id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:A
Art. 13
- 40 ELI link Pub nr 2004009876 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wet 9 december 2004 betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het ... -
Art. 13
- 40 ELI link Pub nr 2004009876 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Wet 9 december 2004 betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het ... -
Art. 13
- 40 ELI link Pub nr 2004009876 Fiches 4 - 7 Het recht om de voorlegging te vragen van een gegeven waaruit blijkt dat het bewijsmateriaal uit een buitenlands onderzoeksdossier voldoet aan de in het buitenland geldende wettigheidsvereisten, verleent aan de beklaagde echter nog niet het recht om de voeging te vragen van het ganse buitenlandse onderzoeksdossier, in zoverre dat nog niet-overgemaakte gegevens zou bevatten, om de enkele reden dat hij de regelmatigheid van alle in het buitenland uitgevoerde observaties wil nagaan; daarvoor moet de beklaagde wel eerst een onregelmatigheid aannemelijk maken in minstens één observatie die belang heeft voor de beslissing die verband houdt met zijn schuld; de rechter oordeelt op grond van het hem voorgelegde strafdossier onaantastbaar welke gegevens eventueel nog aan dat dossier moeten worden gevoegd ter vrijwaring van de voormelde rechten van de beklaagde en dat gegeven moet niet noodzakelijk bestaan uit een buitenlandse rechterlijke machtiging tot het uitvoeren van een bepaalde onderzoekshandeling, maar het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen niet te verantwoorden gevolgen afleidt. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Tekst van de beslissing Nr. P.22.1780.N I J. J. P. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kris Masson, advocaat bij de balie Antwerpen. II B. C. H. A., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Christophe Daerden, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 7 december
- De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep II
- Het arrest spreekt de eiser II vrij van de telastleggingen B.8 en B.
- In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep II bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van artikel 6.3.c EVRM en de artikelen 47bis en 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart de strafvordering ten aanzien van de eiser I ten onrechte ontvankelijk; de eiser I heeft naar aanleiding van zijn verhoor niet mogen telefoneren met de advocaat van zijn keuze; mede door de penibele omstandigheden van zijn arrestatie werd de eiser I in een kwetsbare positie geplaatst zonder de bijstand van een advocaat en werd hij geïntimideerd; het arrest is te beperkt en onjuist gemotiveerd en het antwoordt niet op eisers desbetreffende verweer.
- In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
- Een onjuiste toepassing van de wet levert mogelijk een schending van de wet op, maar geen motiveringsgebrek.
- Niet artikel 195 Wetboek van Strafvordering, maar wel artikel 149 Grondwet verplicht de vonnisrechter te antwoorden op de conclusie van een partij.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Met overname van de redenen van het beroepen vonnis (p. 23) oordeelt het arrest als volgt: “In besluiten werpt [de eiser I] de schending op van zijn recht op een eerlijk proces, met verwijzing naar artikel 6 EVRM en artikel 47bis Sv. Hij stelt dat hij geïntimideerd werd bij zijn verhoor teneinde afstand te doen van bijstand door zijn gebruikelijke raadsman. Deze stelling vindt geen steun in de elementen van het strafdossier en is een loutere bewering die door hem niet aannemelijk wordt gemaakt. Uit navolgend proces-verbaal 508113/2018 (st. 1004-1017) blijkt dat het initieel verhoor van [de eiser I] regelmatig is verlopen, en dat hij bijstand genoot van een raadsman, zoals voorgeschreven in de toepasselijke wettelijke bepalingen, zodat zijn recht op een eerlijk proces inzake geenszins geschonden is.” Aldus beantwoordt het arrest eisers verweer en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van artikel 13 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het “non bis in idem”-beginsel: het arrest oordeelt ten onrechte dat voormeld artikel 13 hier niet van toepassing is; de eiser I is in Engeland bij vonnis van 9 februari 2018 buiten vervolging gesteld voor de hem ten laste gelegde feiten; die buitenvervolgingstelling heeft gelet op de concrete omstandigheden ook betrekking op de feiten van de telastlegging B.5; de eiser I is in België zonder verder bewijs terug aangehouden voor dezelfde feiten; de eiser I was niet op de hoogte van de feiten; door de eiser I enkel vrij te spreken voor de telastlegging D.1 en niet voor de telastlegging B.5, geeft het arrest een onjuiste uitlegging van het “non bis in idem”-beginsel en is de beslissing onjuist gemotiveerd; het is daarbij niet duidelijk welke redenen het arrest van het beroepen vonnis overneemt.
- Een onjuiste toepassing van de wet levert mogelijk een schending van de wet op, maar geen motiveringsgebrek. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Er is geen onduidelijkheid over welke redenen het arrest van het beroepen vonnis overneemt. Het betreft de redenen (p. 22-23) die vermelden wat volgt: - de eiser I vraagt de onontvankelijkheid van de strafvordering vast te stellen met betrekking tot de telastleggingen B.5 en D.
- Hij verwijst naar een “Notice of Acquittal” (bericht van vrijspraak) van 9 februari 2018 en naar een “Court record sheet” (rechtbankverslag), waaruit blijkt dat het Crown Court te Southwark (Verenigd Koninkrijk) hem een “verdict of not guilty” (vonnis van niet-schuldigverklaring) verleende voor de invoer van 25 kilogram cocaïne op 16 juni 2017; - artikel 13 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering is toepasselijk op misdaden en wanbedrijven gepleegd buiten het grondgebied van het Rijk, zoals blijkt uit de titel van Hoofdstuk II. Deze bepaling is niet toepasselijk op de feiten zoals bepaald in de telastleggingen B.5 (te Zandhoven en/of bij samenhang elders in het Rijk) en D.1 (te Antwerpen en/of bij samenhang elders in het Rijk), zodat er geen aanleiding bestaat tot het onontvankelijk verklaren van de strafvordering op grond van deze bepaling; - de eiser I werd in het Verenigd Koninkrijk vrijgesproken wegens feiten die daar plaatsvonden, namelijk de invoer van 25 kilogram cocaïne op 16 juni 2017, en de kamer van inbeschuldigingstelling verklaarde bij arrest van 27 oktober 2020 de strafvordering lastens de eiser I onontvankelijk voor wat betreft de telastlegging B.7; - de telastleggingen B.5 en D.1 waarvoor de eiser I nog werd vervolgd, hebben betrekking op feiten gepleegd op Belgisch grondgebied. Concreet is de eiser I nog vervolgd wegens het vervoer op Belgisch grondgebied en de uitvoer vanuit België naar het Verenigd Koninkrijk van cocaïne en dit in de periode tussen 30 november 2016 en 9 december 2016, alsook voor het stellen van voorbereidende handelingen in het kader van de Drugwet (cannabis) op Belgisch grondgebied en dit in de periode tussen 21 mei 2017 en 13 juni
- Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van de artikelen 5 en 12 EVRM en artikel 195 Strafwetboek: de eiser I is ten onrechte in België aangehouden en gedurende acht maanden in hechtenis gehouden terwijl hij in Engeland, na eveneens een langdurige hechtenis, is vrijgesproken omdat hij van niets wist en het non bis in idem-beginsel van toepassing is; de redenen van het beroepen vonnis die het arrest overneemt, zijn achterhaald door de totaal nieuwe situatie; het arrest laat na die miskenning van een mensenrecht fatsoenlijk te beantwoorden.
- In zoverre het middel niet preciseert hoe en waarom de situatie ten tijde van het beroepen vonnis niet meer actueel was ten tijde van het arrest, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
- In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het tweede middel van de eiser I, is het om de daar aangehaalde redenen te verwerpen.
- Niet artikel 195 Wetboek van Strafvordering, maar wel artikel 149 Grondwet verplicht de vonnisrechter te antwoorden op de conclusie van een partij.
- De beslissing van de vonnisrechter over de ontvankelijkheid van de strafvordering en de schuld van de beklaagde aan de hem ten laste gelegde misdrijven houdt geen verband met de rechtmatigheid van de door de beklaagde ondergane voorlopige hechtenis.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Met overname van de redenen van het beroepen vonnis (p. 23) oordeelt het arrest: “Er is bovendien geen sprake van een schending van artikel 5 EVRM en van artikel 12 van de Grondwet, aangezien de al dan niet rechtmatigheid van de door [de eiser] ondergane voorlopige hechtenis geen invloed heeft op de regelmatigheid van de strafvordering. De rechtbank verwijst bovendien naar de arresten van de Kamer van Inbeschuldigingstelling van 13 april 2018, 11 mei 2018, 22 juni 2018, 24 augustus 2018 en 22 oktober 2018, waarbij de voorlopige hechtenis van [de eiser] werd beoordeeld en telkenmale regelmatig bevonden.” Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest houdt inzake de berekening van de redelijke termijn voor de berechting van de eiser I enkel rekening met de termijn van de procedure in België; de redelijke termijn is echter aangevangen met eisers aanhouding in Londen op 16 juni 2017; op 9 februari 2018 werd de eiser I in vrijheid gesteld met een “verdict of not guilty”; op 27 maart 2018 begon in België dezelfde procedure waarvoor de eiser I op 22 oktober 2018 in vrijheid werd gesteld; vier jaar en vier maanden later, waaraan nog de behandelingstermijn voor het Hof is toe te voegen, is de eiser I maar vrijgesproken voor twee van de drie oorspronkelijke telastleggingen, terwijl hij dit in Engeland voor alle feiten was; in zaken met meerdere verdachten moet de redelijke termijn individueel worden bepaald; het arrest doet dit niet; de eiser I had gewoon net als in Engeland voor de drie telastleggingen moeten worden vrijgesproken; dit had geen zes jaar moeten duren, maar onmiddellijk moeten gebeuren; het arrest motiveert dit opnieuw foutief en onjuist.
- Een onjuiste toepassing van de wet levert mogelijk een schending van de wet op, maar geen motiveringsgebrek. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- In zoverre het middel is afgeleid uit de in eisers tweede middel vergeefs aangevoerde onwettigheid, is het niet ontvankelijk.
- Het arrest (p. 29 en 37) oordeelt over de redelijke termijn als volgt: - de eiser I heeft in zijn grievenformulier en appelconclusie weliswaar de overschrijding van de redelijke termijn aangevoerd, maar daaruit geen rechtsgevolg afgeleid voor de ontvankelijkheid van de strafvordering of de strafmaat; - “Niettegenstaande door [de eiser I] een grief werd geformuleerd met betrekking tot de redelijke termijn, wordt enige beweerde overschrijding van de redelijke termijn op geen enkele wijze concreet gemaakt. Het hof (van beroep) stelt alleszins vast dat – gelet op de aard van de zaak, de houding van beklaagden en de houding van de met het onderzoek, de opsporing, de vervolging en de berechting belaste instanties – het vooronderzoek en de vervolging, zowel voor de eerste rechter als in graad van beroep een geheel normaal verloop heeft gekend, zonder onverantwoorde vertragingen of onverantwoord lange periodes van inactiviteit of onderbrekingen. De procedure kende in zijn geheel een normaal verloop. Er ligt dan ook geen enkele grond voor om omwille van het tijdsverloop sedert de feiten, enige strafvermindering toe te staan.” Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord.
- De behandeling van eisers zaak voor het Hof heeft niet ertoe geleid dat de redelijke termijn voor zijn berechting is overschreden.
- In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vijfde middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 195 en 210 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het recht op een eerlijk proces: het arrest oordeelt dat eisers appelconclusie een quasi letterlijke herneming is van de conclusie neergelegd voor de eerste rechter en dat de appelconclusie bijgevolg niet beantwoordt aan de vereisten van artikel 210 Wetboek van Strafvordering; dat is evenwel niet juist; de eiser I heeft niet het laatste woord gehad; de redelijke termijn is een grondrecht dat de openbare orde raakt; door niet te antwoorden op eisers appelconclusie schendt het arrest artikel 195 Wetboek van Strafvordering en miskent het eisers recht op een eerlijk proces.
- Niet artikel 195 Wetboek van Strafvordering, maar wel artikel 149 Grondwet verplicht de vonnisrechter te antwoorden op de conclusie van een partij. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- In zoverre het middel aanvoert dat de eiser I niet het laatste woord heeft gehad zoals bepaald in artikel 210, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk.
- Het arrest beantwoordt het verweer dat de eiser I voor de appelrechters heeft aangevoerd, met inbegrip van zijn verweer over de redelijke termijn. Aldus maakt het oordeel van de appelrechters dat eisers appelconclusie niet beantwoordt aan de vereisten van artikel 210, eerste lid, Wetboek van Strafvordering het voorwerp uit van een overtollige reden die de eiser I niet kan grieven. In zoverre is het middel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser II
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 13 van de wet van 9 december 2004 betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het Wetboek van strafvordering (hierna Wet Internationale Rechtshulp), alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest oordeelt dat de voeging van bijkomende stukken uit het dossier uit het Verenigd Koninkrijk niet noodzakelijk is aangezien er voldoende elementen uit dat dossier aan het Belgische strafdossier zijn gevoegd om te oordelen dat alles regelmatig is verlopen; het arrest antwoordt niet op de vraag van de eiser II om het openbaar ministerie uit te nodigen tot voeging van het volledige dossier uit het Verenigd Koninkrijk teneinde te kunnen nagaan welke observaties daar allemaal zijn uitgevoerd en om de regelmatigheid ervan te kunnen nagaan; een beklaagde moet niet aannemelijk maken dat bepaalde bewijselementen op onrechtmatige wijze zijn verkregen, maar moet de mogelijkheid krijgen om tegenspraak te voeren over de relevante stukken zoals de machtiging van de buitenlandse rechterlijke autoriteit tot uitvoering van de relevante onderzoekshandelingen; de verdediging moet inzage krijgen van alle pertinente elementen uit een gevoegd dossier, zowel à charge als à décharge, die beschikbaar zijn; daartoe behoren niet enkel de elementen die een rechtstreeks belang hebben voor de feiten van de zaak, maar ook deze die betrekking kunnen hebben op de ontvankelijkheid, de betrouwbaarheid en de volledigheid van de eerst vermelde elementen.
- Artikel 13 Wet Internationale Rechtshulp bepaalt dat in het kader van een in België gevoerde strafrechtspleging geen gebruik mag worden gemaakt van bewijsmateriaal: 1° dat in het buitenland op onregelmatige wijze is verzameld indien de onregelmatigheid: - volgens het recht van de Staat waarin het bewijsmateriaal is verzameld volgt uit de overtreding van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste; - de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal aantast; 2° waarvan de aanwending een miskenning inhoudt van het recht op een eerlijk proces.
- Wanneer de beslissing over de schuldigverklaring van een beklaagde steun vindt in bewijsmateriaal dat vanuit een buitenlands onderzoeksdossier is overgemaakt, zoals het resultaat van een in het buitenland uitgevoerde observatie, heeft de beklaagde op grond van de vermelde bepaling het recht te vragen om de voorlegging van een gegeven waaruit blijkt dat dit bewijsmateriaal voldoet aan de in het buitenland geldende wettigheidsvereisten. Daarvoor moet de beklaagde niet eerst aannemelijk maken dat het bewijs op onregelmatige wijze is verkregen.
- Het recht van verdediging van de beklaagde vereist bovendien dat het vermelde gegeven hem toelaat het vermelde bewijsmateriaal in concreto te betwisten.
- Dit alles verleent aan de beklaagde echter nog niet het recht om de voeging te vragen van het ganse buitenlandse onderzoeksdossier, in zoverre dat nog niet-overgemaakte gegevens zou bevatten, om de enkele reden dat hij de regelmatigheid van alle in het buitenland uitgevoerde observaties wil nagaan. Daarvoor moet de beklaagde wel eerst een onregelmatigheid aannemelijk maken in minstens één observatie die belang heeft voor de beslissing die verband houdt met zijn schuld.
- De rechter oordeelt op grond van het hem voorgelegde strafdossier onaantastbaar welke gegevens eventueel nog aan dat dossier moeten worden gevoegd ter vrijwaring van de voormelde rechten van de beklaagde. Dat gegeven moet niet noodzakelijk bestaan uit een buitenlandse rechterlijke machtiging tot het uitvoeren van een bepaalde onderzoekshandeling. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen niet te verantwoorden gevolgen afleidt.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Met de in het middel aangehaalde redenen oordeelt het arrest (p. 26-27) dat het onderzoek naar en de beoordeling van de regelmatigheid van de in het Verenigd Koninkrijk uitgevoerde observaties geen voeging van bijkomende stukken uit het Engelse politiedossier vereist omdat die regelmatigheid blijkt uit de reeds gevoegde observatieverslagen, de gegevens vermeld in het “log book” (logboek) en de “Certificates of Conviction” (certificaten van overtuiging).
- Het arrest dat aldus de procedurestukken vermeldt waaruit de regelmatigheid van de in het Verenigd Koninkrijk uitgevoerde observaties blijkt, verantwoordt de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Met de vermelde redenen motiveert het arrest ook waarom geen bijkomende stukken en dus evenmin het ganse Engelse strafdossier aan het voorliggende dossier moeten worden gevoegd en beantwoordt het eisers andersluidende verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Tweede middel van de eiser II
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: uit de redenen waarmee het arrest de aan de eiser II opgelegde straffen motiveert, blijkt niet dat het rekening houdt met de elementen die de eiser II over zijn persoonlijke toestand heeft aangevoerd met het oog op het verkrijgen van strafvermindering; de uiterst beknopte motivering die in het bijzonder steunt op de ernst van de feiten en de overschrijding van de redelijke termijn, biedt geen antwoord op eisers aanvoeringen.
- Krachtens artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering vermeldt het vonnis nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen waarom de rechter, als de wet hem daartoe vrije beoordeling overlaat, dergelijke straf of dergelijke maatregel uitspreekt. Bovendien verplicht artikel 149 Grondwet de rechter om de conclusie van een partij te beantwoorden, zonder dat de rechter daarom moet antwoorden op elk argument dat een partij aanvoert tot staving van haar verweer, maar dat geen afzonderlijk verweer uitmaakt.
- Het arrest steunt de aan de eiser opgelegde straffen op een geheel van redenen die het middel niet alle in de kritiek betrekt, waaronder de volgende redenen: - de beklaagden deinsden niet ervoor terug om deel te nemen aan de werking van een criminele organisatie en een vereniging gevormd met als oogmerk het plegen van inbreuken op de Drugwet; - verdovende middelen houden onmiskenbaar reële gevaren in voor de volksgezondheid en leiden tot maatschappelijke overlast en randcriminaliteit. De beklaagden werden evenwel gedreven door een hang naar grof en gemakkelijk geldgewin, daarbij volledig de gevaren van hun handelen voor de gezondheid en de levenskwaliteit van gebruikers negerende; - internationale drugtrafiek door criminele organisaties via transporten tussen verschillende Europese landen met onder meer het gebruik van dekladingen, het gebruik van legale juridisch commerciële structuren om de illegale activiteiten te verbergen, het inrichten van verborgen ruimtes in de door hen gebruikte voertuigen en de poging tot aanmaak van amfetamines in het Rijk vormen een manifeste bedreiging voor de volksgezondheid en de openbare veiligheid; - bij het bepalen van de strafmaat houdt het hof van beroep rekening met de bijzondere aard en ernst van de gepleegde feiten, het aandeel en de rol van elke beklaagde, waarbij de eiser II een aansturende en organiserende rol binnen het Belgische luik van de organisatie had, het streefdoel naar bijzonder grof en gemakkelijk geldgewin, het tijdsverloop sedert de feiten zonder dat de redelijke termijn is overschreden, het grootschalige en internationale karakter van de feiten gepleegd in het kader van een vereniging en criminele organisatie, het strafrechtelijk verleden van elke beklaagde op het ogenblik van de feiten, waarbij de eiser II ten tijde van de feiten meer dan vijftig veroordelingen opliep inzake verkeer en reeds meermaals correctioneel werd veroordeeld onder meer wegens feiten van valsheid in geschriften, douane en accijnzen en faillissementsinbreuken, alsook de leeftijd, de persoonlijke en sociale toestand en de persoonlijkheid van elke beklaagde voor zover deze uit het strafdossier, de behandeling ter rechtszitting en de neergelegde stukken zijn gebleken. Met die redenen beoordelen de appelrechters de invloed die zowel de ernst van de lastens de eiser II bewezen verklaarde feiten als zijn persoonlijkheid hebben op de uit te spreken straf, beantwoorden zij eisers verweer en is de beslissing over de strafmaat regelmatig met redenen omkleed, zonder dat de appelrechters moesten ingaan op elk argument waarmee de eiser II zijn aanvoeringen over zijn persoonlijke toestand heeft ondersteund, maar dat geen zelfstandig verweer uitmaakte. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 248,11 euro, waarvan eiser I 124,05 euro is verschuldigd, en eiser II 124,06 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 2 mei 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230502.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div