← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:A

Art. 3

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Basiswet 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden - 12-01-2005 - Art. 9, § 3 - 39 ELI link Pub nr 2005009033 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 3

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Basiswet 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden - 12-01-2005 - Art. 9, § 3 - 39 ELI link Pub nr 2005009033 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiches 3 - 4 Uit artikel 3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens

(1), volgt niet dat de strafuitvoeringsrechtbank dient in te gaan op elk verzoek van een veroordeelde tot aanstelling van een deskundige met het oog op de uitvoering van een nieuw psychiatrisch onderzoek en het uitstippelen van een reclasseringsplan; het staat aan de strafuitvoeringsrechtbank om te oordelen of in het licht van de beschikbare informatie over de persoonlijkheid van de veroordeelde waaronder eerder uitgevoerde psychiatrische en psychologische onderzoeken en verslagen, alsook de actualiteit van die gegevens, het uitvoeren van een nieuw psychiatrisch onderzoek wel noodzakelijk is.
(1)Zie onder meer EHRM (Grote Kamer) 26 april 2016, nr. 10511/10, Murray t. Nederland, T.Strafr. 2016, nr. 4, 311-312, www.echr.coe.int. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 Fiches 5 - 6 Artikel 5.4 EVRM dat bepaalt dat eenieder die door arrestatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd het recht heeft voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt indien de gevangenhouding onrechtmatig is, is niet van toepassing op een gevangenhouding na een rechterlijke veroordeling
(1).
(1)Cass. 18 april 2023, AR P.23.0462.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.13; Cass. 17 december 2019, AR P.19.1232.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191217.2N.14, AC 2019, nr. 678. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 7 De strafuitvoeringsrechtbank bepaalt binnen de door de wetgever bepaalde grenzen discretionair de datum voor het indienen van een nieuw verzoek om een strafuitvoeringsmodaliteit. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Tekst van de beslissing Nr. P.23.0513.N F. W. V., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel van 31 maart

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Het vonnis wijst eisers op grond van artikel 59 Wet Strafuitvoering geformuleerd verzoek tot het verkrijgen van uitgaansvergunningen af. Dat is geen beslissing als bedoeld door artikel 96, eerste lid, Wet Strafuitvoering. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is eisers cassatieberoep niet ontvankelijk. Eerste en tweede middel
  3. Het eerste middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 9, § 3, van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden (hierna Basiswet Rechtspositie Gedetineerden): de strafuitvoeringsrechtbank moet zich wel degelijk uitspreken over een individueel detentieplan dat moet worden uitgestippeld met het oog op het realiseren van een schadebeperkende en op het herstel en op re-integratie gerichte en veilige uitvoering van een vrijheidsstraf. Het tweede middel voert schending aan van artikel 3 EVRM: het vonnis oordeelt ten onrechte dat een de facto ongewijzigde reclassering van de eiser die sinds meer dan dertig jaar onafgebroken in detentie blijft geen schending van deze verdragsbepaling uitmaakt; bovendien wordt niet ingegaan op het verzoek een deskundige aan te stellen aan wie kan worden gevraagd welk reclasseringsplan tegemoetkomt aan artikel 9, § 3, Basiswet Rechtspositie Gedetineerden.
  4. Artikel 3 EVRM bepaalt dat niemand mag worden onderworpen aan foltering noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen. Deze bepaling wordt door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in onder meer het arrest Murray t. Nederland van 26 april 2016 (Grote Kamer, verzoekschrift nr. 10511/10) als volgt uitgelegd: - het verdrag zelf garandeert geen recht op rehabilitatie (ro 103) en de nationale overheden zelf zijn niet verantwoordelijk voor een daadwerkelijke rehabilitatie van een veroordeelde (ro 104); - niettemin rust op de nationale overheden de verplichting te verzekeren dat ook levenslang veroordeelden de mogelijkheid krijgen om zich te rehabiliteren (ro 103 en ro 104) en dit als cruciaal onderdeel van de vereiste van de feitelijke reduceerbaarheid van een levenslange gevangenisstraf (ro 108); - dit houdt geen resultaatsverbintenis maar een middelenverbintenis in, waarbij ermee rekening moet worden gehouden dat de door het verdrag toegekende rechten niet louter theoretisch of illusoir mogen zijn, maar wel praktisch en effectief moeten zijn (ro 104); - aan een levenslang veroordeelde moet een realistische kans worden geboden om rekening houdend met de beperkingen inherent aan een gevangeniscontext vooruitgang te boeken op het vlak van rehabilitatie, zodat hij kan hopen op een dag in aanmerking te komen voor een voorwaardelijke invrijheidstelling (ro 103); - dit doel zou kunnen worden bereikt door het opzetten van een individueel en regelmatig bijgewerkt programma dat de veroordeelde ertoe aanzet zichzelf te ontwikkelen tot een persoon met een verantwoordelijk en misdrijfvrij leven (ro 103); - wat betreft levenslang veroordeelden met gedragsproblemen of een persoonlijkheidsstoornis is een onderzoek noodzakelijk teneinde te bepalen welke behandeling kan bijdragen tot rehabilitatie of het verminderen van het recidivegevaar (ro 108); - indien dit onderzoek leidt tot de conclusie dat een behandeling of therapie van aard is om bij te dragen tot de rehabilitatie van de veroordeelde dan moet de betrokkene daartoe de kans krijgen, weliswaar rekening houdend met de beperkingen inherent aan een gevangeniscontext (ro 108); - de nationale overheden voldoen aan de uit artikel 3 EVRM voortvloeiende verplichting indien wordt voorzien in behandelingen die de levenslang veroordeelde in staat moeten stellen te rehabiliteren, zelfs als blijkt dat de betrokkene onvoldoende is verbeterd zodat hij nog steeds een zodanig gevaar oplevert dat een vrijlating onder voorwaarden verhindert. De nationale overheden hebben immers ook de verdragsrechtelijke verplichting het publiek te beschermen tegen ernstige misdrijven en de daaruit voortvloeiende verplichting levenslang veroordeelden gevangen te houden zolang ze gevaarlijk zijn (ro 111); - samengevat komt het erop neer dat een levenslang veroordeelde moet worden opgesloten in zodanige omstandigheden en een zodanige behandeling moet genieten dat hij een realistische mogelijkheid heeft om zichzelf te rehabiliteren zodat hij kans heeft op een vrijlating (ro 112).
  5. Artikel 9, § 3, Basiswet Rechtspositie Gedetineerden bepaalt dat de veroordeelde in de gelegenheid wordt gesteld constructief mee te werken aan de realisering van het individueel detentieplan, bedoeld in titel IV, hoofdstuk II, dat wordt opgesteld met het oog op een schadebeperkende, op het herstel en op re-integratie gerichte en veilige uitvoering van de vrijheidsstraf.
  6. De wetgever heeft aan de strafuitvoeringsrechtbank opgedragen te oordelen of de in artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering vermelde tegenaanwijzingen, waaraan niet kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden, zich verzetten tegen de toekenning van een door een veroordeelde gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit.
  7. Noch uit artikel 3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, noch uit artikel 9, § 3, Basiswet Rechtspositie Gedetineerden kan worden afgeleid dat de strafuitvoeringsrechtbank die vaststelt dat een door een levenslang veroordeelde gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit niet kan worden toegekend gelet op de aanwezigheid van één of meerdere van de in artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzingen, zich bovendien moet uitspreken over een individueel detentieplan.
  8. Uit artikel 3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt niet dat de strafuitvoeringsrechtbank dient in te gaan op elk verzoek van een veroordeelde tot aanstelling van een deskundige met het oog op de uitvoering van een nieuw psychiatrisch onderzoek en het uitstippelen van een reclasseringsplan. Het staat aan de strafuitvoeringsrechtbank om te oordelen of in het licht van de beschikbare informatie over de persoonlijkheid van de veroordeelde waaronder eerder uitgevoerde psychiatrische en psychologische onderzoeken en verslagen, alsook de actualiteit van die gegevens, het uitvoeren van een nieuw psychiatrisch onderzoek wel noodzakelijk is.
  9. In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
  10. Het vonnis dat oordeelt dat de strafuitvoeringsrechtbank geen advies moet verlenen aan de eiser noch voor hem een reclasseringspiste moet uitstippelen of aanbevelen en dat eisers verzoek om beperkte detentie wordt beoordeeld overeenkomstig de wettelijke bepalingen, verantwoordt die beslissing naar recht. In zoverre kan het eerste middel niet worden aangenomen.
  11. Het vonnis oordeelt, na bespreking van de diverse verslagen van de psychosociale dienst (PSD) en de verslagen van de psychiaters (randnr. 2.3, p. 3-4), dat de PSD recent, namelijk in 2020, een nieuw persoonlijkheidsonderzoek heeft uitgevoerd waarvan de resultaten uitvoerig werden besproken in het verslag van 24 januari 2023 en tevens werden vergeleken met de resultaten van het in 2017 uitgevoerde onderzoek. Het oordeelt verder dat volgens de PSD er weinig evolutie is te bemerken en dat uit geen van de overgelegde elementen blijkt dat er redenen zijn om aan te nemen dat de situatie of de persoonlijkheid van de eiser inmiddels wijzigingen onderging in die zin dat een nieuw psychiatrisch onderzoek zich opdringt. Aldus verantwoordt het vonnis de beslissing dat er geen grond is om een deskundige aan te stellen naar recht. In zoverre kan het tweede middel niet worden aangenomen.
  12. Het vonnis stelt aan de hand van een bespreking van de diverse verslagen van de PSD en de verslagen van de psychiaters (randnr. 2.3, p. 3-4) vast dat er nog steeds een gevaar bestaat op gewelddadig gedrag en oplichting en dat een residentiële opnamemogelijkheid noodzakelijk is om tegemoet te komen aan de wettelijk vastgestelde tegenaanwijzing. Het oordeelt verder als volgt: - de voorbije jaren werden diverse pistes geëxploreerd om de eiser te begeleiden: de eiser beoogde achtereenvolgens een ambulant reclasseringsplan, opnames op psychiatrische afdelingen van een ziekenhuis en een residentiële forensische behandeling op een gesloten afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis; - geen van de aangeschreven centra formuleerde een aanbod tot behandeling; - volgens de PSD heeft de eiser meerdere residentiële instellingen aangeschreven in Wallonië vermits hij tweetalig is en dus ook een begeleiding in het Frans zou kunnen volgen, maar bleven die aanvragen onbeantwoord of leidden ze nog niet tot een akkoord voor een intakegesprek; - de eiser legt een ambulant reclasseringsplan voor en verzoekt daarom om beperkte detentie. Hij kan vertaalwerk voor het Frans Verbiest Instituut van de KU Leuven, dat hij al jaren vanuit de gevangenis verricht, ter plaatse uitvoeren. Hij vermeldt ook voor een begeleiding terecht te kunnen bij het CGG te Leuven, alsook bij psychiater dokter R.; - het voorgestelde reclasseringsplan voldoet niet aan de noodzakelijk geachte bijzondere voorwaarden aangezien er geen adequate residentiële begeleiding voorligt zodat het verzoek tot het verkrijgen van beperkte detentie wordt afgewezen.
  13. Het vonnis oordeelt verder dat de strafuitvoeringsrechtbank geen bevoegdheid heeft om aan de eiser een advies te verlenen noch om voor hem een reclasseringspiste uit te stippelen of aan te bevelen. Het oordeelt bovendien dat er geen schending voorligt van artikel 3 EVRM omdat uit de herhaalde onderzoeken en het recente PSD-verslag blijkt dat blijvend naarstig wordt gezocht om tegemoet te komen aan de vastgestelde wettelijke tegenaanwijzingen en om een geschikte reclassering te kunnen voorleggen. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het tweede middel niet worden aangenomen. Derde middel
  14. Het middel voert schending aan van artikel 5.4 EVRM en artikel 149 Grondwet: het vonnis wijst eisers met verwijzing naar de duur van zijn detentie en zijn leeftijd geformuleerde vraag om de wachttermijn voor een nieuw verzoek op beperkte detentie op maximaal drie maanden te bepalen af.
  15. Artikel 5.4 EVRM bepaalt dat eenieder die door arrestatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd het recht heeft voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt indien de gevangenhouding onrechtmatig is. Artikel 5.4 EVRM is niet van toepassing op een gevangenhouding na een rechterlijke veroordeling. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  16. Met de redenen die het bevat, beantwoordt en verwerpt het vonnis (p. 6, randnr. 2.7) het door het middel bedoelde verweer. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, mist het feitelijke grondslag.
  17. De strafuitvoeringsrechtbank bepaalt binnen de door de wetgever bepaalde grenzen discretionair de datum voor het indienen van een nieuw verzoek om een strafuitvoeringsmodaliteit. In zoverre het middel opkomt tegen dit oordeel, is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 2 mei 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230502.2N.15 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191217.2N.14 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.13 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.9 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241203.2N.12 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250218.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.