← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.2 Rolnummer: P.23.0219.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2023-06-12 Raadplegingen: 1023 - laatst gezien 2026-06-19 03:18 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Behalve wat de door artikel 41 Taalwet Gerechtszaken voorgeschreven verplichting betreft om melding te maken van de op grond van die wet toepasselijke bepalingen, verplichten noch artikel 149 Grondwet, noch artikel 195 Wetboek van Strafvordering, noch enige andere bepaling het hof van assisen of enige andere strafrechter om de wetsbepalingen te vermelden die betrekking hebben op de rechtspleging, zelfs wanneer die bepalingen in essentiële proceswaarborgen voorzien

(1); de loutere omstandigheid dat de veroordelende beslissing niet de toepasselijke bepalingen van het wetboek van strafvordering vermeldt, verhindert het Hof niet om na te gaan of de voorschriften van die bepalingen werden nageleefd; de omstandigheid dat de veroordelende beslissing werd gewezen door het hof van assisen na een beraad met de jury, doet hieraan geen afbreuk.
(1)Cass. 5 maart 2014, AR P.13.1793.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140305.2, AC 2017, nr. 177; Cass. 24 augustus 2004, AR P.04.0994.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040824.1, AC 2004, nr. 373; Cass. 16 juni 2004, AR P.04.0671.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040616.24, AC 2004, nr. 332; F. VAN VOLSEM, “De verplichting om in politie- en correctionele zaken de toegepaste wetsbepalingen te vermelden”, NC 2020, 282; F. VAN VOLSEM, “Een bijzonder aspect van de motiveringsverplichting in politie-en correctionele zaken: over de verplichting de toegepaste wetsbepalingen te vermelden”, in Amicus curiae. Liber amicorum Marc De Swaef, Intersentia, 2013, 457-458; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014,
  1. Wat betreft de vermelding van de toepasselijke wetsbepalingen door het hof van assisen (art. 344 Sv.), zie F. VAN VOLSEM, o.c., 2013, 445 en R. DECLERCQ, o.c.,
  2. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - EINDARREST Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 7 Bij een veroordeling tot het betalen van een bijdrage aan het Slachtofferfonds bij toepassing van artikel 29 van de voormelde wet van 1 augustus 1985 of van een bijdrage aan het Begrotingsfonds bij toepassing van artikel 4, § 3, van de voormelde wet van 19 maart 2017, verplichten noch artikel 195 Wetboek van Strafvordering, noch enige andere bepaling de rechter om melding te maken van de wetsbepalingen die de veroordeling tot betaling van deze bijdragen voorschrijft. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen - 01-08-1985 - Art. 29 - 30 ELI link Pub nr 1985021108 Wet 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand - 19-03-2017 - Art. 4, § 3 - 06 ELI link Pub nr 2017011424 Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen - 01-08-1985 - Art. 29 - 30 ELI link Pub nr 1985021108 Wet 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand - 19-03-2017 - Art. 4, § 3 - 06 ELI link Pub nr 2017011424 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen - 01-08-1985 - Art. 29 - 30 ELI link Pub nr 1985021108 Wet 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand - 19-03-2017 - Art. 4, § 3 - 06 ELI link Pub nr 2017011424 Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen - 01-08-1985 - Art. 29 - 30 ELI link Pub nr 1985021108 Wet 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand - 19-03-2017 - Art. 4, § 3 - 06 ELI link Pub nr 2017011424 Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - EINDARREST Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen - 01-08-1985 - Art. 29 - 30 ELI link Pub nr 1985021108 Wet 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand - 19-03-2017 - Art. 4, § 3 - 06 ELI link Pub nr 2017011424 Fiches 8 - 10 De rechter die een overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, kan die overschrijding remediëren door aan de veroordeelde een straf op te leggen die reëel en meetbaar lager is dan de straf die zou zijn opgelegd zonder die overschrijding; in dat geval is de rechter niet ertoe gehouden uitdrukkelijk melding te maken van de concrete straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet was overschreden; het is noodzakelijk maar voldoende dat de rechter vaststelt dat de door hem opgelegde straf lager is dan de straf die hij zou hebben opgelegd bij niet-overschrijding van de redelijke termijn
(1); uit het enkele feit dat de rechter die een overschrijding van de redelijke termijn vaststelt een straf uitspreekt die hoger is dan de straf die door het openbaar ministerie werd gevorderd, kan niet worden afgeleid dat die overschrijding niet is geremedieerd; wanneer ten aanzien van meerdere beklaagden of beschuldigden eenzelfde overschrijding van de redelijke termijn wordt vastgesteld en de rechter deze overschrijding remedieert door hen lagere straffen op te leggen dan deze die zouden zijn opgelegd zonder die overschrijding, is hij niet ertoe gehouden de door het openbaar ministerie ten aanzien van elke beklaagde of beschuldigde gevorderde straffen in dezelfde mate te verminderen.
(1)Cass. 28 februari 2023, AR P.22.1363.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.1, AC 2023, nr. 147; Cass. 10 januari 2023, AR P.22.1081.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.10, AC 2023, nr. 27; Cass. 18 oktober 2022, AR P.22.0913.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221018.2N.17, AC 2022, nr. 643; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1556-1557. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - EINDARREST Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 11 - 13 Artikel 4, § 3, eerste lid, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand bepaalt dat, behalve indien hij van de juridische tweedelijnsbijstand of rechtsbijstand geniet of indien de rechter oordeelt dat hij zich op het vlak van zijn bestaansmiddelen in een situatie bevindt waarbij hij beroep zou kunnen doen op juridische tweedelijnsbijstand of op rechtsbijstand, iedere door een strafgerecht veroordeelde verdachte, inverdenkinggestelde, beklaagde, beschuldigde of voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijke persoon, wordt veroordeeld tot het betalen van een bijdrage aan het Begrotingsfonds
(1); de strafrechter kan de in die bepaling bedoelde personen niet veroordelen tot het betalen van een bijdrage aan het Begrotingsfonds wanneer zij aantonen of aannemelijk maken dat zij van de juridische tweedelijnsbijstand of rechtsbijstand genieten of wanneer hij oordeelt dat zij zich op het vlak van hun bestaansmiddelen in een situatie bevinden waarbij zij hierop een beroep zouden kunnen doen
(2).
(1)Over de Wet van 19 maart 2017 zie J. PICARD, “En vigeur depuis le 1er mai 2007: le Fonds de financement de l'aide paiera en mai 2018”, JT 2017, 351; K. VANDERHEIDEN, “Bijdrage aan het Begrotingsfonds juridische tweedelijnsbijstand”, in Postal Memorialis, B 206, 2018, 4 p.; A. LINERS, K. VANDERHEIDEN, F. VAN VOLSEM en T. DE WOLF, Zakboekje strafprocesrecht, Kluwer, 2021, 205-206; A. COPPENS, “Bijdrageplicht Begrotingsfonds juridische tweedelijnsbijstand”, NJW 2022, 594-595; I. BRUGGEMAN, “Administratieve toeslag voor misdrijven”, in Postal Memorialis, A60, 2022, 30-31.
(2)GwH 25 juni 2020, arrest 94/2020, www.const-court.be; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021,
  1. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand - 19-03-2017 - Art. 4, § 3, eerste lid - 06 ELI link Pub nr 2017011424 Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Wettelijke bepalingen: Wet 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand - 19-03-2017 - Art. 4, § 3, eerste lid - 06 ELI link Pub nr 2017011424 Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Wettelijke bepalingen: Wet 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand - 19-03-2017 - Art. 4, § 3, eerste lid - 06 ELI link Pub nr 2017011424 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0219.N R. N. R. J. V., beschuldigde, aangehouden, eiser, met als raadslieden mr. Christian Clement, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Haantjeslei 69A, waar de eiser woonplaats kiest, en mr. Filip De Reuse, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 4 oktober 2022 over de straf. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest miskent de motiveringsverplichting door niet de toegepaste wetsbepalingen van het wetboek van strafvordering te vermelden; de verplichting om de wetsbepalingen te vermelden beperkt zich niet tot deze met betrekking tot het materieel strafrecht; elke wetsbepaling die een essentiële proceswaarborg verwoordt, moet worden vermeld in de motivering; zonder die vermelding kan niet worden nagegaan of de procedure wel werd nageleefd, zeker wanneer een lekenjury oordeelt, die immers niet vertrouwd is met noch kennis heeft van die bepalingen; afgezien van een verwijzing naar artikel 343 Wetboek van Strafvordering, vermeldt het arrest geen enkele bepaling van het wetboek van strafvordering, waarbij onder meer geen melding wordt gemaakt van artikel 344 Wetboek van Strafvordering, zodat niet kan worden nagegaan of de voorschriften van die bepaling werden nageleefd.
  3. Behalve wat de door artikel 41 Taalwet Gerechtszaken voorgeschreven verplichting betreft om melding te maken van de op grond van die wet toepasselijke bepalingen, verplichten noch artikel 149 Grondwet, noch artikel 195 Wetboek van Strafvordering, noch enige andere bepaling het hof van assisen of enige andere strafrechter om de wetsbepalingen te vermelden die betrekking hebben op de rechtspleging, zelfs wanneer die bepalingen in essentiële proceswaarborgen voorzien.
  4. De loutere omstandigheid dat de veroordelende beslissing niet de toepasselijke bepalingen van het wetboek van strafvordering vermeldt, verhindert het Hof niet om na te gaan of de voorschriften van die bepalingen werden nageleefd. De omstandigheid dat de veroordelende beslissing werd gewezen door het hof van assisen na een beraad met de jury, doet hieraan geen afbreuk.
  5. Het onderdeel, dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Tweede en derde onderdeel
  6. De onderdelen voeren schending aan van artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest miskent de materiële motiveringsplicht door de eiser te veroordelen tot het betalen van een bijdrage aan het Fonds tot hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders (hierna het Slachtofferfonds) zonder melding te maken van de rechtsgrond voor die veroordeling, namelijk artikel 29 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen (tweede onderdeel), en door hem te veroordelen tot het betalen van een bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand (hierna het Begrotingsfonds) zonder melding te maken van de rechtsgrond voor die veroordeling, namelijk artikel 4, § 3, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand (derde onderdeel).
  7. Bij een veroordeling tot het betalen van een bijdrage aan het Slachtofferfonds bij toepassing van artikel 29 van de voormelde wet van 1 augustus 1985 of van een bijdrage aan het Begrotingsfonds bij toepassing van artikel 4, § 3, van de voormelde wet van 19 maart 2017, verplichten noch artikel 195 Wetboek van Strafvordering, noch enige andere bepaling de rechter om melding te maken van de wetsbepalingen die de veroordeling tot betaling van deze bijdragen voorschrijft. De onderdelen, die uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen naar recht. Tweede middel
  8. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR, artikel 149 Grondwet en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: de veroordeling van de eiser tot drieëntwintig jaar opsluiting is niet naar recht verantwoord en niet regelmatig met redenen omkleed; ingevolge de vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn, was het hof van assisen ertoe gehouden de aan de eiser opgelegde straf op een reële en meetbare wijze te verminderen en kon het zich niet beperken tot een loutere stijlformule; de eerste beschuldigde en de tweede beschuldigde werden veroordeeld tot lagere straffen dan deze die door het openbaar ministerie werden gevorderd, terwijl de aan de eiser opgelegde straf van drieëntwintig jaar opsluiting een jaar meer is dan de straf die door het openbaar ministerie werd gevorderd, zodat dit niet als een reële en meetbare strafvermindering ingevolge de overschrijding van de redelijke termijn kan worden beschouwd.
  9. De rechter die een overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, kan die overschrijding remediëren door aan de veroordeelde een straf op te leggen die reëel en meetbaar lager is dan de straf die zou zijn opgelegd zonder die overschrijding. In dat geval is de rechter niet ertoe gehouden uitdrukkelijk melding te maken van de concrete straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet was overschreden. Het is noodzakelijk maar voldoende dat de rechter vaststelt dat de door hem opgelegde straf lager is dan de straf die hij zou hebben opgelegd bij niet-overschrijding van de redelijke termijn.
  10. Uit het enkele feit dat de rechter die een overschrijding van de redelijke termijn vaststelt een straf uitspreekt die hoger is dan de straf die door het openbaar ministerie werd gevorderd, kan niet worden afgeleid dat die overschrijding niet is geremedieerd.
  11. Wanneer ten aanzien van meerdere beklaagden of beschuldigden eenzelfde overschrijding van de redelijke termijn wordt vastgesteld en de rechter deze overschrijding remedieert door hen lagere straffen op te leggen dan deze die zouden zijn opgelegd zonder die overschrijding, is hij niet ertoe gehouden de door het openbaar ministerie ten aanzien van elke beklaagde of beschuldigde gevorderde straffen in dezelfde mate te verminderen.
  12. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  13. Het arrest (p. 2-3) oordeelt dat de gruwelijke aard van de gepleegde moord in beginsel de door de wet voorziene bestraffing als maatschappelijke vergelding vereist, maar houdt ten aanzien van de eiser ook rekening met verzachtende omstandigheden. Na vervolgens te hebben vastgesteld dat, niettegenstaande de te lange duur van het gerechtelijk onderzoek, de bijzondere ernst van de feiten nog steeds het opleggen van een straf rechtvaardigt, oordeelt het arrest (p. 4) dat met deze lange duur in het voordeel van de eiser rekening wordt gehouden om de normaal op te leggen straf reëel en meetbaar te verminderen. Aldus vermindert het arrest, zonder te vervallen in een stijlformule, op een reële en meetbare wijze de straf die zonder de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn aan de eiser zou zijn opgelegd. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
  14. Het middel voert schending aan van artikel 4, § 3, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand: het arrest veroordeelt de eiser tot het betalen van een bijdrage aan het Begrotingsfonds, terwijl de eiser voor het hof van assisen genoot van de kosteloze tweedelijnsbijstand en zich overigens ook louter al door zijn detentie in een situatie bevond waardoor hij een beroep kon doen op de kosteloze tweedelijnsbijstand, zodat hij niet tot de betaling van die bijdrage kon worden veroordeeld.
  15. Artikel 4, § 3, eerste lid, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand bepaalt dat, behalve indien hij van de juridische tweedelijnsbijstand of rechtsbijstand geniet of indien de rechter oordeelt dat hij zich op het vlak van zijn bestaansmiddelen in een situatie bevindt waarbij hij beroep zou kunnen doen op juridische tweedelijnsbijstand of op rechtsbijstand, iedere door een strafgerecht veroordeelde verdachte, inverdenkinggestelde, beklaagde, beschuldigde of voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijke persoon, wordt veroordeeld tot het betalen van een bijdrage aan het Begrotingsfonds.
  16. De strafrechter kan de in die bepaling bedoelde personen niet veroordelen tot het betalen van een bijdrage aan het Begrotingsfonds wanneer zij aantonen of aannemelijk maken dat zij van de juridische tweedelijnsbijstand of rechtsbijstand genieten of wanneer hij oordeelt dat zij zich op het vlak van hun bestaansmiddelen in een situatie bevinden waarbij zij hierop een beroep zouden kunnen doen.
  17. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor het hof van assisen heeft aangevoerd of het bewijs heeft bijgebracht dat hij van de juridische tweedelijnsbijstand genoot, noch dat hij heeft aangevoerd dat hij zich op het vlak van zijn bestaansmiddelen in een situatie bevond waardoor hij hierop een beroep zou kunnen doen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  18. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 47,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 9 mei 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250114.2N.17 precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040616.24 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040824.1 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140305.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221018.2N.17 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.10 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241105.2N.13 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250204.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.