← België

W.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:A

Art. 6

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 55, 56, 63 en 70 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 55, 56, 63 en 70 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSRECHTER Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 55, 56, 63 en 70 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 55, 56, 63 en 70 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 7 De kamer van inbeschuldigingstelling die in hoger beroep oordeelt over een verzoek tot bijkomend onderzoek overeenkomstig artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering en de onderzoeksgerechten die oordelen over de volledigheid van het onderzoek met het oog op de regeling van de rechtspleging, kunnen op basis van normale verwachtingen inschatten in welke mate de inspanningen en kosten van verder onderzoek al dan niet kennelijk onevenredig zullen zijn met het te verwachten resultaat ervan; door die loutere afweging doen de onderzoeksgerechten geen afbreuk aan de plichten van de onderzoeksrechter en de rechten van het beweerde slachtoffer van een misdrijf, noch vellen zij een opportuniteitsoordeel, maar onderwerpen zij het onderzoek aan een redelijkheidstoets; het Hof onderzoekt wel of de kamer van inbeschuldigingstelling uit haar vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Algemeen ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging ONDERZOEKSGERECHTEN Fiches 8 - 11 Artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM houdt voor de onderzoeksrechter of de kamer van inbeschuldigingstelling geen verplichting in om met betrekking tot eigendomsmisdrijven, in verhouding tot andere misdrijven, een meer effectief gerechtelijk onderzoek te voeren of te bevelen en in dergelijke zaken onderzoekshandelingen te stellen of te bevelen waarvan het te verwachten resultaat kennelijk in wanverhouding zal staan tot de te leveren inspanningen en te maken kosten; de enkele omstandigheid dat bepaalde onderzoekshandelingen, gesteld dat zij op het moment van de klachtneerlegging zouden zijn uitgevoerd, hadden kunnen bijdragen tot de opsporing van de daders van de aangeklaagde feiten en het verzamelen van relevant bewijs, gebiedt het onderzoeksgerecht niet om die onderzoekshandelingen alsnog te bevelen, ook al acht dat gerecht die handelingen inmiddels niet meer nuttig. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Fiches 12 - 13 De kamer van inbeschuldigingstelling die oordeelt dat de kosten en inspanningen van een nog te voeren onderzoek kennelijk onevenredig zullen zijn met het te verwachten resultaat ervan en om die reden verder onderzoek weigert, kan die beslissing niet motiveren aan de hand van gegevens die ingevolge dat oordeel noodzakelijkerwijze onbekend zullen blijven maar zij kan dat enkel doen aan de hand van normale algemene verwachtingen die zijn gebaseerd op concrete elementen die wel gekend zijn op het moment van de beslissing en het onderzoeksgerecht dient die gegevens te preciseren. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen ONDERZOEKSGERECHTEN Tekst van de beslissing Nr. P.23.0068.N I-II G. W., burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, nr. K/799/2022 van 14 april 2022 (hierna arrest I) en nr. K/2684/2022 van 22 december 2022 (hierna arrest II). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel

  1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 55, 56, 63 en 70 Wetboek van Strafvordering: het arrest II ontlast de onderzoeksrechter van verder onderzoek omdat “[h]et tijdsverloop maakt dat er geen verder nuttig wettelijk onderzoek kan gebeuren naar het telefoon- en e-mail verkeer, waarbij deze buitenlandse e-mail-adressen met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet zullen kunnen leiden tot enige identificatie van een persoon”, zelfs indien er nog recent mailverkeer wordt gevoegd, en “het evenmin nuttig [is] verder onderzoek te doen naar de talloze buitenlandse rekeningen, die door de zogenaamde beleggingsfirma zouden zijn gebruikt, vermits deze gelet op het tijdsverloop hoogstwaarschijnlijk niet meer bestaan en niet gekoppeld zullen kunnen worden aan een identificeerbaar persoon”; de onderzoeksrechter heeft zich beperkt tot een klachtbevestiging en heeft geen onderzoek gedaan naar de door de eiser verschafte bankrekeningnummers, oproepnummers en e-mailadressen; het is niet aan de onderzoeksrechter om wegens opportuniteitsredenen te beslissen geen onderzoek te voeren op grond van zijn inschatting of het haalbaar is om relevante gegevens te vinden; de kamer van inbeschuldigingstelling kon dan ook op grond van de redenen die ze vermeldt niet aannemen dat het onderzoek volledig was en er geen aanvullend onderzoek nodig was; er anders over oordelen impliceert een uitholling en een louter theoretische invulling van de onderzoeksplicht van de onderzoeksrechter en het recht van een slachtoffer op schadevergoeding ingevolge een misdrijf aan de hand van een klacht met burgerlijkepartijstelling.
  2. In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  3. De in het onderdeel vermelde bepalingen vereisen niet dat onderzoekshandelingen worden gesteld die niet te verantwoorden zijn in verhouding tot het redelijkerwijze te verwachten resultaat. Die bepalingen beletten de onderzoeksrechter dan ook niet om de omvang van zijn onderzoek in eerste instantie af te stemmen op zijn prima facie inschatting van de kennelijke onevenredigheid tussen de kosten en inspanningen vereist voor het stellen van bepaalde onderzoekshandelingen en de mogelijkheid om op grond van de te verwachten resultaten van die onderzoekshandelingen de daders van de aangeklaagde feiten op te sporen en relevant bewijs van die feiten te verzamelen, zoals bepaald in artikel 55 Wetboek van Strafvordering. Die inschatting is eventueel bij te sturen ingevolge de resultaten van bijkomende onderzoekshandelingen die de onderzoeksrechter kan stellen op vordering van het openbaar ministerie, op verzoek van de burgerlijke partij of op bevel van de kamer van inbeschuldigingstelling overeenkomstig artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering. Bovendien staat het aan het onderzoeksgerecht om te oordelen over de volledigheid van het onderzoek met het oog op de regeling van de rechtspleging en kan de kamer van inbeschuldigingstelling in hoger beroep alle bijkomende onderzoekshandelingen bevelen die het nodig acht om de zaak in staat van wijzen te brengen. Daarbij kunnen ook die onderzoeksgerechten op basis van normale verwachtingen inschatten in welke mate de inspanningen en kosten van verder onderzoek al dan niet kennelijk onevenredig zullen zijn met het te verwachten resultaat ervan. Door die loutere afweging doen de onderzoeksgerechten geen afbreuk aan de plichten van de onderzoeksrechter en de rechten van het beweerde slachtoffer van een misdrijf, noch vellen zij een opportuniteitsoordeel, maar onderwerpen zij het onderzoek aan een redelijkheidstoets. Het Hof onderzoekt wel of de kamer van inbeschuldigingstelling uit haar vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  4. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  5. Het arrest II oordeelt zoals in het onderdeel vermeld, alsook: - “[De eiser] houdt voor dat hij aanzienlijke bedragen heeft overgemaakt op buitenlandse rekeningen onder de belofte door de zich noemende [B.], beweerdelijk handelend voor ‘WINNGROUP(S)’, van vlugge grote winsten door middel van beleggingen in internationale fondsen zonder echter zijn belegde bedragen en de beloofde winsten te hebben ontvangen ondanks verzoek tot terugbetaling, waardoor hij aanzienlijke schade zou lijden”; - “De onderzoeksrechter heeft wel degelijk onderzoek gevoerd. Het internationale karakter van de ten laste gelegde feiten evenals het ontbreken van voldoende aanknopingspunten heeft gemaakt dat het onderzoek beperkt is gebleven”; - “Het onderzoek heeft dan ook geen nuttige gegevens opgeleverd die kunnen leiden tot de identificatie van de zich noemende [B.] of andere personen. De ten laste gelegde feiten kunnen ook niet toegerekend worden aan andere personen. De onderzoeksrechter werd dan ook terecht ontlast van verder onderzoek.” Uit het arrest II blijkt verder dat er sprake is van Slovaakse, Nederlandse, Litouwse, Britse, Poolse, Ierse, IJslandse en Italiaanse bankrekeningen.
  6. Op grond van die redenen en vaststellingen kan de kamer van inbeschuldigingstelling wettig oordelen dat de raadkamer de onderzoeksrechter terecht heeft ontlast van verder onderzoek. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM: met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel en door te oordelen dat een loutere klachtbevestiging volstaat voor de volledigheid van het gerechtelijk onderzoek, hebben de arresten I en II de onderzoeksrechter ontslagen van zijn verdragsrechtelijke plicht om een effectief strafrechtelijk onderzoek te voeren naar de arbitraire en strafbare eigendomsberoving waarvan de eiser het slachtoffer werd; het tijdsverloop is geen reden om de gevraagde onderzoekshandelingen niet uit te voeren omdat deze reden niet aan de orde zou zijn geweest indien de gevraagde onderzoekshandelingen tijdig waren uitgevoerd; het arrest motiveert ook niet waarom de gevraagde onderzoekshandelingen niet kunnen leiden tot de identificatie van een verdachte, noch waarom er buitensporige kosten zouden moeten worden gemaakt.
  8. In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  9. De arresten I en II oordelen niet dat een loutere klachtbevestiging volstaat voor de volledigheid van het gerechtelijk onderzoek. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  10. Artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM houdt voor de onderzoekrechter of de kamer van inbeschuldigingstelling geen verplichting in om met betrekking tot eigendomsmisdrijven, in verhouding tot andere misdrijven, een meer effectief gerechtelijk onderzoek te voeren of te bevelen en in dergelijke zaken onderzoekshandelingen te stellen of te bevelen waarvan het te verwachten resultaat kennelijk in wanverhouding zal staan tot de te leveren inspanningen en te maken kosten.
  11. De enkele omstandigheid dat bepaalde onderzoekshandelingen, gesteld dat zij op het moment van de klachtneerlegging zouden zijn uitgevoerd, hadden kunnen bijdragen tot de opsporing van de daders van de aangeklaagde feiten en het verzamelen van relevant bewijs, gebiedt het onderzoeksgerecht niet om die onderzoekshandelingen alsnog te bevelen, ook al acht dat gerecht die handelingen inmiddels niet meer nuttig.
  12. De kamer van inbeschuldigingstelling die oordeelt dat de kosten en inspanningen van een nog te voeren onderzoek kennelijk onevenredig zullen zijn met het te verwachten resultaat ervan en om die reden verder onderzoek weigert, kan die beslissing niet motiveren aan de hand van gegevens die ingevolge dat oordeel noodzakelijkerwijze onbekend zullen blijven. Zij kan dat enkel doen aan de hand van normale algemene verwachtingen die zijn gebaseerd op concrete elementen die wel gekend zijn op het moment van de beslissing. Het onderzoeksgerecht dient die gegevens te preciseren.
  13. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  14. Het arrest I stelt vast en oordeelt met eigen en van de beroepen beschikking overgenomen redenen: - “[De eiser] richtte overeenkomstig artikel 127 Wetboek Strafvordering een verzoek aan de onderzoeksrechter tot het uitvoeren van bijkomende onderzoekshandelingen meer bepaald : A. - navorsing relevante gegevens vermeend tradingplatform middels elke noodzakelijk geachte onderzoeksmaatregel, en dit via openbare bronnen, INTERPOL en telefonieonderzoek desgevallend via Internationale Rogatoire Commissies naar het Verenigd Koninkrijk en andere landen waar dit nuttig zou kunnen zijn om de waarheid te ontdekken; ([de eiser] voegde hierbij een door hem bekomen informatieblad, waaruit verdere contactgegevens blijken van de onbekende dader(s) en de door hen opgezette structuren […]. De persoon die zichzelf de heer [B.] noemde, belde steeds met de Britse telefoonnummers.) - opsporing van de betrokkenen die [de eiser] hebben opgelicht; - bankonderzoek naar de betrokken buitenlandse bankrekeningen, desgevallend via IRC, hun eigenaars en de ermee verrichte transacties, en zeker naar de bankrekeningen, die voorkomen in stuk 3, waarop [de eiser] gelden heeft gestort: (…), alsmede elke andere door uw Ambt nuttig geachte onderzoeksdaad B. - onderzoek naar de oproepnummers waarmee [de eiser] werd gecontacteerd, is relevant. De meeste oproepnummers werden vermeld in stuk 9 bij de klacht met burgerlijke partijstelling”; - “Het verzoek tot het verrichten van bijkomende onderzoeksverrichtingen kan niet worden toegestaan. De gevraagde bijkomende onderzoeksdaden zullen niet leiden tot identificatie van een verdachte. Door het internationaal karakter van de feiten zullen deze bijkomende onderzoeksdaden uitsluitend leiden tot buitensporige kosten” en “Het tijdsverloop maakt bovendien dat verdere opsporingen met betrekking tot de rekening- en telefoonnummers niet meer nuttig zijn.”
  15. Met die redenen en deze vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel, gesteund op de daar vermelde vaststellingen, motiveren de arresten I en II wel degelijk waarom de identificatie van een verdachte in het voorliggende geval onwaarschijnlijk is en de kosten in verhouding buitensporig zouden zijn, zodat de onderzoeksrechter geen bijkomende onderzoekshandelingen meer moet stellen en hij wordt ontlast van verder onderzoek. Voor het overige moesten de appelrechters de redenen van hun redenen niet vermelden. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  16. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 3bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste en tweede onderdeel en door te oordelen dat een loutere klachtbevestiging volstaat voor de volledigheid van het gerechtelijk onderzoek, behandelen de arresten I en II de eiser niet met de wettelijk vereiste zorgvuldigheid als slachtoffer en bejegenen zij hem niet correct; evenmin beantwoorden de arresten I en II ten genoegen van recht de argumenten van de eiser, zodat hij niet in staat werd gesteld te begrijpen waarom op een bepaalde wijze is geoordeeld.
  17. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste en tweede onderdeel beantwoordden de arresten I en II de argumenten van de eiser en stellen zij hem in staat de redenen voor de beslissingen te begrijpen. Daarvoor is niet vereist, ook niet door de in het onderdeel vermelde artikelen, dat de kamer van inbeschuldigingstelling de argumenten van de eiser tot in het detail beantwoordt. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  18. Voor het overige heeft het onderdeel dezelfde strekking als het eerste en het tweede onderdeel en is het om dezelfde redenen te verwerpen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten in het geheel op 132,41 euro, waarvan 97,41 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 2 mei 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230502.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.