdrijf verband houdt met de uitvoering van een tegen de beklaagde ingebrachte overeenkomst waarvan deze het bestaan ontkent of de uitlegging betwist, zodat de strafrechter de bewijsregels van het burgerlijk recht moet toepassen, en het bewijs van die overeenkomst bovendien afhangt van een begin van geschreven bewijs of een geschrift dat de beklaagde ontkent, dient de strafrechter de behandeling van de strafvordering te schorsen in afwachting van de bindende uitspraak van de burgerlijke rechter over de echtheid van dat geschrift
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 16

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 8 - 9 Indien de uitzondering van artikel 16, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, niet aan de orde is, wordt de betwisting over de echtheid van het ingebrachte geschrift beoordeeld volgens de bewijsregeling en de rechtspleging inzake getuigenverklaringen die gelden voor de strafgerechten en die voor deze gerechten, behoudens de hoven van assisen, in het bijzonder is geregeld door de artikelen 153, 154, 190 en 211 Wetboek van Strafvordering, in voorkomend geval samen te lezen met artikel 6.1 en 6.3.d EVRM zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens; de aard van de te volgen rechtspleging wordt bepaald door de aard van het gerecht dat de zaak behandelt en niet door de burgerlijke of strafrechtelijke aard van de vordering waarover het gerecht beslist; op grond van de vermelde bepalingen kan de beklaagde in de regel alle getuigen voordragen waarvan hij het horen ter rechtszitting nodig acht tot staving van zijn verweer tegen een vervolging of een burgerlijke rechtsvordering die te zijnen laste voor de strafrechter is ingesteld en aldus kan de strafrechter in een dergelijk geval geen toepassing maken van artikel 16, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering maar dit belet de strafrechter echter niet om, zoals ook de rechter in burgerlijke zaken, het getuigenverhoor te bevelen dat hem dienstig voorkomt ter verduidelijking van de hem voorgelegde feiten of het vinden van de waarheid, indien daarover onzekerheid bestaat

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 16

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 153, 154, 190 en 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 16

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 153, 154, 190 en 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 10 - 14 De rechter kan, zonder schending van artikel 6 EVRM dan wel miskenning van het recht van verdediging, weigeren om een deskundigenonderzoek te bevelen wanneer de procespartij haar verzoek op geen enkel gegeven grondt dat de tot staving van haar vordering aangevoerde feiten aannemelijk kan maken of wanneer er geen dienstige reden bestaat om die maatregel te bevelen. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 DESKUNDIGENONDERZOEK Fiche 15 Het recht op bewijs is het recht van elke procespartij om de bewijselementen te overleggen waarover zij zelf beschikt en om aan de rechter te vragen dat de bewijselementen waarover zij niet beschikt, zouden worden verzameld door de uitvoering van bepaalde onderzoeksmaatregelen, waarover de rechter oordeelt maar dit recht op bewijs is geen onbeperkt recht en schakelt bijgevolg de vermelde beoordelingsvrijheid van de rechter niet uit. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Tekst van de beslissing Nr. P.22.1005.N I D. V. L., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Gert Warson, advocaat bij de balie te Brussel, tegen

  1. W. D.,
  2. M.-P. S., burgerlijke partijen, verweerders, met als raadsman mr. Sven De Baere, advocaat bij de balie Brussel. II
  3. W. D. C., reeds vermeld,
  4. M.-P. S., reeds vermeld, burgerlijke partijen, eisers, met als raadsman mr. Sven De Baere, advocaat bij de balie Brussel, tegen D. V. L., reeds vermeld, beklaagde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 30 juni
  5. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eisers II voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Op 16 maart 2023 heeft advocaat-generaal Dirk Schoeters een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. Op 31 maart 2023 heeft de raadsman van de eiser ter griffie van het Hof een door artikel 1107, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. Op de rechtszitting van 4 april 2023 heeft raadsheer Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep I
  6. In zoverre het cassatieberoep I is gericht tegen de beslissingen die de eiser I vrijspreken, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser I Eerste onderdeel
  7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 16, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 1324 oud Burgerlijk Wetboek: het arrest past de bewijsregels van het burgerlijk recht niet toe en beveelt geen schriftonderzoek naar de handtekening van de verweerder I.1 op de door de eiser I ter rechtszitting neergelegde overeenkomst van 21 april 2009; uit die overeenkomst blijkt dat de eiser I was ingeschakeld in een systeem van belastingfraude in het kader waarvan hij voor de verweerders I kasbons van klanten opkocht met een betalingsregeling die onder meer verliep via een fiscaal anonieme rekening; die overeenkomst kaderde in eisers verweer tegen de hem ten laste gelegde feiten van valsheid in geschriften, misbruik van vertrouwen en informaticabedrog en tegen de op die feiten gesteunde burgerlijke rechtsvordering van de verweerders I; aangezien de telastleggingen en de burgerlijke rechtsvordering aldus verband hielden met die overeenkomst, waarvan het bestaan onzeker was, moesten de appelrechters zich gedragen naar de regels van het burgerlijk recht bij hun beslissing over het bestaan of de uitvoering van die overeenkomst en moesten zij een schriftonderzoek bevelen naar de handtekening van de verweerder I.1 op die overeenkomst; bovendien is het weigeren van het schriftonderzoek disproportioneel gezien de op het spel staande belangen. In de interpretatie dat artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering enkel geldt wanneer de beklaagde een door de burgerlijke partij ingeroepen overeenkomst ontkent en dus niet wanneer de burgerlijke partij een door de beklaagde ingeroepen overeenkomst ontkent, vraagt de eiser I dat aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag wordt gesteld: “Schendt artikel 16 van de Voorafgaande Titel bij het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wanneer dit artikel zo wordt geïnterpreteerd dat de erin vervatte uitzondering op de regels van het strafrechtelijk bewijs enkel geldt wanneer een door de burgerlijke partij ingeroepen overeenkomst door de beklaagde wordt ontkend maar niet wanneer een door de beklaagde ingeroepen overeenkomst door de burgerlijke partij wordt ontkend?”
  8. Artikel 1324 oud Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing, bepaalt dat wanneer een partij haar schrift of haar handtekening ontkent, een gerechtelijk onderzoek naar de echtheid ervan wordt bevolen.
  9. Artikel 15 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen, de strafrechter beslist over de geschillen van burgerlijk recht die incidenteel voor hem worden opgeworpen naar aanleiding van de misdrijven die bij hem aanhangig zijn. Die regel geldt eveneens voor geschillen die voor de strafrechter worden aangevoerd in het kader van de beoordeling van de burgerlijke rechtsvordering tot vergoeding van ingevolge het misdrijf ontstane schade.
  10. In beginsel past de strafrechter op de bij hem aanhangige zaken, met inbegrip van de vermelde geschillen van burgerlijk recht, de vrije bewijsregeling in strafzaken toe. Dit wil zeggen dat de strafrechter, in zoverre de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, onaantastbaar oordeelt op welke wijze hij zich een overtuiging vormt, zonder daarbij te zijn gebonden door bepaalde bewijsmiddelen of een bepaalde bewijswaardering. Wel volgt uit het recht op een eerlijk proces en het vermoeden van onschuld zoals onder meer gewaarborgd door artikel 6.1 en 6.2 EVRM dat de bewijslast met betrekking tot het misdrijf berust bij de vervolgende partij en dat de beklaagde niet kan worden verplicht om zich te verdedigen of om mee te werken aan zijn eigen veroordeling.
  11. Artikel 16, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat, wanneer het misdrijf verband houdt met de uitvoering van een overeenkomst waarvan het bestaan wordt ontkend of de uitlegging wordt betwist, de strafrechter zich gedraagt naar de regels van het burgerlijk recht bij zijn beslissing over het bestaan van die overeenkomst of over de uitvoering ervan. Die uitzonderingsregel is van openbare orde en is strikt te interpreteren.
  12. Krachtens voormeld artikel 16, eerste lid, dient de strafrechter zich te gedragen naar de in beginsel gereglementeerde bewijsregeling in burgerlijke zaken wanneer het misdrijf verband houdt met, dit wil zeggen afhangt van, een tegen de beklaagde ingebrachte overeenkomst waarvan deze het bestaan ontkent of de uitlegging betwist. Dit kan het geval zijn wanneer het precair bezit van een zaak, als constitutief bestanddeel van het wanbedrijf misbruik van vertrouwen zoals omschreven in artikel 491, eerste lid, Strafwetboek, moet blijken uit een door het openbaar ministerie of de burgerlijke partij bijgebrachte overeenkomst. In dat geval kan namelijk niet worden toegelaten dat de bewijsregeling in burgerlijke zaken zou worden omzeild door een strafrechtelijke vervolging, in het kader waarvan ten nadele van de beklaagde de vrijere bewijsstandaard in strafzaken zou gelden.
  13. Die waarborg voor de beklaagde is echter niet aan de orde wanneer het bestaan of de uitlegging wordt betwist van een overeenkomst die de beklaagde zelf aanvoert om een gedraging die verband houdt met het hem ten laste gelegde misdrijf te verantwoorden of te rechtvaardigen. In dat geval geldt de bewijsstandaard in strafzaken, op grond waarvan de beklaagde, in zijn voordeel, alle bewijselementen tot zijn verdediging kan aanvoeren zonder gebonden te zijn door het striktere bewijsstelsel in burgerlijke zaken.
  14. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  15. Uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat de eiser I de overeenkomst van 21 april 2009, die door de verweerders I wordt ontkend, aan de appelrechters heeft overgelegd als onderdeel van zijn verweer dat de hem verweten feiten kaderden in een door de verweerders I opgezette fiscale fraudeconstructie. Aldus hield die overeenkomst geen verband met de misdrijven waarvoor de eiser I is vervolgd in de zin van artikel 16, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, maar betreft het een overeenkomst die de eiser I tot zijn verdediging heeft aangevoerd. In die omstandigheden mochten de appelrechters niet overeenkomstig artikel 16, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering gebruik maken van de bewijsregels in burgerlijke zaken en op die grond artikel 1324 oud Burgerlijk Wetboek en de artikelen 883 tot 894 Gerechtelijk Wetboek toepassen.
  16. Dit belette de appelrechters niet om, indien zij twijfelden over de gegrondheid van eisers vermelde verweer en over de impact van dat verweer op hun beslissing over de strafvordering of over de burgerlijke rechtsvordering, een gerechtsdeskundige aan te stellen teneinde de op dat geschrift voorkomende handtekening te onderzoeken en advies te verlenen over de vraag of die handtekening werkelijk was geplaatst door de verweerder I.
  17. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  18. Uit de redenen van het arrest (p. 46, nr. 9.5) blijkt evenwel dat er bij de appelrechters geen dergelijke twijfel bestond. In zoverre het onderdeel opkomt tegen dat onaantastbare oordeel van de appelrechters, is het niet ontvankelijk.
  19. De rechter oordeelt niet op een disproportionele wijze wanneer hij, na uit de hem regelmatig overgelegde en aan tegenspraak onderworpen stukken te hebben afgeleid dat er geen onzekerheid bestaat over het feit dat de handtekening op een hem overgelegd stuk niet is geplaatst door de partij aan wie ze wordt toegeschreven, geen schriftonderzoek van die handtekening beveelt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  20. De bewijsregels in strafzaken, met inbegrip van de uitzondering bepaald in artikel 16, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zijn van toepassing zodra het te bewijzen feit een misdrijf uitmaakt. Het speelt daarbij geen rol of de burgerlijke rechter dan wel de strafrechter oordeelt over de burgerlijke rechtsvordering tot vergoeding van de ingevolge dat misdrijf ontstane schade. Ook het bestaan en de omvang van de schade en het causaal verband tussen de schade en de fout, ongeacht of deze een als misdrijf omschreven feit uitmaakt, betreffen feitenkwesties die zowel voor de strafrechter als voor de burgerlijke rechter met alle middelen van recht kunnen worden bewezen en die onderworpen zijn aan een vrije bewijswaardering door deze rechter.
  21. Ook de burgerlijke rechter kan, zonder daartoe een schriftonderzoek overeenkomstig de artikelen 883 tot en met 894 Gerechtelijk Wetboek te moeten bevelen, beslissen over de echtheid van het geschrift dat is ontkend door degene tegen wie het is ingeroepen, indien hij voldoende zekerheid heeft over de echtheid van het geschrift door de overgelegde feitelijke gegevens en hun bewijswaarde.
  22. In zoverre het onderdeel desbetreffend een onderscheid aanvoert tussen het bewijsstelsel in burgerlijke zaken en dat in strafzaken, faalt het naar recht.
  23. De prejudiciële vraag die berust op deze onjuiste rechtsopvattingen, wordt niet gesteld. Tweede onderdeel
  24. Het onderdeel voert schending aan van artikel 16, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest wijst het door de eiser I gevraagde getuigenverhoor af zonder een onderzoek voor de burgerlijke rechter te bevelen naar de echtheid van de handtekening van de verweerder I.1 op de overeenkomst van 21 april 2009; het verzoek tot getuigenverhoor van de eiser I was erop gericht die overeenkomst en het daarin opgezette fraudesysteem te bevestigen; de toelaatbaarheid van het getuigenbewijs hing bijgevolg minstens gedeeltelijk af van het bestaan van de overeenkomst van 21 april 2009, die de verweerders I hebben ontkend en die onzeker was. In de interpretatie dat artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering enkel geldt wanneer de beklaagde een door de burgerlijke partij ingeroepen overeenkomst ontkent en dus niet wanneer de burgerlijke partij een door de beklaagde ingeroepen overeenkomst ontkent, vraagt de eiser I dat aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag wordt gesteld: “Schendt artikel 16 van de Voorafgaande Titel bij het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wanneer dit artikel zo wordt geïnterpreteerd dat de erin vervatte uitzondering op de regels van het strafrechtelijk bewijs enkel geldt wanneer een door de burgerlijke partij ingeroepen overeenkomst door de beklaagde wordt ontkend maar niet wanneer een door de beklaagde ingeroepen overeenkomst door de burgerlijke partij wordt ontkend?”
  25. Artikel 16, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat, indien de toelaatbaarheid van getuigenbewijs afhangt van een geschrift dat wordt ontkend door hem tegen wie het is aangevoerd, een onderzoek naar de echtheid ervan voor de bevoegde burgerlijke rechter wordt bevolen.
  26. Het tweede lid van artikel 16, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bevat enkel een bijzondere toepassing van het eerste lid van die bepaling en valt bijgevolg onder dezelfde beperkingen als dat eerste lid: enkel wanneer het misdrijf verband houdt met de uitvoering van een tegen de beklaagde ingebrachte overeenkomst waarvan deze het bestaan ontkent of de uitlegging betwist, zodat de strafrechter de bewijsregels van het burgerlijk recht moet toepassen, en het bewijs van die overeenkomst bovendien afhangt van een begin van geschreven bewijs of een geschrift dat de beklaagde ontkent, dient de strafrechter de behandeling van de strafvordering te schorsen in afwachting van de bindende uitspraak van de burgerlijke rechter over de echtheid van dat geschrift.
  27. Indien deze uitzondering niet aan de orde is, wordt de betwisting over de echtheid van het ingebrachte geschrift beoordeeld volgens de bewijsregeling en de rechtspleging inzake getuigenverklaringen die gelden voor de strafgerechten en die voor deze gerechten, behoudens de hoven van assisen, in het bijzonder is geregeld door de artikelen 153, 154, 190 en 211 Wetboek van Strafvordering, in voorkomend geval samen te lezen met artikel 6.1 en 6.3.d EVRM zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De aard van de te volgen rechtspleging wordt bepaald door de aard van het gerecht dat de zaak behandelt en niet door de burgerlijke of strafrechtelijke aard van de vordering waarover het gerecht beslist.
  28. Op grond van de vermelde bepalingen kan de beklaagde in de regel alle getuigen voordragen waarvan hij het horen ter rechtszitting nodig acht tot staving van zijn verweer tegen een vervolging of een burgerlijke rechtsvordering die te zijnen laste voor de strafrechter is ingesteld. Aldus kan de strafrechter in een dergelijk geval geen toepassing maken van artikel 16, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. Dit belet de strafrechter echter niet om, zoals ook de rechter in burgerlijke zaken, het getuigenverhoor te bevelen dat hem dienstig voorkomt ter verduidelijking van de hem voorgelegde feiten of het vinden van de waarheid, indien daarover onzekerheid bestaat.
  29. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  30. De prejudiciële vraag die berust op die onjuiste rechtsopvattingen, wordt niet gesteld. Tweede middel van de eiser I Eerste onderdeel
  31. Het onderdeel voert schending aan van artikel 190, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en de artikelen 2 en 19, derde lid, Gerechtelijk Wetboek: niettegenstaande het verzoek van de eiser I tot overlegging van stukken en tot aanstelling van een financieel forensisch deskundige met het oog op de ongegrondverklaring van de burgerlijke rechtsvordering tot teruggave van de gelden van de verweerders I, wijst het arrest deze onderzoeksmaatregelen af omdat artikel 19, derde lid, Gerechtelijk Wetboek niet toepasselijk is gelet op het bijzondere karakter van de strafrechtspleging; het arrest oordeelt in dat verband dat de correctionele rechter niet bevoegd is om de overlegging van stukken overeenkomstig de artikelen 877 tot en met 882 Gerechtelijk Wetboek te bevelen; het oordeelt dat het verzoek tot aanstelling van een financieel forensisch deskundige slechts is ingegeven door loutere veronderstellingen, terwijl de eiser I verschillende elementen en stukken aanreikt die aannemelijk maken dat de verweerders I betrokken waren bij een systeem om de herkomst van hun gelden verborgen te houden voor de fiscus, wat de aanstelling van een financieel forensisch deskundige verantwoordt. In de interpretatie dat de procedure tot overlegging van stukken zoals bepaald in de artikelen 877 tot 882 Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing is in het kader van de burgerlijke rechtsvordering voor de strafrechter, vraagt de eiser I dat aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag wordt gesteld: “Schendt artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek in samenlezing met de artikelen 877 t.e.m. 882 van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wanneer deze artikelen zo worden geïnterpreteerd dat de in de artikelen 877 t.e.m. 882 van het Gerechtelijk Wetboek vervatte procedure tot overlegging van stukken niet van toepassing is op een beklaagde die zich tegen de burgerlijke vordering dient te verweren voor de appelrechter, doch wel op een beklaagde die zich tegen de burgerlijke vordering dient te verweren voor de (…) [burgerlijke] rechter?”
  32. In zoverre het onderdeel opkomt tegen het onaantastbare oordeel van het arrest over de feiten of verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  33. Het arrest (p. 31-32) oordeelt niet alleen dat artikel 19, derde lid, Gerechtelijk Wetboek niet toepasselijk is in een correctionele procedure en dat het hof van beroep niet bevoegd is om de overlegging van stukken overeenkomstig de artikelen 877 tot en met 882 Gerechtelijk Wetboek te bevelen, maar ook dat: - de illegale herkomst van de kwestieuze tegoeden door de eiser I enkel wordt vermoed en geenszins aannemelijk wordt gemaakt; - uit de stukken waarop het hof van beroep acht kan slaan, niet blijkt dat de verweerders I worden vervolgd of werden veroordeeld wegens misdrijven waaruit (aanzienlijke) illegale vermogensvoordelen voortvloeien; - uit de stukken van het strafdossier evenmin blijkt dat de verweerders I het voorwerp uitmaken of hebben uitgemaakt van een fiscaal onderzoek; - de verzoeken van de eiser I tot overlegging van de persoonlijke belastingaangiften van de verweerders I, van de aanslagen en van de boekhouding van hun vennootschappen en tot aanstelling van een financieel forensisch deskundige bijgevolg op niets is gesteund en is ingegeven door loutere veronderstellingen, zonder de minste concrete aanwijzingen; - het tijdsverloop een efficiënte uitvoering van (bepaalde van) de gevraagde onderzoeksmaatregelen hypothekeert en de eiser I nooit eerder om bijkomend onderzoek heeft verzocht over die aspecten die hij thans in zijn verzoekschrift en syntheseberoepsbesluiten als relevant opwerpt, zodat deze thans gerezen (eventuele) onmogelijkheid niet als een miskenning van zijn recht van verdediging kan worden beschouwd; - het hof van beroep zich voldoende ingelicht acht en voldoende elementen heeft om zijn overtuiging te vormen. Deze zelfstandige, vergeefs bekritiseerde redenen dragen de beslissing tot afwijzing van de verzoeken van de eiser I tot overlegging van stukken en tot aanstelling van een deskundige. In zoverre kan het onderdeel niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg niet ontvankelijk.
  34. De voorgestelde prejudiciële vraag, die verband houdt met deze overtollige redenen, wordt niet gesteld. Tweede onderdeel
  35. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 780, eerste lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek: de appelrechters hebben onvoldoende aangegeven welke elementen tot de afwijzing van eisers verzoek tot aanstelling van een financieel forensisch deskundige hebben geleid; op die manier is het niet mogelijk na te gaan of de appelrechters het recht van verdediging en het recht op bewijslevering in rekening hebben genomen.
  36. Artikel 780, eerste lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing in strafzaken. In zoverre het onderdeel schending van die wetsbepaling aanvoert, faalt het naar recht.
  37. De rechter kan, zonder schending van artikel 6 EVRM dan wel miskenning van het recht van verdediging, weigeren om een deskundigenonderzoek te bevelen wanneer de procespartij haar verzoek op geen enkel gegeven grondt dat de tot staving van haar vordering aangevoerde feiten aannemelijk kan maken of wanneer er geen dienstige reden bestaat om die maatregel te bevelen.
  38. Het recht op bewijs is het recht van elke procespartij om de bewijselementen te overleggen waarover zij zelf beschikt en om aan de rechter te vragen dat de bewijselementen waarover zij niet beschikt, zouden worden verzameld door de uitvoering van bepaalde onderzoeksmaatregelen, waarover de rechter oordeelt. Het recht op bewijs is geen onbeperkt recht en schakelt bijgevolg de vermelde beoordelingsvrijheid van de rechter niet uit.
  39. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  40. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel verwerpen en beantwoorden de appelrechters het verzoek van de eiser I tot aanstelling van een financieel forensisch deskundige en vermelden zij waarom zij niet ingaan op dit verzoek. Aldus verantwoorden zij hun beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde middel
  41. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 8 Probatiewet: het arrest beantwoordt niet eisers beargumenteerde verzoek om hem probatie-uitstel te verlenen, niet alleen voor wat betreft de gevangenisstraf, maar ook voor wat betreft de geldboete en het beroepsverbod.
  42. Uit artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter die een verzoek om uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf weigert, indien een dergelijke maatregel wettelijk mogelijk is, die beslissing nauwkeurig moet motiveren, ook al mag die motivering beknopt zijn. Bovendien moet de rechter antwoorden op de conclusie van de beklaagde die om een dergelijk uitstel verzoekt. Uit artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet kan geen verdergaande motiveringsplicht worden afgeleid.
  43. Het arrest (p. 49-50) oordeelt dat het opleggen van de geldboete aan de eiser I noodzakelijk is, gelet op de geldelijke drijfveer van de eiser I en de aangerichte financiële schade. Het arrest motiveert tevens dat het aan de eiser I het beroepsverbod bepaald in artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod oplegt ter bescherming van het economisch verkeer, gelet op het feit dat de eiser I op stuitende wijze misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat hij als bankagent en makelaar genoot. Het oordeelt ten slotte dat het aan de eiser I, wiens reclassering mag worden verhoopt, uitstel van de tenuitvoerlegging van de op te leggen hoofdgevangenisstraf verleent. Met die redenen vermeldt het arrest beknopt maar duidelijk waarom het aan de eiser I verleende uitstel is beperkt tot de hoofdgevangenisstraf en beantwoordt het eisers verzoek tot het verlenen van probatie-uitstel voor het geheel van de hoofdstraffen en bijkomende straffen. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. Het middel kan niet worden aangenomen. Middel van de eisers II Eerste onderdeel
  44. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest bevat tegenstrijdige redenen: enerzijds ziet het geen beletsel in het ontbreken van een gedetailleerd onderzoek naar bankverrichtingen en van bankdocumenten om de verweerder II te veroordelen voor de feiten van informaticabedrog onder de telastleggingen I.1.d (behalve I.1.d.14)) en I.1.e; anderzijds ziet het wel een beletsel in het ontbreken van bankdocumenten, namelijk loketcheques, om de verweerder II te veroordelen voor de feiten van informaticabedrog onder de telastleggingen I.1.c (behalve I.1.c.6) en I.1.c.62)) en I.
  45. Het onderdeel dat formeel een tegenstrijdigheid in de motivering van het arrest aanvoert, komt in werkelijkheid geheel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  46. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 504quater Strafwetboek: het arrest spreekt de verweerder II vrij voor de feiten van informaticabedrog onder de telastleggingen I.2 en I.1.c (met uitzondering van I.1.c.6) en 62)) op grond van het enkele feit dat kopieën van de loketcheques inzake de cashafhalingen, die een nazicht van de erop voorkomende handtekeningen zou toelaten, ontbreken.
  47. Het onderdeel komt geheel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  48. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoepen. Bepaalt de kosten in het geheel op 274,51 euro, waarvan de eiser I 139,90 euro is verschuldigd en de eisers II 135,61 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 25 april 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230425.2N.20 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230425.2N.20 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250311.2N.12 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251021.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.