id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230505.1N.5 Rolnummer: C.22.0285.N Zaak: MS AMLIN INSURANCE SE c. VLAAMS AGENTSCHAP VOOR PERSONE Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2023-07-17 Raadplegingen: 1140 - laatst gezien 2026-06-15 20:51 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230505.1N.5 Fiche 1 De rechter vermag niet de door het Grondwettelijk Hof vastgestelde ongrondwettigheid van een wetsbepaling naar analogie uit te breiden tot een andere wetsbepaling waarover het Grondwettelijk Hof nog geen uitspraak heeft gedaan, ook al heeft deze laatste een gelijkaardige inhoud als deze die reeds door het Grondwettelijk Hof ongrondwettig is bevonden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Bevoegdheid - Allerlei Fiche 2 De appelrechters die het subrogatierecht van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, in de zin van voornoemd artikel 14, ook toepassen op vergoedingen die door derden krachtens het gemeen recht verschuldigd zijn voor het verlies van een kans op het leven zonder handicap, omdat de uitsluiting daarvan een schending zou uitmaken van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en aldus zelf de grondwettigheidstoetsing verrichten, schenden artikel 142 van de Grondwet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INDEPLAATSSTELLING Tekst van de beslissing Nr. C.22.0285.N MS AMLIN INSURANCE SE, met zetel te 1030 Schaarbeek, Koning Albert II-laan 37, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0644.921.425, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen VLAAMS AGENTSCHAP VOOR PERSONEN MET EEN HANDICAP, met zetel te 1030 Schaarbeek, Koning Albert II-laan 37, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0887.164.275, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 24 februari
- Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 6 april 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 26, § 2, eerste lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof is een rechtscollege, behoudens de wettelijk bepaalde uitzonderingen, gehouden aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen met betrekking tot de verenigbaarheid van de wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel met de artikelen van titel II “De Belgen en hun rechten” en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet, indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor dit college. Krachtens artikel 26, § 2, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof is het rechtscollege daartoe niet gehouden indien het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met een identiek onderwerp. De rechter vermag evenwel niet de door het Grondwettelijk Hof vastgestelde ongrondwettigheid van een wetsbepaling naar analogie uit te breiden tot een andere wetsbepaling waarover het Grondwettelijk Hof nog geen uitspraak heeft gedaan, ook al heeft deze laatste een gelijkaardige inhoud als deze die reeds door het Grondwettelijk Hof ongrondwettig is bevonden.
- Krachtens artikel 14, derde lid, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap worden de tegemoetkomingen van dit agentschap toegekend in afwachting van de daadwerkelijke schadeloosstelling krachtens gemeen recht. Krachtens artikel 14, vierde lid, van voormeld decreet treedt dit agentschap, ten belope van het bedrag van aan een persoon met een handicap uitgekeerde tegemoetkoming, in diens rechten en rechtsvorderingen tegen de derden die de schadeloosstelling, bedoeld in het derde lid van dit artikel, verschuldigd zijn.
- De appelrechters stellen vast dat: - de aansprakelijkheid waarvoor de eiseres moet instaan, strekt tot het vergoeden van schade die bestaat in het verlies van een kans op een leven zonder hersenschade; - deze schade niet dezelfde is als de daadwerkelijke schade waarvoor het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap tegemoetkomingen heeft verleend.
- Met verwijzing naar het arrest nr. 42/2017 van het Grondwettelijk Hof van 30 maart 2017, oordelen de appelrechters dat artikel 14 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre het de vergoeding van het verlies van een kans buiten beschouwing laat, zodat dit agentschap ook gesubrogeerd is in de rechten van de benadeelden ten belope van de vergoeding die aan hen in het gemeen recht zullen worden toegekend voor het verlies van de kans op een leven zonder hersenschade.
- Het Grondwettelijk Hof heeft in het voormelde arrest nr. 42/2017 van 30 maart 2017 geoordeeld dat artikel 136, § 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre het de vergoeding van de schade die voortvloeit uit het verlies van een kans, die men verschuldigd is op grond van het gemeen recht, buiten beschouwing laat. Dit arrest heeft geen identiek onderwerp.
- De appelrechters die het subrogatierecht van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, in de zin van voornoemd artikel 14, ook toepassen op vergoedingen die door derden krachtens het gemeen recht verschuldigd zijn voor het verlies van een kans op het leven zonder handicap, omdat de uitsluiting daarvan een schending zou uitmaken van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en aldus zelf de grondwettigheidstoetsing verrichten, schenden artikel 142 van de Grondwet. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Myriam Ghyselen, en in openbare rechtszitting van 5 mei 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230505.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230505.1N.5 geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.026 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div