id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230512.1N.9 Rolnummer: C.22.0322.N Zaak: IMEX LIVESTOCK TRADERS CC contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2023-07-24 Raadplegingen: 583 - laatst gezien 2026-06-18 21:49 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 In geval van een onrechtmatige overheidsdaad begint de verjaringstermijn van vijf jaar voor schuldvorderingen tot schadevergoeding pas te lopen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan het slachtoffer kennis had van de schade en van de identiteit van de aansprakelijke overheid, zelfs al kan de omvang van de schade op dat ogenblik nog niet precies worden bepaald
(1).
(1)Zie GwH. Arrest nr.144/2021 van 14 oktober 2021, r.o.B4; Cass. 29 april 2022, AR C.20.0198.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220429.1F.4, AC 2022, nr.
- Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Begrip. Vormen Wettelijke bepalingen: Gecoördineerde wetten 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit - 17-07-1991 - Art. 100, eerste lid, 1° - 46 ELI link Pub nr 1991071751 Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Wettelijke bepalingen: Gecoördineerde wetten 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit - 17-07-1991 - Art. 100, eerste lid, 1° - 46 ELI link Pub nr 1991071751 Tekst van de beslissing Nr. C.22.0322.N
- IMEX LIVESTOCK TRADERS CC, vennootschap naar Zuid-Afrikaans recht, met zetel te 6530 George (Zuid-Afrika) Yorkstreet, Nedbankcentre 109,
- M.A.V.E. eiseressen, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiseressen woonplaats kiezen, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, met kabinet te 1000 Brussel, Waterloolaan 115, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 14 februari
- Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 30 maart 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseressen voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 100, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteit zijn de schuldvorderingen, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschied is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan, verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat vervallen, onverminderd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen. In geval van een onrechtmatige overheidsdaad begint voormelde verjaringstermijn van vijf jaar voor schuldvorderingen tot schadevergoeding pas te lopen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan het slachtoffer kennis had van de schade en van de identiteit van de aansprakelijke overheid. De omstandigheid dat de omvang van de schade op dat ogenblik nog niet precies kan worden bepaald, doet hieraan geen afbreuk.
- De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - in het kader van een opsporingsonderzoek inzake witwasmisdrijven er in de loop van de maand mei 2010 strafrechtelijk beslag werd gelegd op een aantal rekeningen van de eiseressen bij Keytrade Bank; - bij beslissing van de substituut-procureur des Konings de rekeningen op 30 januari 2013 werden vrijgegeven aan de eiseressen; - het strafrechtelijk dossier uiteindelijk op 4 september 2013 zonder gevolg werd gerangschikt; - de eiseressen de instrumenterende procureur des Konings verwijten zich niet naar behoren te hebben gekweten van zijn wettelijke taak die erin bestaat dat hij bij de inbeslagname dient in te staan voor een waardevast beheer van de in beslag genomen vermogensbestanddelen; - volgens de eiseressen er tijdens de inbeslagname helemaal geen sprake was van enig beheer; - de vordering van de eiseressen tegen de verweerder gesteund is op artikel 1382 en volgende Oud Burgerlijk Wetboek; - in geval van een onrechtmatige overheidsdaad de schuldvordering in principe tot stand komt op het ogenblik waarop de schade ontstaat of waarop haar toekomstige verwezenlijking naar redelijke verwachting vaststaat; - de omstandigheid dat de omvang van de schade nog niet precies vaststaat op dat ogenblik, hieraan geen afbreuk doet; - volgens de eiseressen de rekeningen die in beslag werden genomen, beschouwd dienen te worden als snel fluctuerende rekeningen waarvan de gelden en effecten snel na de inbeslagname dienden te worden overgemaakt aan het COIV voor verder beheer, wat in deze niet gebeurde; - bij brief van 23 december 2011 de raadsman van de eiseressen het volgende liet weten aan de instrumenterende substituut-procureur des Konings: “Volledigheidshalve deel ik u nog mee dat mijn cliënt heeft kunnen vaststellen dat de geblokkeerde portefeuille, waarbinnen alle aandelen in beslag werden genomen, ondertussen een enorme waardevermindering heeft gekend gelet op het totale onbeheer ervan”; - in voornoemd schrijven geen loutere vermoedens worden geuit, maar door de eiseressen aan de instrumenterende parketmagistraat in duidelijke bewoordingen, die niet voor enige interpretatie vatbaar zijn, wordt meegedeeld dat zijzelf hebben kunnen vaststellen dat hun geblokkeerde portefeuille een enorme waardevermindering heeft gekend door een gebrek aan beheer van de betrokken parketmagistraat; - de eerste rechter uit voornoemd schrijven terecht heeft afgeleid dat de eiseressen minstens op 23 december 2011 kennis hadden van het door hen aangevoerde schadeverwekkende feit, met name het totale gebrek aan beheer van de in mei 2010 inbeslaggenomen gelden en effecten, van het bestaan van de schade, met name de waardevermindering van de portefeuille en van de identiteit van de persoon die aansprakelijk kan worden gesteld, met name de verweerder voor de daden en nalatigheden van parketmagistraten, en dat de eiseressen in staat waren een causaal verband te leggen tussen het schadeverwekkende feit en de schade; - de eerste rechter even terecht oordeelde dat het feit dat de omvang van de schade op 23 december 2011 nog niet precies vaststond, hieraan geen afbreuk doet.
- Met deze redenen verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing dat de vordering van de eiseressen minstens op 23 december 2011 is ontstaan, zodat met toepassing van artikel 100, eerste lid, Wet Rijkscomptabiliteit de vijfjarige verjaringstermijn is beginnen lopen op 1 januari 2011, en de vordering van de eiseressen, betekend aan de verweerder op 14 juli 2017, derhalve verjaard is. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.
- In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de verjaring van een vordering tot schadevergoeding in geval van een voortdurende fout van de overheid pas begint te lopen zodra het foutief handelen van de overheid heeft opgehouden te bestaan, berust het op een onjuiste rechtsopvatting en faalt het bijgevolg naar recht. […] Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseressen tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseressen op 269,12 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Myriam Ghyselen, en in openbare rechtszitting van 12 mei 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230512.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220429.1F.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div