id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:A
Art. 71
- 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering
Art. 72
- 30 ELI link Pub nr 1980121550 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 Wettelijke bepalingen: Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering
Art. 71
- 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering
Art. 72
- 30 ELI link Pub nr 1980121550 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0614.N T. E., vreemdelinge, vastgehouden, eiseres, met als raadsman mr. Pauline Delgrange, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1210 Brussel, Haachtsesteenweg 55, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris bevoegd voor Asiel en Migratie, met kantoor te 1000 Brussel, Pachecolaan 44, vrijwillig tussenkomende partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 6 april
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 5.4 EVRM, artikel 15.4 van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna Terugkeerrichtlijn) en de artikelen 7, vijfde lid, 71 en 72 Vreemdelingenwet: het arrest oordeelt ten onrechte dat het onderzoeksgerecht enkel bevoegd is voor een onderzoek ex tunc van de wettigheid van de beslissing tot vasthouding; het arrest laat na bij de beoordeling van de rechtmatigheid van eisers vasthouding de elementen in aanmerking te nemen die dateren van na de verlengingsbeslissing tot vasthouding (eerste onderdeel); door zich ten onrechte te beperken tot een wettigheidstoets ex tunc van de beslissing tot verlenging van de vrijheidsberoving, schenden de appelrechters de voormelde bepalingen (tweede onderdeel).
- Artikel 72, tweede lid, Vreemdelingenwet bepaalt dat het onderzoeksgerecht onderzoekt of de maatregelen van vrijheidsberoving of tot verwijdering van het grondgebied in overeenstemming zijn met de wet zonder zich te mogen uitspreken over hun gepastheid.
- Daaruit volgt dat het onderzoeksgerecht zich voor dit wettigheidsonderzoek noodzakelijkerwijze moet plaatsen op het ogenblik van de bestuurlijke beslissing van vrijheidsberoving of van de verlengende beslissing, tenzij de onwettigheid van die beslissing zou blijken uit achteraf aan het licht gekomen gegevens. Dit sluit niet uit dat het onderzoeksgerecht dat vaststelt dat niet langer is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor vrijheidsberoving, die vrijstelling van de vreemdeling beveelt. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 3.5 Terugkeerrichtlijn en van de artikelen 1, 5°, 6° en 7°, 7, 27, 71 en 72 Vreemdelingenwet, alsmede miskenning van het algemeen beginsel van de motiveringsplicht: het arrest geeft een onwettige invulling aan het begrip uitvoering van een verwijderingsmaatregel; een verwijderingsmaatregel is pas uitgevoerd wanneer de persoon het Belgisch grondgebied fysiek heeft verlaten; het arrest oordeelt ten onrechte dat de aanhouding en vasthouding reeds de uitvoering van de verwijderingsmaatregel inhoudt (eerste onderdeel); het arrest is bijgevolg niet naar behoren gemotiveerd (tweede onderdeel).
- Het arrest geeft geen uitlegging van het begrip uitvoering van een verwijderingsmaatregel in de zin van de vermelde bepalingen, maar wel van het begrip uitvoering van een bevel om het grondgebied te verlaten in de zin van de omzendbrief van 17 september
- In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Het aangevoerde motiveringsgebrek is afgeleid uit die onjuiste lezing. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 3 EVRM: het arrest beveelt de vrijlating van de eiseres niet ofschoon ze een medisch certificaat voorlegt waarin de arts vaststelt dat de medische toestand van de eiseres niet verenigbaar is met haar vasthouding.
- Uit artikel 3 EVRM kan niet worden afgeleid dat het onderzoeksgerecht louter op grond van een medisch attest opgesteld door een door een vreemdeling gekozen arts waarin wordt aangegeven dat zijn medische toestand niet verenigbaar is met zijn vasthouding, steeds de vrijlating van de vreemdeling moet bevelen. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 9 mei 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div