← België

BELGISCHE STAAT fod FINANCIEN contra R.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023

Art. 2terVerordening (EU) nr.

509/2012 van de Raad van 15 juni 2012 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië - 15-06-2012 - Art. 1 Wet 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten - 13-05-2003 - Art. 6 - 34 ELI link Pub nr 2003015064 Wet 11 september 1962 betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen en de daaraan verbonden technologie - 11-09-1962 - Art. 10 - 01 ELI link Pub nr 1962091103 Besluit van de Vlaamse Regering 14 maart 2014 tot regeling van de uitvoer, doorvoer en overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik en het verlenen van technische bijstand - 14-03-2014 - Artt. 3 tot en met 7 - 21 ELI link Pub nr 2014035413 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Artt. 281 en 283 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Thesaurus CAS: ECONOMIE Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik - 05-05-2009 - Artt. 3, 6, 9 en 11 Verordening (EU) nr. 36/2012 van de Raad van 18 januari 2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 442/

Art. 2terVerordening (EU) nr.

509/2012 van de Raad van 15 juni 2012 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië - 15-06-2012 - Art. 1 Wet 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten - 13-05-2003 - Art. 6 - 34 ELI link Pub nr 2003015064 Wet 11 september 1962 betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen en de daaraan verbonden technologie - 11-09-1962 - Art. 10 - 01 ELI link Pub nr 1962091103 Besluit van de Vlaamse Regering 14 maart 2014 tot regeling van de uitvoer, doorvoer en overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik en het verlenen van technische bijstand - 14-03-2014 - Artt. 3 tot en met 7 - 21 ELI link Pub nr 2014035413 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Artt. 281 en 283 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik - 05-05-2009 - Artt. 3, 6, 9 en 11 Verordening (EU) nr. 36/2012 van de Raad van 18 januari 2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 442/

Art. 2terVerordening (EU) nr.

509/2012 van de Raad van 15 juni 2012 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië - 15-06-2012 - Art. 1 Wet 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten - 13-05-2003 - Art. 6 - 34 ELI link Pub nr 2003015064 Wet 11 september 1962 betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen en de daaraan verbonden technologie - 11-09-1962 - Art. 10 - 01 ELI link Pub nr 1962091103 Besluit van de Vlaamse Regering 14 maart 2014 tot regeling van de uitvoer, doorvoer en overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik en het verlenen van technische bijstand - 14-03-2014 - Artt. 3 tot en met 7 - 21 ELI link Pub nr 2014035413 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Artt. 281 en 283 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik - 05-05-2009 - Artt. 3, 6, 9 en 11 Verordening (EU) nr. 36/2012 van de Raad van 18 januari 2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 442/

Art. 2terVerordening (EU) nr.

509/2012 van de Raad van 15 juni 2012 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië - 15-06-2012 - Art. 1 Wet 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten - 13-05-2003 - Art. 6 - 34 ELI link Pub nr 2003015064 Wet 11 september 1962 betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen en de daaraan verbonden technologie - 11-09-1962 - Art. 10 - 01 ELI link Pub nr 1962091103 Besluit van de Vlaamse Regering 14 maart 2014 tot regeling van de uitvoer, doorvoer en overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik en het verlenen van technische bijstand - 14-03-2014 - Artt. 3 tot en met 7 - 21 ELI link Pub nr 2014035413 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Artt. 281 en 283 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1396.N BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de adviseur-generaal van de administratie geschillen van de algemene administratie van de douane en accijnzen, met regionaal kantoor te 2060 Antwerpen, Ellermanstraat 21, vervolgende partij, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67 bus 14, waar de eiser woonplaats kiest, tegen

  1. R. S. R., beklaagde,
  2. D. L. bv, beklaagde,
  3. H. J. A. V. L., beklaagde, verweerders, de verweerders 2 en 3 met als raadsman mr. Erhard Vermeulen, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 22 september 2022, gewezen op verwijzing ingevolge het arrest van het Hof van 10 november
  4. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Op 5 april 2023 heeft advocaat-generaal Alain Winants een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 25 april 2023 heeft raadsheer Eric Van Dooren verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel Tweede subonderdeel
  5. Het subonderdeel voert schending aan van artikel 10 van de wet van 11 september 1962 tot regeling van de in-, uit- en doorvoer van goederen en de daaraan verbonden technologie (hierna Wet Uitvoer), de artikelen 281 en 283 AWDA en de artikelen 3 tot en met 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 maart 2014 tot regeling van de uitvoer, doorvoer en overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik en het verlenen van technische bijstand (hierna Besluit 14 maart 2014): met het oordeel dat een inbreuk op artikel 2ter van Verordening (EU) nr. 36/2012 van de Raad van 18 januari 2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 442/2011 (hierna Verordening nr. 36/2012) strafbaar wordt gesteld door artikel 6 van de wet van 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten (hierna Wet 13 mei 2003), verantwoordt het arrest de beslissing om de strafvordering tegen de verweerders onontvankelijk te verklaren wegens de onbevoegdheid van de eiser om een dergelijke inbreuk te vervolgen, niet naar recht; een inbreuk op Verordening nr. 36/2012 wordt daarentegen strafbaar gesteld door artikel 10 Wet Uitvoer waardoor de eiser wel degelijk bevoegd is om tot vervolging daarvan over te gaan; dat volgt namelijk uit artikel 2ter.3 Verordening nr. 36/2012, dat bepaalt dat de vereiste vergunning moet worden uitgereikt overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik (hierna Verordening nr. 428/2009); wanneer de uitvoerder in het Vlaamse Gewest is gevestigd, geldt het Besluit 14 maart 2014 dat is uitgevaardigd krachtens de artikelen 2 en 4 Wet Uitvoer die een “wet inzake douane en accijnzen” is in de zin van artikel 281 AWDA.
  6. Verordening nr. 36/2012, in werking getreden op 19 januari 2012, bevat verbodsbepalingen met betrekking tot bepaalde activiteiten van handel en samenwerking met Syrië. Zij verwijst daarvoor naar de bijlagen I tot VII. Die verordening bepaalt in artikel 33.1 ook: “De lidstaten stellen de voorschriften vast betreffende sancties op inbreuken op de bepalingen van deze verordening en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze voorschriften ten uitvoer worden gelegd. De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.” Artikel 1 van Verordening (EU) nr. 509/2012 van de Raad van 15 juni 2012 tot wijziging van Verordening nr. 36/2012, in werking getreden op 17 juni 2012, voert in Verordening nr. 36/2012 een artikel 2ter in, dat een voorafgaande vergunning van de bevoegde lidstaat vereist voor de uitvoer van bepaalde goederen genoemd in de nieuw ingevoerde bijlage IX, ten behoeve van een Syrische persoon of bestemd voor gebruik in Syrië. Die bijlage IX vermeldt onder nummer IX.A1.003 het product dichloormethaan in een concentratie van 95 procent of meer. De producten aceton in een concentratie van 90 procent of meer, isopropanol in een concentratie van 95 procent of meer en methanol in een concentratie van 90 procent of meer werden aan de bijlage IX toegevoegd door artikel 1, 11), van Verordening (EU) nr. 697/2013 van de Raad van 22 juli 2013 tot wijziging van Verordening nr. 36/2012, in werking getreden op 24 juli
  7. Krachtens artikel 288, tweede lid, VWEU heeft een verordening een algemene strekking en is zij verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Bijgevolg trad ingevolge de vermelde verordeningen de vergunningsplicht voor de uitvoer van bepaalde goederen naar Syrië in werking op 17 juni 2012 en vielen dichloormethaan vanaf die datum en aceton, isopropanol en methanol vanaf 24 juli 2013 onder de toepassing ervan.
  8. Artikel 2ter Verordening nr. 36/2012 bepaalt: “
  9. Een voorafgaande vergunning is vereist voor het direct of indirect verkopen, leveren, overdragen of exporteren van de apparatuur, goederen of technologie die voor binnenlandse repressie zouden kunnen worden gebruikt, als genoemd in bijlage IX, al dan niet van oorsprong uit de Unie, ten behoeve van een Syrische persoon, entiteit of lichaam of bestemd voor gebruik in Syrië.
  10. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten, als genoemd op de websites die in bijlage III worden vermeld, verlenen geen toestemming voor het verkopen, leveren, overdragen of exporteren van de apparatuur, goederen of technologie opgenomen in bijlage IX, indien zij redelijke gronden hebben om aan te nemen dat de apparatuur, goederen of technologie die het voorwerp zijn van de verkoop, levering, overdracht of export worden gebruikt of zou kunnen worden gebruikt voor binnenlandse repressie of voor de vervaardiging of het onderhoud van producten die voor binnenlandse repressie zouden kunnen worden gebruikt.
  11. De op grond van dit artikel voor de uitvoer vereiste vergunning wordt overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de exporteur is gevestigd. De vergunning is in de gehele Unie geldig.”
  12. Verordening nr. 428/2009, zoals hier toepasselijk, legt een vergunningsplicht op voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik, dit zijn producten, met inbegrip van programmatuur en technologie, die zowel een civiele als een militaire bestemming kunnen hebben, met inbegrip van alle goederen die voor niet-explosieve doeleinden gebruikt kunnen worden en op enige manier bdragen in de vervaardiging van nucleaire wapens of andere nucleaire explosiemiddelen. Volgens artikel 3 Besluit 14 maart 2014 worden de vergunningen vereist voor uitvoer en doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik, vermeld in de artikelen 3, 6 en 9 Verordening nr. 428/2009, verleend door het Vlaamse Gewest wanneer de aanvrager zijn woonplaats of maatschappelijke zetel heeft in het Vlaamse Gewest.
  13. Artikel 11 Verordening nr. 428/2009, zoals van toepassing, bepaalt: “
  14. Indien de producten voor tweeërlei gebruik waarvoor een individuele uitvoervergunning wordt aangevraagd voor een niet in de lst van blage II a vermelde bestemming of, in het geval van in de lst van blage IV vermelde producten voor tweeërlei gebruik, voor een willekeurige bestemming, zich in een of meer andere lidstaten bevinden of zullen bevinden dan die waar de vergunning wordt aangevraagd, wordt dat gegeven in de aanvraag vermeld. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de vergunning wordt aangevraagd, treden onverwld in overleg met de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat of lidstaten en verstrekken alle ter zake dienende informatie. De geraadpleegde lidstaat of lidstaten maken eventuele bezwaren tegen de afgifte van een dergelke vergunning binnen tien werkdagen kenbaar. Deze bezwaren zn bindend voor de lidstaat waar de vergunning is aangevraagd. Indien binnen tien werkdagen geen bezwaren worden ontvangen, wordt de geraadpleegde lidstaat of worden de geraadpleegde lidstaten geacht geen bezwaar te hebben. In uitzonderlke gevallen kan een geraadpleegde lidstaat om verlenging van de termn van tien dagen verzoeken. De verlenging mag evenwel niet meer dan dertig werkdagen bedragen.
  15. Indien een uitvoer zn wezenlke veiligheidsbelangen zou kunnen schaden, kan een lidstaat een andere lidstaat verzoeken geen uitvoervergunning te verlenen of, indien deze reeds is verleend, die vergunning nietig te verklaren, te schorsen, te wzigen of in te trekken. De lidstaat die een dergelk verzoek ontvangt, treedt met de verzoekende lidstaat onverwld in overleg van niet bindende aard, welk overleg binnen tien werkdagen dient te worden afgerond. Indien de lidstaat waaraan het verzoek wordt gericht, besluit de vergunning te verlenen, moeten de Commissie en de andere lidstaten daarvan in kennis worden gesteld met gebruikmaking van het in artikel 13, lid 6, genoemde elektronische systeem.”
  16. Uit de verwijzing in artikel 2ter.3 Verordening nr. 36/2012 naar artikel 11 Verordening nr. 428/2009, zoals van toepassing, kan niet worden afgeleid dat de apparatuur, goederen of technologie als genoemd in bijlage IX van Verordening nr. 36/2012 en al dan niet van oorsprong uit de Unie, gelijk te stellen zijn met producten voor tweeërlei gebruik die het voorwerp uitmaken van Verordening nr. 428/2009 en Besluit 14 maart
  17. Met die verwijzing wordt voor het verlenen van een voorafgaande vergunning vereist voor het direct of indirect verkopen, leveren, overdragen of exporteren van de bedoelde apparatuur, goederen of technologie ten behoeve van een Syrisch persoon, entiteit of lichaam of bestemd voor gebruik in Syrië, tot stand gebracht als een beperkende maatregel tegen Syrië, enkel een procedurele regeling overgenomen voor het geval meerdere lidstaten voor het afgeven van de vergunning in aanmerking kunnen komen. Daarmee worden geen andere bepalingen van Verordening nr. 428/2009 overgenomen of van toepassing gemaakt. Bijgevolg kan evenmin het Besluit 14 maart 2014, dat uitsluitend betrekking heeft op de vergunningen vereist voor uitvoer en doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik, verder bepalend zijn voor de toepassing van artikel 2ter Verordening nr. 36/
  18. In zoverre het subonderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  19. In zoverre het subonderdeel ook schending aanvoert van artikel 10 Wet Uitvoer en de artikelen 281 en 283 AWDA, is het afgeleid uit die vergeefs aangevoerde onwettigheid en bijgevolg niet ontvankelijk. Eerste subonderdeel
  20. Het subonderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: in zijn appelconclusie heeft de eiser omstandig aangevoerd dat het sanctiestelsel van artikel 10 Wet Uitvoer van toepassing is samen met het Besluit 14 maart 2014 dat als een uitvoeringsbepaling van die wet moet worden beschouwd en waardoor de tegen de verweerders ingestelde strafvordering niet onontvankelijk kan worden verklaard; met het loutere antwoord dat de eiser niet kan worden gevolgd in zijn beroep op de Wet Uitvoer en dat de verwijzing naar het Besluit 14 maart 2014 niet van aard is om afbreuk te doen aan die vaststelling, laat het arrest dat verweer onbeantwoord.
  21. De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een verweer is aangewend, maar zelf geen afzonderlijk verweer vormt.
  22. Met de redenen die het arrest (p. 21-22, randnrs. 4.3.5.4 en 4.3.5.5) bevat, beantwoordt het eisers verweer over de toepasselijkheid van het sanctiestelsel van artikel 10 Wet Uitvoer zonder dat het dient te antwoorden op het door het subonderdeel bedoelde argument over het Besluit 14 maart 2014 dat louter werd aangevoerd tot staving van dat verweer, zonder evenwel een afzonderlijk verweer te vormen. Het subonderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  23. De subonderdelen voeren schending aan van artikel 182 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek en artikel 231, § 1, AWDA: met het oordeel dat de aanhangig gemaakte feiten duidelijk beperkt zijn tot het niet voorleggen van de vereiste uitvoervergunningen miskent het arrest de bewijskracht van de inleidende dagvaarding en van het daarmee in samenhang te lezen proces-verbaal van 27 maart 2018; het arrest houdt geen rekening met alle voorgelegde vervolgde feiten zoals kan blijken uit de stukken van het onderzoek die aan de dagvaarding ten grondslag liggen; daaruit volgt dat de feiten niet enkel de uitvoer als dusdanig betreffen, maar ook het niet-invullen van het vak 44 in de uitvoeraangiften, wat gelijk te stellen is met de afwezigheid van een douaneaangifte; aldus schrijft het arrest aan de dagvaarding en het proces-verbaal een bevestiging toe die daarin niet voorkomt en beslist het dat die akten een bevestiging niet bevatten die wel erin voorkomt; minstens geeft het aan die stukken een uitlegging die onverzoenbaar is met de bewoordingen ervan (eerste subonderdeel); het arrest trekt uit zijn vaststellingen dan ook gevolgen die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord, zodat het niet wettig beslist om de feiten niet te herkwalificeren (tweede subonderdeel).
  24. In correctionele en politiezaken maakt de verwijzingsbeslissing van het onderzoeksgerecht of de dagvaarding om te verschijnen voor het vonnisgerecht niet de daarin vervatte kwalificatie bij het vonnisgerecht aanhangig, maar wel de feiten zoals zij blijken uit de stukken van het onderzoek en die aan de akte van aanhangigmaking ten grondslag liggen. Die kwalificatie is voorlopig en het vonnisgerecht heeft de plicht om aan de feiten hun juiste omschrijving te geven.
  25. Het vonnisgerecht bepaalt aan de hand van de bewoordingen van de akte van aanhangigmaking onaantastbaar welke feiten het voorwerp uitmaken van die akte. Bij de beoordeling van de draagwijdte van de akte van aanhangigmaking moet dat gerecht bovendien de stukken betrekken waarnaar de in deze akte opgenomen telastlegging uitdrukkelijk verwijst. De formulering van een telastlegging, zoals het gegeven dat daarin enkel welbepaalde feiten zijn vermeld, kan een element in de beoordeling uitmaken, maar bindt de rechter, net zo min als de voormelde stukken, als dusdanig niet.
  26. Het Hof gaat enkel na of de rechter van de akte van aanhangigmaking en het eraan ten grondslag liggend proces-verbaal geen uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan of uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
  27. Het arrest (p. 23-24, randnr. 4.3.5.7) oordeelt desbetreffend het volgende: - in casu vervolgt de eiser de verweerders wegens feiten van uitvoer in de periode van 22 mei 2014 tot en met 19 december 2016 van hoeveelheden aceton, isopropanol, methanol en dichloormethaan zonder de uitvoervergunningen voor te leggen die waren voorgeschreven voor de uitvoer van deze chemische producten op grond van de bepalingen in artikel 2ter Verordening nr. 36/2012; - de dossierelementen in hun totaliteit beschouwd laten er geen twijfel over bestaan dat de overtredingen van de in dit dossier aan de orde zijnde voorschriften van artikel 2ter Verordening nr. 36/2012 ten grondslag liggen van de vervolging in deze strafzaak. Deze inbreuken zijn in de Belgische rechtsorde strafbaar gesteld op grond van artikel 6 Wet 13 mei 2003; - een verbetering van de omschrijving van de in deze vervolgde feiten in een inbreuk op artikel 231 AWDA is niet aan de orde; - de uitvoer zonder douaneaangifte, want volgens de eiser aan de hand van opzettelijk onjuiste douaneaangiften, in de zin van artikel 231, § 1, AWDA van de aan de orde zijnde goederen viseert in het licht van de dossierelementen andere feiten dan deze die het voorwerp uitmaken of ten grondslag liggen van de te beoordelen vervolging door de eiser; - het louter gegeven dat bij het strafdossier de zogenaamde EX A-documenten werden gevoegd via dewelke de douaneaangiften inzake de uitvoer van de aan de orde zijnde goederen geschiedde, doet geen afbreuk aan het voorgaande; - de speurders hebben in deze trouwens de volledige uitvoerdossiers opgehaald bij oorspronkelijk beklaagde A.C. bv en bij de verweerder 2 evenals bij oorspronkelijk beklaagde A.C.T. nv en geanalyseerd, hetgeen op een ruimer onderzoek inzake de aan de orde zijnde uitvoeren wees (cf. PV van 27 maart 2018, pagina’s 10/55–17/55).
  28. Op grond van de voormelde redenen kunnen de appelrechters, zonder miskenning van de bewijskracht van de inleidende dagvaarding en van het proces-verbaal van 27 maart 2018, wettig oordelen dat de bij hen aanhangig gemaakte telastlegging enkel betrekking heeft op het niet voorleggen van de vereiste uitvoervergunningen. De subonderdelen kunnen niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  29. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 101,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 25 april 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230425.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230425.2N.5 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240917.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.