← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5 Rolnummer: P.21.0332.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Handelsrecht - Unierecht Invoerdatum: 2023-06-12 Raadplegingen: 1271 - laatst gezien 2026-06-18 20:56 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vertaling in voorbereiding Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230509.2N.5 Fiches 1 - 3 Uit het antwoord van het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest van 2 maart 2023 in de gevoegde zaken C-410/21, Intertrans en C-661/21, Verbraeken en de eraan ten grondslag liggende overwegingen (ro 39-67) volgt dat weliswaar het bindend karakter van een door het bevoegde orgaan van een lidstaat afgegeven A1-verklaring niet verdwijnt door de mededeling door dat orgaan dat de bindende kracht van die verklaring voorlopig wordt opgeschort, maar dat de rechterlijke instantie van de lidstaat waar het werk wordt verricht, waarbij een strafprocedure aanhangig is gemaakt tegen personen die ervan worden verdacht die A1-verklaring op frauduleuze wijze te hebben verkregen of gebruikt, niettemin kan vaststellen dat er sprake is van fraude en die verklaring buiten beschouwing mag laten onder de voorwaarden dat er een redelijke termijn is verstreken zonder dat het orgaan van uitgifte standpunt heeft ingenomen betreffende het frauduleus karakter en de aan het recht op een eerlijk proces verbonden waarborgen worden geëerbiedigd

(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0332.N
  1. D. R. V., beklaagde,
  2. DRV INTERTRANS bv, met zetel te 8730 Beernem, Schooldreef 87, beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Frederik Vanden Bogaerde, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8830 Hooglede, Bruggesteenweg 315, waar de eisers woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 11 februari 2021, gewezen op verwijzing na arrest van het Hof van 9 april
  3. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. Het Hof heeft bij arrest van 29 juni 2021: - het eerste, het tweede en het derde middel verworpen; - met betrekking tot het vijfde middel een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie; - met betrekking tot het vierde middel eveneens een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie; - het antwoord op het zesde middel aangehouden tot aan de beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Bij arrest C-410/21, Intertrans en C-661/21, Verbraeken van 2 maart 2023 heeft het Hof van Justitie de prejudiciële vragen beantwoord. Op 18 april 2023 heeft advocaat-generaal Bart De Smet ter griffie van het Hof een schriftelijke conclusie ingediend. Op 26 april 2023 hebben de eisers als reactie op het voormelde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie een noot ingediend ter griffie. Op de rechtszitting van 9 mei 2023 heeft raadsheer Antoine Lievens opnieuw verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Vijfde middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 5 van de Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (hierna Verordening (EG) nr. 987/2009): het arrest oordeelt ten onrechte dat het feit dat de A1-documenten van de betrokken werknemers werden geschorst door de Slowaakse autoriteiten, inhoudt dat deze documenten geen enkele waarde meer hebben; de Slowaakse autoriteiten schenden evenwel de vermelde verordeningsbepaling met hun beslissing dat de A1-documenten voorlopig geen bindende kracht hebben in afwachting van de uitkomst van de voorliggende Belgische strafrechtelijke procedure; het is de autoriteiten van de lidstaat van uitgifte immers enkel toegelaten ofwel de A1-documenten gestand te houden ofwel ze in te trekken, dan wel ongeldig te verklaren; de voormelde wetsbepaling laat niet toe om de A1-documenten voorlopig in te trekken of te schorsen en zeker niet in afwachting van een beoordeling door de gerechtelijke autoriteiten van een andere lidstaat dan deze van uitgifte van de documenten; het arrest schendt de voormelde wetsbepaling door ervan uit te gaan dat de A1-documenten van de betrokken werknemers geschorst zijn en hieraan rechtsgevolgen te verbinden.
  5. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft met het arrest van 2 maart 2023 in de gevoegde zaken C-410/21, Intertrans en C-661/21, Verbraeken, de met betrekking tot dit middel gestelde prejudiciële vraag als volgt beantwoord: “Artikel 5 van verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 465/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012, moet aldus worden uitgelegd dat een door het bevoegde orgaan van een lidstaat afgegeven A1-verklaring bindend is voor de organen en de rechterlijke instanties van de lidstaat waar het werk wordt verricht, ook wanneer dat orgaan van afgifte na een verzoek van het bevoegde orgaan van laatstgenoemde lidstaat om die verklaring te herzien en in te trekken, heeft meegedeeld de bindende kracht ervan voorlopig op te schorten totdat het definitief op dat verzoek heeft beslist. In dergelijke omstandigheden kan een rechterlijke instantie van de lidstaat waar het werk wordt verricht, waarbij een strafprocedure aanhangig is gemaakt tegen personen die ervan worden verdacht die A1-verklaring op frauduleuze wijze te hebben verkregen of gebruikt, desondanks vaststellen dat er sprake is van fraude en die verklaring bijgevolg ten behoeve van die strafprocedure buiten beschouwing laten voor zover, ten eerste, een redelijke termijn is verstreken zonder dat het orgaan van uitgifte heeft onderzocht of de verklaring terecht is afgegeven, een standpunt heeft ingenomen over de door het bevoegde orgaan van de lidstaat van ontvangst verstrekte concrete gegevens die erop duiden dat die verklaring op frauduleuze wijze is verkregen of ingeroepen, en die verklaring in voorkomend geval nietig heeft verklaard of ingetrokken en, ten tweede, de aan het recht op een eerlijk proces verbonden waarborgen die aan die personen moeten worden verleend, worden geëerbiedigd”.
  6. Uit dit antwoord en de eraan ten grondslag liggende overwegingen (ro 39-67) volgt dat weliswaar het bindend karakter van een door het bevoegde orgaan van een lidstaat afgegeven A1-verklaring niet verdwijnt door de mededeling door dat orgaan dat de bindende kracht van die verklaring voorlopig wordt opgeschort, maar dat de rechterlijke instantie van de lidstaat waar het werk wordt verricht, waarbij een strafprocedure aanhangig is gemaakt tegen personen die ervan worden verdacht die A1-verklaring op frauduleuze wijze te hebben verkregen of gebruikt, niettemin kan vaststellen dat er sprake is van fraude en die verklaring buiten beschouwing mag laten onder de volgende voorwaarden: - er is een redelijke termijn verstreken zonder dat het orgaan van uitgifte standpunt heeft ingenomen betreffende het frauduleus karakter; - de aan het recht op een eerlijk proces verbonden waarborgen worden geëerbiedigd.
  7. Het arrest (p. 46, punt m)) oordeelt dat de A1-formulieren voorlopig werden ingetrokken door de Slowaakse autoriteiten, dat die de appelrechters dan ook niet binden en dat dit meebrengt dat zij geen bewijswaarde hebben betreffende het toepasselijke sociaalzekerheidssysteem. De appelrechters stellen evenwel niet vast dat een redelijke termijn is verstreken zonder dat het bevoegde Slowaakse orgaan van uitgifte heeft onderzocht of de A1-formulieren terecht zijn uitgereikt en een standpunt heeft ingenomen over de door de Belgische Sociale Inspectie verstrekte concrete gegevens die erop duiden dat die verklaring op frauduleuze wijze is verkregen of ingeroepen. Bij afwezigheid van die vaststelling kunnen de appelrechters zich niet uitspreken over de vraag of de A1-formulieren frauduleus werden verkregen en kunnen zij die ten behoeve van de strafprocedure niet buiten beschouwing laten. De beslissing over de strafvordering betreffende de feiten omschreven onder de telastleggingen A en B is dan ook niet naar recht verantwoord. Het middel is in zoverre gegrond. Overige grieven
  8. De overige grieven die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de strafvordering betreffende de feiten omschreven onder de telastleggingen A en B. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers tot een derde van de kosten van hun cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 461,40 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 9 mei 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230509.2N.5 voorafgegaan door: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210629.2N.16 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210629.2N.16 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211026.2N.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220419.2N.11 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220419.2N.11 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230509.2N.7 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230627.2N.28 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211026.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.