id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.7 Rolnummer: P.21.0738.N Zaak: J. Verbraeken en Zonen Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Unierecht - Sociale-zekerheidsrecht - Arbeidsrecht - Handelsrecht Invoerdatum: 2023-06-12 Raadplegingen: 1057 - laatst gezien 2026-06-19 03:30 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vertaling in voorbereiding Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230509.2N.7 Fiches 1 - 4 Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak C-17/19 (Bouyges travaux publics, Elco construct Bucarest, Welbond armatures) van 14 mei 2020 volgt dat moet worden onderzocht of de Belgische regelgever met de Dimona-aangifteplicht enkel een socialezekerheidsrechtelijke doelstelling heeft dan wel of hij daarnaast ook beoogt de doeltreffendheid van de door de bevoegde nationale autoriteiten uitgevoerde controles te waarborgen om ervoor te zorgen dat de in het arbeidsrecht vastgestelde arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden worden nageleefd
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Art. 13 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Art. 13 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSBESCHERMING Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Art. 13 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Art. 13 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Fiches 5 - 8 Artikel 4 KB Dimona van 5 november 2002 verplicht de werkgever aan de instelling die belast is met de inning van de socialezekerheidsbijdragen een aantal gegevens mee te delen betreffende de werkgever, de werknemer en zijn tewerkstelling en geeft uitlegging aan artikel 38 Wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels; die regeling heeft in elk geval tot doel te waarborgen dat de betrokken werknemers bij een van de takken van het socialezekerheidsstelsel zijn aangesloten en dus de naleving van de wetgeving ter zake te verzekeren; de Sociale documentenwet verplicht de werkgever bepaalde sociale documenten bij te houden; die wet beperkt de controledoelstelling van die documenten niet tot specifieke sociale wetten; bijgevolg is het personeelsregister dat met deze wet wordt verplicht gesteld, bedoeld om zowel de toepassing van de sociale wetten betreffende de sociale zekerheid als die betreffende het arbeidsrecht met inbegrip van de arbeidsreglementering te controleren
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Wettelijke bepalingen: Wet 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels - 26-07-1996 - Art. 38 - 31 ELI link Pub nr 1996021237 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - Art. 4 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSBESCHERMING Wettelijke bepalingen: Wet 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels - 26-07-1996 - Art. 38 - 31 ELI link Pub nr 1996021237 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - Art. 4 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Thesaurus CAS: ARBEID - SOCIALE DOCUMENTEN Wettelijke bepalingen: Wet 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels - 26-07-1996 - Art. 38 - 31 ELI link Pub nr 1996021237 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - Art. 4 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wettelijke bepalingen: Wet 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels - 26-07-1996 - Art. 38 - 31 ELI link Pub nr 1996021237 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - Art. 4 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Fiches 9 - 12 Uit de artikelen 4, § 1, 1., en 4, § 1bis Sociale Documentenwet en artikel 3, § 1 KB van 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten volgt dat de Dimona–aangifteplicht het bijhouden van een personeelsregister vervangt; daaruit moet worden afgeleid dat de regelgever met de invoering van de Dimona–aangifteplicht niet uitsluitend beoogt te verzekeren dat de betrokken werknemers zouden zijn aangesloten bij een sociaalzekerheidsstelsel en de naleving van de ter zake geldende regelgeving, maar daarnaast en dus bijkomend ook als doel heeft de doeltreffendheid te waarborgen van de door de bevoegde nationale autoriteiten uitgevoerde controles betreffende de in het arbeidsrecht vastgestelde arbeidsvoorwaarden en –omstandigheden; daaruit volgt ook dat de Dimona–aangifteplicht zich niet beperkt tot de tewerkstelling in België van werknemers door ondernemingen die enkel in België een werkelijke en duurzame vestiging hebben en dat de Koning de hem door de wetgever verleende bevoegdheid niet heeft overschreden
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Wettelijke bepalingen: KB nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 5 - 23-10-1978 - Art. 4, § 1, 1., en § 1bis - 01 ELI link Pub nr 1978102310 KB 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 08-08-1980 - Art. 3, § 1 - 03 ELI link Pub nr 1980080803 Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSBESCHERMING Wettelijke bepalingen: KB nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 5 - 23-10-1978 - Art. 4, § 1, 1., en § 1bis - 01 ELI link Pub nr 1978102310 KB 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 08-08-1980 - Art. 3, § 1 - 03 ELI link Pub nr 1980080803 Thesaurus CAS: ARBEID - SOCIALE DOCUMENTEN Wettelijke bepalingen: KB nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 5 - 23-10-1978 - Art. 4, § 1, 1., en § 1bis - 01 ELI link Pub nr 1978102310 KB 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 08-08-1980 - Art. 3, § 1 - 03 ELI link Pub nr 1980080803 Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wettelijke bepalingen: KB nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 5 - 23-10-1978 - Art. 4, § 1, 1., en § 1bis - 01 ELI link Pub nr 1978102310 KB 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 08-08-1980 - Art. 3, § 1 - 03 ELI link Pub nr 1980080803 Fiches 13 - 14 Uit van het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest van 2 maart 2023 in de gevoegde zaken C–410/21, Intertrans en C–661/21, Verbraeken en de eraan ten grondslag liggende overwegingen volgt dat het feit dat een onderneming een communautaire vergunning voor wegvervoer bezit weliswaar een gegeven kan zijn waarmee rekening moet worden gehouden bij de bepaling van de zetel of het domicilie van deze onderneming teneinde overeenkomstig artikel 13, lid 1, onder b), i), Verordening (EG) nr. 883/2004 vast te stellen welke nationale sociale zekerheidswetgeving van toepassing is, maar dat een dergelijke communautaire vergunning zich niet presenteert als het bewijs van het bestaan van een reële en duurzame vestiging van de onderneming die hierover beschikt; een dergelijke vergunning zich zeker niet presenteert als het onweerlegbaar bewijs daarvan en een dergelijke communautaire vergunning niet geldt als een lex specialis in relatie met artikel 13 Verordening (EG) nr. 883/2004
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot ... - 21-10-2009 Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg - 21-10-2009 Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Art. 13 Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot ... - 21-10-2009 Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg - 21-10-2009 Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Art. 13 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0738.N I VERBRAEKEN J. EN ZONEN bv, met zetel te 9090 Melle, Oude Brusselse Weg 20/A, met als lasthebber ad hoc Eddy Gevaert, met kantoor te 8790 Waregem, Caseelstraat 20, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Paul Bekaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8700 Tielt, Hoogstraat 34, waar de eiseres woonplaats kiest. II F. R. A. M. G. V. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Frederik Vanden Bogaerde, advocaat bij balie West-Vlaanderen met kantoor te 8830 Hooglede, Bruggesteenweg 315, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 18 maart
- De eiseres I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. Bij arrest van 26 oktober 2021 heeft het Hof: - de cassatieberoepen van de eisers I en II bij gebrek aan belang onontvankelijk verklaard in zoverre gericht tegen de beslissing om de eisers deels vrij te spreken voor de feiten van de telastlegging A; - het eerste middel van de eisers I en II verworpen; - met betrekking tot het derde, vijfde, zevende en negende onderdeel van het vijfde middel van de eiser II twee prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie; - het antwoord op de overige grieven van de eisers I en II aangehouden. Bij arrest C-410/21, Intertrans en C-661/21, Verbraeken van 2 maart 2023 heeft het Hof van Justitie deze prejudiciële vragen beantwoord. Op 19 april 2023 heeft advocaat-generaal Bart De Smet ter griffie van het Hof een schriftelijke conclusie ingediend. Op 26 april 2023 respectievelijk op 2 mei 2023 hebben de eiser II en de eiseres I als reactie op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie een noot ingediend ter griffie. Op de rechtszitting van 9 mei 2023 heeft raadsheer Antoine Lievens opnieuw verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen van de eiseres I Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd door enerzijds aan te nemen dat de aangehaalde argumenten niet overtuigen en de redenen van het beroepen vonnis integraal te hernemen, maar anderzijds de eiseres I toch gedeeltelijk vrij te spreken.
- Artikel 195 Wetboek van Strafvordering is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het middel naar recht.
- De omstandigheid dat de appelrechters aannemen dat de motieven van het beroepen vonnis niet worden weerlegd en het hof van beroep die motieven bijtreedt, belet niet dat het arrest met redenen anders beslist dan het beroepen vonnis op grond van nieuwe pas in hoger beroep door de eiseres I overgemaakte stukken. Hieruit kan geen tegenstrijdigheid in de motivering worden afgeleid. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 181 Sociaal Strafwetboek en de artikelen 4 en 8 van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels (hierna KB Dimona van 5 november 2002): het arrest oordeelt ten onrechte dat de Dimona-aangifteverplichting toepasselijk is voor de periodes waarvan het arrest vaststelt dat er A1-documenten voorhanden zijn en verklaart de telastlegging B bijgevolg ten onrechte bewezen voor die periodes; de Dimona-aangifteverplichting betreft immers enkel de sociale zekerheid, zodat bij het voorhanden zijn van A1-documenten die verplichting niet van toepassing is voor gedetacheerde werknemers; in de mate dat zou worden aangenomen dat het KB Dimona van 5 november 2002 verder gaat dan de sociale zekerheid, dan verzoekt de eiseres I het Hof vast te stellen dat dit ongrondwettig is.
- Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft met het arrest C-17/19 (Bouyges travaux publics, Elco construct Bucarest, Welbond armatures) van 14 mei 2020 (ro 42-54) geoordeeld dat: - de E101- en A1-verklaringen weliswaar bindende gevolgen hebben, maar dat deze enkel gelden voor de verplichtingen die worden opgelegd door de nationale socialezekerheidswetgevingen waarop de bij verordening nr. 1408/71 en verordening nr. 883/2004 tot stand gebrachte coördinatie betrekking heeft; - de E101- en A1-verklaringen geen bindende gevolgen hebben ten aanzien van de verplichtingen die door het nationale recht worden opgelegd op andere gebieden dan de sociale zekerheid in de zin van de verordeningen nr. 1408/71 en nr. 883/2004, zoals verplichtingen die verband houden met de arbeidsverhouding tussen werkgevers en werknemers, in het bijzonder met de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden voor werknemers; - het staat aan de nationale rechter om vast te stellen of de in de nationale regelgeving neergelegde verplichting tot aanmelding voor indienstneming uitsluitend tot doel heeft te waarborgen dat de betrokken werknemers bij een van de takken van het socialezekerheidsstelsel zijn aangesloten en er dus enkel toe strekt de naleving van de wetgeving ter zake te waarborgen – in welk geval de door het orgaan van afgifte verstrekte E101- en A1-verklaringen in beginsel in de weg zouden staan aan een dergelijke verplichting, dan wel of met deze verplichting tevens, zij het gedeeltelijk, wordt beoogd de doeltreffendheid van de door de bevoegde nationale autoriteiten uitgevoerde controles te waarborgen om ervoor te zorgen dat de in het arbeidsrecht vastgestelde arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden worden nageleefd, in welk geval die verklaringen geen enkele invloed zouden hebben op die verplichting, die namelijk hoe dan ook niet kan leiden tot de aansluiting van de betrokken werknemers bij een van de takken van het socialezekerheidsstelsel.
- Hieruit volgt dat moet worden onderzocht of de Belgische regelgever met de Dimona-aangifteplicht enkel een socialezekerheidsrechtelijke doelstelling heeft dan wel of hij daarnaast ook beoogt de doeltreffendheid van de door de bevoegde nationale autoriteiten uitgevoerde controles te waarborgen om ervoor te zorgen dat de in het arbeidsrecht vastgestelde arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden worden nageleefd.
- Artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels bepaalt: “De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, wijzigingen aanbrengen inzake de wijze van de inzameling van de gegevens nodig voor de toepassing van de sociale zekerheid en de fiscaliteit bij de werkgevers en de sociaal verzekerden, waarbij het beheer van de gegevens gebeurt overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, alle nuttige maatregelen nemen om de elektronische inzameling en de kwaliteit van de gegevens te bevorderen en te regelen.”
- Artikel 4 KB Dimona van 5 november 2002 verplicht de werkgever aan de instelling die belast is met de inning van de socialezekerheidsbijdragen een aantal gegevens mee te delen betreffende de werkgever, de werknemer en zijn tewerkstelling.
- Het KB Dimona van 5 november 2002 geeft aldus uitvoering aan de voormelde wet. Die regeling heeft in elk geval tot doel te waarborgen dat de betrokken werknemers bij een van de takken van het socialezekerheidsstelsel zijn aangesloten en dus de naleving van de wetgeving ter zake te verzekeren.
- De Sociale documentenwet verplicht de werkgever bepaalde sociale documenten bij te houden. Die wet beperkt de controledoelstelling van die documenten niet tot specifieke sociale wetten. Bijgevolg is het personeelsregister dat met deze wet wordt verplicht gesteld, bedoeld om zowel de toepassing van de sociale wetten betreffende de sociale zekerheid als die betreffende het arbeidsrecht met inbegrip van de arbeidsreglementering te controleren.
- Artikel 4, § 1, 1, Sociale documentenwet, zoals gewijzigd door artikel 2, 1°, van de wet van 24 januari 2003 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de veralgemening van de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, bepaalt dat de sociale documenten waarvan het bijhouden door dit besluit is opgelegd, het algemeen personeelsregister en het speciaal personeelsregister zijn. Artikel 4, § 1bis, Sociale documentenwet, zoals gewijzigd door artikel 2, 2°, van de wet van 24 januari 2003 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de veralgemening van de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling bepaalt: “De Koning kan de werkgevers, die de gegevens zoals door Hem bepaald krachtens artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, moeten mededelen aan de instelling, die belast is met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen, overeenkomstig de door de Koning bepaalde nadere regelen, vrijstellen van de verplichting om een algemeen personeelsregister bij te houden voor de werknemers wier gegevens medegedeeld worden.” Artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten bepaalt: “De werkgever die de verplichting heeft om een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling te verrichten krachtens het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, moet enkel een speciaal personeelsregister bijhouden in de gevallen bepaald in onderafdeling 2 van hoofdstuk II.”
- Uit deze bepalingen volgt dat de Dimona-aangifteplicht het bijhouden van een personeelsregister vervangt. Daaruit moet worden afgeleid dat de regelgever met de invoering van de Dimona-aangifteplicht niet uitsluitend beoogt te verzekeren dat de betrokken werknemers zouden zijn aangesloten bij een sociaalzekerheidsstelsel en de naleving van de ter zake geldende regelgeving, maar daarnaast en dus bijkomend ook als doel heeft de doeltreffendheid te waarborgen van de door de bevoegde nationale autoriteiten uitgevoerde controles betreffende de in het arbeidsrecht vastgestelde arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden.
- Daaruit volgt ook dat de Dimona-aangifteplicht zich niet beperkt tot de tewerkstelling in België van werknemers door ondernemingen die enkel in België een werkelijke en duurzame vestiging hebben en dat de Koning de hem door de wetgever verleende bevoegdheid niet heeft overschreden.
- Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de eiseres I is een kleine onderneming; aldus moet worden aanvaard dat de eiseres I onmogelijk anders kan handelen dan wat door haar zaakvoerder, de eiser II, is beslist; er kan de eiseres I geen fout ten laste worden gelegd; dat een dispatching, zelfs voor meerdere transportbedrijven, op één plaats gebeurt kan onmogelijk als een gebrekkige organisatie worden beschouwd en dat werd ook niet gemotiveerd door het arrest, zodat het bewezen verklaren van het moreel bestanddeel van het misdrijf voor de eiseres I, niet naar recht is gemotiveerd.
- Een onjuiste reden levert mogelijks een onwettigheid op, maar geen motiveringsgebrek. In zoverre het middel schending van artikel 149 Grondwet aanvoert, faalt het naar recht.
- Krachtens artikel 5, eerste lid, Strafwetboek, zoals hier toepasselijk, is een rechtspersoon strafrechtelijk verantwoordelijk voor misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen, of die, naar blijkt uit de concrete omstandigheden, voor zijn rekening zijn gepleegd.
- Bij de invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon met de wet van 4 mei 1999 is de wetgever uitgegaan van een autonome strafrechtelijke verantwoordelijkheid. Een rechtspersoon kan maar strafrechtelijk verantwoordelijk zijn indien op het niveau van de rechtspersoon de aanwezigheid van het door de strafbepaling vereiste materieel en moreel misdrijfbestanddeel wordt vastgesteld.
- Bij die beoordeling kan de rechter rekening houden met de gedragingen en verzuimen van de natuurlijke personen die voor of namens de rechtspersoon optreden. Die regel geldt ook voor kleine rechtspersonen.
- Wat betreft het moreel misdrijfbestanddeel houdt dit in dat, al naar gelang het geval, moet blijken dat de rechtspersoon heeft gehandeld met het vereiste bijzonder of algemeen opzet, onachtzaam is geweest dan wel heeft gehandeld met het vereiste deelnemingsopzet.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of met betrekking tot een rechtspersoon het moreel bestanddeel van een misdrijven aanwezig is en of een misdrijf aan de rechtspersoon kan worden toegerekend.
- Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 28 en 29) oordeelt als volgt: - het moreel bestanddeel is hier bewezen door de gebrekkige organisatie van de eiseres I, met name het feit dat de dispatching en planning van zowel de vrachtwagenbestuurders van de eiseres I zelf als van uab Van Daele F. gebeurt door dezelfde persoon vanuit dezelfde locatie in Melle, wat de inbreuken door de eiser II en F.V.D. faciliteerde; - niet alleen de dispatching en planning van beide vennootschappen gebeurde vanuit Melle, er waren op die site ook documenten van beide vennootschappen aanwezig, zoals ook aangegeven in het beroepen vonnis, wat evenzeer een gebrekkige organisatie bij de eiseres I aantoont; - bovendien blijkt duidelijk dat de bewezen gebleven telastleggingen een fout uitmaken in het beleid van de rechtspersoon; - hierdoor waren organisatorisch ook niet de nodige voorzieningen getroffen om de wettelijke normen inzake ter beschikkingstelling van de buitenlandse werknemers na te kunnen leven; - de eiseres I heeft in deze nagelaten om een voldoende adequaat, structureel en doortastend beleid te voeren. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat het moreel element voor de eiseres I verweten misdrijven aanwezig is en dat die misdrijven aan de rechtspersoon kunnen worden toegerekend. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middelen van de eiser II Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd door enerzijds aan te nemen dat de aangehaalde argumenten niet overtuigen en de redenen van het beroepen vonnis integraal te hernemen, maar anderzijds de eiser II toch gedeeltelijk vrij te spreken.
- Het middel heeft dezelfde strekking als het tweede middel van de eiseres I en is om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen te verwerpen. Derde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt niet wettig het verweer van de eiser II over de regelmatigheid van het verhoor van Y.
- Artikel 195 Wetboek van Strafvordering is vreemd aan de aangevoerde grief.
- Een onjuiste reden levert mogelijks een onwettigheid op, maar geen motiveringsgebrek in zin van artikel 149 Grondwet.
- Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 47bis, § 6, Wetboek van Strafvordering, artikel 62 Sociaal Strafwetboek en de artikelen 31 en 32 Taalwet Gerechtszaken: het arrest oordeelt ten onrechte dat Y. niet werd verhoord, maar dat het enkel een gesprek betrof; het verslag opgenomen in het proces-verbaal GE.45.FN.000332/2014 van 12 juni 2014 is immers het resultaat van gerichte vragen; het arrest neemt aldus ten onrechte aan dat de vereisten bepaald in de vermelde wetsbepalingen niet toepasselijk zijn.
- Een verhoor in de zin van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering, artikel 62 Sociaal Strafwetboek en de artikelen 31 en 32 Taalwet Gerechtszaken is een geleide ondervraging door een daartoe bevoegde ambtenaar opgenomen in een proces-verbaal met als doel de waarheid te achterhalen. Die wetsbepalingen zijn niet van toepassing op verklaringen of aanwijzingen van een persoon die op zijn gedrag of situatie wordt aangesproken door een daartoe bevoegde ambtenaar, wiens interpellatie enkel is bedoeld om zich een juist beeld van de vastgestelde feiten te vormen teneinde vervolgens een gepaste beslissing te kunnen nemen.
- De rechter oordeelt rekening houdend met de concrete omstandigheden onaantastbaar of de verklaring van een persoon een verhoor uitmaakt in de zin van de voormelde wetsbepalingen.
- Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt onder meer als volgt: - op 12 juni 2014 voerde de scheepvaartpolitie in de Gentse zeehaven een routinecontrole uit met het oog op beeldvorming transportsector Gentse haven, waarbij vrachtwagenbestuurder Y. werd gecontroleerd op zijn documenten; - ter gelegenheid van deze controle deelde de vrachtwagenbestuurder zijn identiteit mee, voor welke firma hij aan het rijden was en welke zijn werkomstandigheden waren; - dergelijke noodzakelijke dialoog tijdens een identiteitscontrole, de antwoorden op vragen naar identiteit en naar het verblijf in België, vallen niet onder de zogenaamde Salduzverplichtingen; - er werd trouwens geen proces-verbaal van vaststellingen opgemaakt ten aanzien van Y. of zijn werkgever; - er werd enkel een proces-verbaal van inlichtingen opgemaakt en aan de arbeidsauditeur gestuurd; - een proces-verbaal van verhoor werd in deze niet opgesteld en diende ook niet te worden opgesteld bij gebrek aan verhoor; - de verbalisant bracht enkel de identiteitsgegevens van de vrachtwagen-bestuurder en diens werkgever samen met de vaststellingen uit het met de bestuurder gevoerde gesprek ter kennis aan het arbeidsauditoraat; - er dient trouwens te worden benadrukt dat de betrokken vrachtwagenbestuurder Y. geen deel uitmaakt van het daarna ingestelde opsporingsonderzoek en gerechtelijk onderzoek. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat het gesprek met Y. geen verhoor is in de zin van de voormelde wetsbepalingen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Voor het overige is het onderdeel gericht tegen overtollige motieven, kan het niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert miskenning aan van de bewijskracht van akten: door te oordelen dat het gesprek opgenomen in het verslag dat het proces-verbaal GE.45.FN.000332/2014 bevat geen verhoor is, geeft het daarvan een uitlegging die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan.
- De miskenning van de bewijskracht van een akte bestaat erin dat de bekritiseerde beslissing verwijst naar een geschrift en die beslissing aan dat geschrift een vermelding toeschrijft die niet erin voorkomt dan wel verklaart dat het geschrift een vermelding niet bevat die wel erin voorkomt.
- Met de in het antwoord op het tweede onderdeel vermelde redenen schrijft het arrest geen vermelding toe aan het proces-verbaal GE.45.FN.000332/2014 die niet erin voorkomt en verklaart het niet dat dit proces-verbaal een vermelding niet bevat die wel erin voorkomt. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 62 Sociaal Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat het gesprek met Y. geen verhoor is omdat het niet kadert in een opsporings- of een gerechtelijk onderzoek; de in artikel 62 Sociaal Strafwetboek bepaalde verplichtingen zijn krachtens artikel 17 Sociaal Strafwetboek ook van toepassing op politieambtenaren.
- Het arrest oordeelt niet dat het gesprek geen verhoor is in de zin van artikel 62 Strafwetboek omdat het niet kadert in een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek, maar wel dat er geen sprake is van een ondervraging in de zin van de artikelen 31 en 32 Taalwet Gerechtszaken. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Uit het antwoord op het tweede onderdeel volgt dat het onderdeel voor het overige opkomt tegen overtollige redenen, het niet tot cassatie kan leiden en bijgevolg in zoverre niet ontvankelijk is. Vijfde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering; het arrest beantwoordt niet eisers verweer om de bedoelde chauffeur ter rechtszitting te horen; het arrest legt niet uit waarom dergelijke oproeping niet noodzakelijk is.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser II voor de appelrechters ondergeschikt heeft gevraagd, indien het hof van beroep zou twijfelen over de aard van het gesprek met Y., de verbalisant op te roepen als getuige ter rechtszitting teneinde de juiste aard van het gesprek te achterhalen. Met de redenen vermeld in het antwoord op het tweede onderdeel beoordeelt het arrest de aard van het gesprek met Y. en oordeelt het dat dit geen verhoor betreft, zodat de appelrechters niet twijfelen over de aard van het gesprek. De appelrechters dienden bijgevolg niet te antwoorden op het doelloze verzoek dat er van uitgaat dat de appelrechters hieraan wel twijfelen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Zesde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM: door de chauffeur niet als getuige “à charge à décharge” te horen ter rechtszitting miskent het arrest eisers recht van verdediging.
- Het arrest is afgeleid uit de vergeefs met het vijfde onderdeel aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. Vierde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 47bis, § 2, Wetboek van Strafvordering: de eiser II werd verhoord, zonder dat hem voldoende kennis is gegeven van zijn in die bepaling vermelde rechten; de vermelding “mijn transportactiviteiten” volstaat niet om te voldoen aan de vereiste dat de verhoorde persoon kennis moet worden gegeven van het onderwerp van het verhoor; het aldus verkregen bewijs moet worden verwijderd conform artikel 47bis, § 9, Wetboek van Strafvordering; het arrest oordeelt ten onrechte dat de bedoelde vermelding volstaat als mededeling van de feiten.
- In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of een verhoorde verdachte kennis werd gegeven van zijn in artikel 47bis, § 2, Wetboek van Strafvordering bepaalde rechten.
- Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt als volgt: - de verhoorde, ongeacht diens hoedanigheid van slachtoffer, getuige of verdachte, moet voor zijn verhoor op beknopte wijze kennis krijgen van de feiten waarover hij zal worden verhoord; - bij een verhoor als mogelijke verdachte betekent de beknopte mededeling van de feiten waarover men zal worden verhoord niet dat een uitgebreide toelichting moet worden gegeven betreffende de feiten; - dat is vaak en ook in het verhoor van de eiser II niet mogelijk, omdat in het beginstadium de feiten nog niet vaststaan en het verhoor juist tot doel heeft de feiten te reconstrueren om ze te kunnen kwalificeren; - de bedoeling is de verdachte in kennis te stellen van het soort dossier waarover hij zal worden ondervraagd, in casu de transportactiviteiten die de eiser II met zijn vennootschappen ontwikkelt; - de toelichting moet de persoon in staat stellen te weten over welk feit hij zal worden verhoord. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de toelichting die voor de aanvang van het verhoor aan de eiser II werd gegeven, voldoet aan de vereisten van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195, Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt onvoldoende eisers verweer betreffende het niet informeren van de rechten van de eiser II bij zijn verhoor.
- Artikel 195 Wetboek van Strafvordering is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
- Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel beantwoordt en verwerpt het arrest het in het onderdeel bedoelde verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Vijfde middel Derde, vijfde, zevende en negende onderdeel
- Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 5, 11 en 12 van de Verordening (EG) 1071/2009 van 21 oktober 2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad (hierna Verordening (EG) nr. 1071/2009) en artikel 4 van de Verordening (EG) 1072/2009 van 21 oktober 2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg (hierna Verordening (EG) nr. 1072/2009): het arrest weigert aan te nemen dat het bestaan van een wegvervoersvergunning het bewijs oplevert van een reële en duurzame vestiging in de lidstaat van de EU, waar deze is verkregen. Het vijfde onderdeel voert schending aan van artikel 5, 11 en 12 Verordening (EG) nr. 1071/2009 en artikel 4 Verordening (EG) nr. 1072/2009: het arrest weigert aan te nemen dat het bewijs van het bestaan van een reële en duurzame vestiging die blijkt uit de verstrekking van een vervoersvergunning onweerlegbaar is, aangezien enkel de lidstaat van uitgifte bevoegd is voor de sanctionering van een eventuele inbreuk en de intrekking van de vergunning. Het zevende onderdeel voert schending aan van artikel 13.1 Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (hierna Verordening (EG) nr. 883/2004): het arrest weigert de verbinding te aanvaarden tussen het zetelbegrip en het begrip reële en duurzame vestiging in die verordening. Het negende onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt niet eisers ondergeschikte argumentatie dat in zoverre de vervoersvergunning niet richtinggevend en onweerlegbaar zou zijn er minstens met de criteria van de praktische handleiding nopens de wetgeving die van toepassing is op werknemers en zelfstandigen van de EU, zoals uitgevaardigd door de Europese Commissie rekening moet worden gehouden.
- Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft met het arrest van 2 maart 2023 in de gevoegde zaken C-410/21, Intertrans en C-661/21, Verbraeken, de met betrekking tot dit middel gestelde prejudiciële vragen als volgt beantwoord: “Artikel 13, lid 1, onder b), i), van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, zoals gewijzigd bij verordening nr. 465/2012, gelezen in het licht van artikel 3, lid 1, onder a), en van artikel 11, lid 1, van verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van richtlijn 96/26/EG van de Raad, alsook van artikel 4, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg, moet aldus worden uitgelegd dat het feit dat een vennootschap een communautaire vergunning voor het wegvervoer bezit die is afgegeven door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat, niet het onweerlegbare bewijs vormt dat zij met het oog op de bepaling van de toepasselijke nationale wettelijke regeling inzake sociale zekerheid overeenkomstig artikel 13, lid 1, onder b), i), van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd bij verordening nr. 465/2012, haar maatschappelijke zetel in deze lidstaat heeft”.
- Uit dit antwoord en de eraan ten grondslag liggende overwegingen (ro 69-81) volgt dat het feit dat een onderneming een communautaire vergunning voor wegvervoer bezit weliswaar een gegeven kan zijn waarmee rekening moet worden gehouden bij de bepaling van de zetel of het domicilie van deze onderneming teneinde overeenkomstig artikel 13, lid 1, onder b), i), Verordening (EG) nr. 883/2004 vast te stellen welke nationale sociale zekerheidswetgeving van toepassing is, maar dat: - een dergelijke communautaire vergunning zich niet presenteert als het bewijs van het bestaan van een reële en duurzame vestiging van de onderneming die hierover beschikt; - een dergelijke vergunning zich zeker niet presenteert als het onweerlegbaar bewijs daarvan; - een dergelijke communautaire vergunning niet geldt als een lex specialis in relatie met artikel 13 Verordening (EG) nr. 883/
- In zoverre de onderdelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
- Het arrest oordeelt met eigen redenen en met overname van de redenen van het beroepen vonnis als volgt: - het gegeven dat uab Van Daele F. beschikt over een communautaire vervoersvergunning uitgereikt door de Litouwse overheid, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat wat het aan de eisers I en II ter beschikking gestelde personeel betreft de eiser II zich heeft schuldig gemaakt aan een frauduleuze handeling om te doen geloven aan het bestaan van een valse persoon, een valse onderneming, een fictief ongeval of enige andere fictieve gebeurtenis of om op andere wijze misbruik te hebben gemaakt van het vertrouwen, namelijk door het gebruik van de firma uab Van Daele F. om chauffeurs in België te werk te stellen zonder Belgische socialezekerheidsbijdragen in die periode voor die chauffeurs te moeten betalen; - het onderzoek reveleerde dat de vervoersactiviteit die zogezegd door de Litouwse firma uab Van Daele F. werd uitgeoefend in werkelijkheid volledig vanuit Melle werd georganiseerd; - uit de op pagina 34 van het beroepen vonnis uiteengezette feiten, blijken voldoende elementen die gewichtig en onderling overeenstemmend zijn om buiten elke redelijke twijfel tot het besluit te komen dat bewust een constructie werd opgezet waarbij de transportactiviteiten van uab Van Daele F. geleid en gerund werden vanuit Melle, dus vanuit België en meer bepaald vanuit de eiseres I; - uit het voorgaande blijkt duidelijk dat het personeelsbeheer en de bedrijfsvoering van de uab Van Daele F. in werkelijkheid werd gevoerd vanuit Melle en op dezelfde manier werd gevoerd als voor de eiseres I. De chauffeurs kregen in werkelijkheid hun instructies vanuit België, van F.V.D. en van de eiser II, ze werken ook enkel en alleen in opdracht van deze laatste in België; - het is bewezen dat uab Van Daele F. minstens in de relatie met de eiseres I optrad als vehikel en dat de door haar tewerkgestelde chauffeurs in werkelijkheid hun activiteiten uitvoerden voor en onder het werkgeversgezag van de eiseres I met zetel te Melle; - uit het verhoor van de eiser II blijkt dat de eiser II op de hoogte was van de manier waarop werd gewerkt en van het feit dat de tewerkstelling van de chauffeurs, administratie, dispatching en bedrijfsvoering, in werkelijkheid vanuit Melle werden geregeld; - de eiser II en F.V.D. handelden bewust en vrijwillig, dit is wetens en willens; er werd welbewust gewerkt via uab Van Daele F. in Litouwen teneinde de illusie te creëren dat de chauffeurs werden tewerkgesteld in Litouwen om op die manier geen socialezekerheidsbijdragen te moeten betalen aan de Belgische Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Met die redenen onderzoekt het arrest de relevantie van het bestaan van de communautaire vervoersvergunning bij de beoordeling van het bestaan van een reële en duurzame vestiging van een onderneming in Litouwen en beantwoordt en verwerpt dit het door de eiser II ter zake gevoerde verweer, zonder dat het moet antwoorden op elk argument ter ondersteuning van dat verweer dat evenwel geen afzonderlijk middel vormt. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt niet eisers uitvoerig verweer dat het bestaan van een vervoersvergunning afbreuk doet aan de telastlegging A.
- Artikel 195 Wetboek van Strafvordering is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
- Met de redenen die het arrest (p. 23) bevat, beantwoordt en verwerpt dit het in het onderdeel bedoelde verweer, zonder dat het moet antwoorden op elk argument ter staving van dat verweer, dat evenwel geen afzonderlijk middel vormt. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede, vierde, zesde en achtste onderdeel
- Het tweede onderdeel voert aan dat het arrest eisers verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen niet beantwoordt. Het vierde onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt niet het in het derde onderdeel vermelde verweer. Het zesde onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt niet het in het vijfde onderdeel vermelde verweer. Het achtste onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt niet het in het zevende onderdeel vermelde verweer.
- Gelet op de door het Hof bij arrest van 26 oktober 2021 gestelde prejudiciële vragen, het door het Hof van Justitie van de Europese Unie gegeven antwoord en het voormelde antwoord van het Hof op het derde, vijfde, zevende en negende onderdeel, heeft de eiser II geen belang meer bij deze onderdelen. De onderdelen zijn niet ontvankelijk. Zesde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 181 Sociaal Strafwetboek en de artikelen 4 en 8 KB Dimona van 5 november 2002: het arrest oordeelt ten onrechte dat de Dimona-aangifteverplichting hier toepasselijk is; deze verplichting betreft evenwel enkel de sociale zekerheid, zodat bij het voorhanden zijn van A1-documenten die verplichting niet van toepassing is voor gedetacheerde werknemers; het arrest veroordeelt aldus ten onrechte de eiser II voor de telastlegging B, voor de periodes waarin het arrest vaststelt dat er A1-documenten voorhanden zijn.
- Het middel heeft dezelfde strekking als het derde middel van de eiseres I en is om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen te verwerpen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 208,51 euro, waarvan de eiseres I 104,24 euro is verschuldigd en de eiser II 104,26 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 9 mei 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230509.2N.7 voorafgegaan door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211026.2N.5 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211026.2N.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220419.2N.11 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220419.2N.11 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230627.2N.28 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.28 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250520.2N.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div