← België

JETTE CLEAN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230502.2N.5 Rolnummer: P.22.1762.N Zaak: JETTE CLEAN Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2023-05-16 Raadplegingen: 908 - laatst gezien 2026-06-17 13:57 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De aanstelling door een werkgever van een werknemer om het beleid van de werkgever uit te voeren met betrekking tot het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en aldus de aanwijzing als lid van de hiërarchische lijn van de onderneming van de werkgever, heeft niet tot gevolg dat enkel die aangestelde werknemer verantwoordelijk is voor inbreuken op de Wet Welzijn Werknemers en de Codex over het Welzijn op het werk; dit ontslaat de werkgever niet van zijn verantwoordelijkheid erop toe te zien dat het beleid dat aldus werd opgedragen aan een werknemer naar behoren wordt gevoerd en toegepast en dat geen inbreuken worden gepleegd op de Wet Welzijn Werknemers en de Codex over het Welzijn van op het werk. Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSBESCHERMING Wettelijke bepalingen: Wet 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk - 04-08-1996 - Art. 5, §§ 1 en 2 - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Codex 28 april 2017 over het welzijn op het werk - 28-04-2017 - Artt. I.1-4 en I.1.2-11 - 27 ELI link Pub nr 2017A10461 Thesaurus CAS: MISDRIJF - TOEREKENBAARHEID - Natuurlijke personen Wettelijke bepalingen: Wet 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk - 04-08-1996 - Art. 5, §§ 1 en 2 - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Codex 28 april 2017 over het welzijn op het werk - 28-04-2017 - Artt. I.1-4 en I.1.2-11 - 27 ELI link Pub nr 2017A10461 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1762.N I JETTE CLEAN nv, met zetel te 1090 Jette, Léon Theodorstraat 157, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Daan De Backer, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. II AG REAL ESTATE PROPERTY MANAGEMENT nv, met zetel te 1000 Brussel, Kunstlaan 58, beklaagde, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei, 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen

  1. H. D., burgerlijke partij,
  2. O. T., burgerlijke partij,
  3. Y. T., burgerlijke partij,
  4. T. T., burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 1 december
  5. De eiseres I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiseres II doet afstand van haar cassatieberoep. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5, § 2, b), Wet Welzijn Werknemers en de artikelen I.1.-4 en I.2.-11 Codex over het Welzijn op het werk, alsook miskenning van het begrip hiërarchische lijn: het arrest oordeelt ten onrechte dat het slachtoffer van het ongeval geen deel uitmaakte van de hiërarchische lijn; het arrest steunt dit oordeel op irrelevante overwegingen en het houdt geen rekening met elementen die daar wel bepalend voor zijn; het gaat voorbij aan het feit dat de Wet Welzijn Werknemers bepaalt dat het aan de werkgever toekomt om de leden van zijn hiërarchische lijn aan te duiden en om hun bevoegdheden en verantwoordelijkheden te bepalen; dat het organogram en de functieomschrijving werden opgesteld door de werkgever is geen argument om te oordelen dat het slachtoffer geen deel uitmaakte van de hiërarchische lijn; dat geldt ook voor de omstandigheid dat niet zou zijn aangetoond dat het slachtoffer alle in de Codex over het Welzijn op het werk opgelegde taken heeft uitgevoerd; wel bepalend is de vraag of het slachtoffer was gemachtigd was om een deel van het werkgeversgezag uit te oefenen ten aanzien van de betrokken werknemer; het arrest leidt dit ook ten onrechte af uit de vaststelling dat niet blijkt dat het slachtoffer meer was dan een primus inter pares, ook al plande hij het werk van de ruitenwassers en controleerde dit op het vlak van de correcte uitvoering; de vraag of het slachtoffer deel uitmaakte van de hiërarchische lijn van de eiseres I moet worden onderzocht en beantwoord op basis van de vraag of hij bevoegd was om een deel van het werkgeversgezag uit te oefenen op de werkvloer, wat hier moet worden aangenomen; evenmin relevant zijn de overwegingen dat het slachtoffer slechts een opleiding lager secundair onderwijs heeft gevolgd en dat hij geen preventieadviseur of veiligheidsingenieur was, waaraan het hof van beroep een bedenking koppelt omtrent de geschiktheid van het slachtoffer om veiligheidsinstructies op te stellen; evenmin zijn relevant de vaststellingen dat het slachtoffer niet de sectoraal bepaalde ploegenpremie voor leidinggevenden ontving en dat de arbeidsovereenkomst en de loonfiches geen melding maken van de functie “chef laveur de vitre” (vrij vertaald als chef ruitenwasser).
  7. De aanstelling door een werkgever van een werknemer om het beleid van de werkgever uit te voeren met betrekking tot het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en aldus de aanwijzing als lid van de hiërarchische lijn van de onderneming van de werkgever, heeft niet tot gevolg dat enkel die aangestelde werknemer verantwoordelijk is voor inbreuken op de Wet Welzijn Werknemers en de Codex over het Welzijn op het werk. Dit ontslaat de werkgever niet van zijn verantwoordelijkheid erop toe te zien dat het beleid dat aldus werd opgedragen aan een werknemer naar behoren wordt gevoerd en toegepast en dat geen inbreuken worden gepleegd op de Wet Welzijn Werknemers en de Codex over het Welzijn van op het werk. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  8. Uit het arrest blijkt niet dat indien het appelgerecht had geoordeeld dat het slachtoffer wel deel had uitgemaakt van de hiërarchische lijn de beslissing op de strafvordering met betrekking tot de eiseres I anders zou geweest zijn. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  9. Uit het voorgaande volgt dat in zoverre het onderdeel de redenen betreffende het niet behoren van het slachtoffer tot de hiërarchische lijn bekritiseert, gericht is tegen redenen die de bestreden beslissing niet dragen en bijgevolg niet tot cassatie kan leiden. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  10. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek: door te oordelen dat uit geen enkel stuk blijkt dat het slachtoffer naast zijn taken als ruitenwasser diende toe te zien op de naleving van de regels inzake arbeidsveiligheid, laat staan dat hij de verantwoordelijke voor de veiligheid op de werf was en zelf veiligheidscontroles uitvoerde en dat het slachtoffer weliswaar diverse veiligheidsopleidingen volgde, maar hij slechts een opleidingsniveau lager secundair onderwijs had, miskent het arrest de bewijskracht van diverse stukken van het strafdossier; namelijk de processen-verbaal van verhoor van 2 juni 2019, het omstandig verslag, opgesteld door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk van de eiseres I en het proces-verbaal van de getuigenverhoren onder ede van 2 december 2020; het arrest miskent bovendien de bewijswaarde van de bedoelde stukken.
  11. Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat het onderdeel geheel opkomt tegen redenen die de bestreden beslissing niet dragen. Het onderdeel is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent akte van afstand van het cassatieberoep van de eiseres II. Verwerpt het cassatieberoep van de eiseres I. Veroordeelt de eiseressen tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 396,61 euro, waarvan de eiseres I 198,30 euro is verschuldigd en de eiseres II 198,31 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 2 mei 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230502.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.