id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230516.2N.15 Rolnummer: P.23.0658.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-05-25 Raadplegingen: 1065 - laatst gezien 2026-06-19 03:55 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Indien tegen een veroordeelde aan wie de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling werd toegekend, nieuwe veroordelingen worden uitgesproken die de naleving van de aan die strafuitvoeringsmodaliteit verbonden bijzondere voorwaarden onmogelijk maken, en de feiten waarvoor de nieuwe veroordelingen zijn uitgesproken dateren van vóór de proeftijd verbonden aan de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling, dan is een herroeping van deze strafuitvoeringsmodaliteit mogelijk op grond van artikel 64, 7°, Wet Strafuitvoering; de strafuitvoeringsrechtbank dient in dat geval te onderzoeken of de veroordeelde, rekening houdende met de nieuwe veroordelingen, zich nog in de tijdsvoorwaarden bevindt voor de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling en indien de veroordeelde als gevolg van die nieuwe veroordelingen zich niet langer meer bevindt in de tijdsvoorwaarden voor de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling dient zij tot de herroeping over te gaan
(1).
(1)Cass. 28 februari 2023, AR P.23.0174.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.12, AC 2023, nr. 155 met concl. van advocaat-generaal B. DE SMET. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 64, 7° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiche 2 Bij afwezigheid van een duidelijk wettelijk of reglementair kader betreffende de wijze waarop deze toelaatbaarheidsdatum voor de voorwaardelijke invrijheidstelling moet worden bepaald en gelet op de uit artikel 5 Gerechtelijk Wetboek voortvloeiende verplichting voor het Hof om uitspraak te doen over de aan het Hof voorgelegde rechtsvraag, dient in het licht van het principe dat definitieve vrijheidsstraffen gelijktijdig, proportioneel en niet-opeenvolgend worden uitgevoerd, dat die straffen worden getotaliseerd en dat er slechts één strafuitvoering is, voor de toepassing van artikel 64, 7°, Wet Strafuitvoering de toelaatbaarheidsdatum voor de voorwaardelijke invrijheidstelling ingeval van nieuwe veroordelingen tijdens de proeftijd van een voorwaardelijke invrijheidstelling voor feiten die dateren van vóór die proeftijd, als volgt te worden berekend:
(1)indien de nieuwe veroordelingen worden uitgevoerd tijdens de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling, waarbij de datum van het in kracht van gewijsde gaan van die veroordelingen in beginsel niet relevant is, blijft de aanvangsdatum voor de uitvoering van de straf de datum die werd in acht genomen bij de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling zodat de nieuwe veroordelingen niet tot gevolg hebben dat de hechtenistitels die als grondslag hebben gediend voor de voorwaardelijke invrijheidstelling worden gedeactiveerd;
(2)de bepaling van het uitvoerbaar gedeelte als bedoeld in artikel 25, § 2, a), Wet Strafuitvoering dient in dat geval te gebeuren door optelling van de uitvoerbare straffen die zijn gesteund op de oude hechtenistitels op grond waarvan de voorwaardelijke invrijheidstelling is toegekend met de uitvoerbare straffen ingevolge nieuwe hechtenistitels;
(3)indien blijkt dat de veroordeelde op de datum van het in uitvoering gaan van de nieuwe titels reeds een derde van het totaal van de uitvoerbare straffen gegrond op de oude en de nieuwe hechtenistitels heeft ondergaan, voldoet hij aan de tijdsvoorwaarde voor een voorwaardelijke invrijheidstelling en is een herroeping van de toegekende voorwaardelijke invrijheidstelling op grond van artikel 64, 7°, Wet Strafuitvoering niet mogelijk
(1).
(1)L.GOFFAUX, “Berekening van vrijheidsstraffen toegelicht vanuit de praktijk”, in E. MAES en A. JONCKHEERE (red.), Strafberekening, uitvoering en cumul van straffen, Antwerpen, Gompel & Scavina, 2021,
- Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 25, § 2, a) - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 64, 7° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 5 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 3 De afwijzing van een op artikel 64, 7°, Wet Strafuitvoering gegronde herroepingsvordering wegens nieuwe veroordelingen tijdens de proeftijd van een voorwaardelijke invrijheidstelling voor de feiten daterend van vóór die proeftijd, leidt niet automatisch tot de invrijheidstelling van de veroordeelde aangezien de veroordeelde van zijn vrijheid is beroofd ter uitvoering van de nieuwe hechtenistitels; het staat in een dergelijk geval aan de veroordeelde om een nieuw verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling in te dienen en aangezien hij zich in de tijdsvoorwaarden bevindt voor een voorwaardelijke invrijheidstelling en de hem reeds toegekende voorwaardelijke invrijheidstelling niet wordt herroepen omdat niet voldaan is aan de voorwaarde van artikel 64, 7°, Wet Strafuitvoering, kan de veroordeelde daartoe dadelijk een verzoek indienen. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 64, 7° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0658.N K. C. F. D. R., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Kris Luyckx, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 27 april 2023, gewezen op verwijzing bij arrest van het Hof van 12 april
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zeven middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. RELEVANTE GEGEVENS
- De eiser was aanvankelijk gedetineerd ter uitvoering van drie titels, namelijk een gevangenisstraf van vijf jaar waartoe hij werd veroordeeld bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 13 november 2019, een gevangenisstraf van veertig maanden waartoe hij werd veroordeeld bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 21 februari 2018 en een strafrestant van 566 dagen wegens een herroepen voorwaardelijke invrijheidstelling bij vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 20 maart 2017 (hierna de strafuitvoeringsrechtbank).
- Bij vonnis van 31 juli 2018 werd aan de eiser de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht toegekend. Die strafuitvoeringmodaliteit werd herroepen bij vonnis van 23 augustus
- Bij vonnis van 31 mei 2021 werd aan de eiser de strafuitvoeringsmodaliteit van de beperkte detentie toegekend, welke een aanvang nam op 10 juni
- Bij vonnis van 23 december 2021 werd aan de eiser de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht toegekend, welke een aanvang nam op 30 december
- De strafuitvoering nam volgens de op 31 december 2021 geviseerde detentiefiche een aanvang op 17 februari 2017 en zou een einde kennen op 18 december
- Bij vonnis van 26 september 2022 werd aan de eiser de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling toegekend, welke een aanvang nam op 4 oktober
- De eiser werd bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 4 november 2021 veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van achttien maanden voor feiten daterend uit de periode van 1 juli 2013 tot 9 januari
- Het cassatieberoep tegen dit arrest werd verworpen bij arrest van het Hof van 17 mei
- De eiser werd bij vonnis van de correctionele rechtbank Antwerpen van 10 juni 2022 veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van drie jaar voor feiten daterend uit de periode van 17 februari 2017 tot 9 maart
- Bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 7 december 2022 werd de afstand van eisers hoger beroep tegen dit vonnis vastgesteld.
- De voormelde titels van 4 november 2021 en 10 juni 2022 werden in uitvoering gebracht. Volgens de eiser verblijft hij als gevolg daarvan sinds 23 december 2022 in de gevangenis.
- De op 27 december 2022 geviseerde detentiefiche vermeldt als aanvang van de straf 1 december 2022 en als strafeinde 15 juni
- Bij vonnis van 10 januari 2023 van de strafuitvoeringsrechtbank werd de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling herroepen op grond van artikel 64, 3°, Wet Strafuitvoering.
- Tegen dit vonnis heeft de eiser cassatieberoep ingesteld.
- Bij arrest P.23.0174.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.12 van 28 februari 2023 heeft het Hof het vonnis van 10 januari 2023 vernietigd en de zaak verwezen naar hetzelfde rechtscollege, anders samengesteld, en dit op de volgende gronden: - indien tegen een veroordeelde nieuwe veroordelingen worden uitgesproken die de naleving van de bijzondere voorwaarden onmogelijk maken, is de herroeping van de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling op grond van artikel 64, 3°, Wet Strafuitvoering slechts mogelijk indien de feiten waartoe die nieuwe veroordelingen aanleiding hebben gegeven, werden gepleegd tijdens de proeftijd verbonden aan de voorwaardelijke invrijheidstelling; - indien de feiten waarvoor de nieuwe veroordelingen werden uitgesproken evenwel dateren van vóór de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling, is een herroeping op grond van artikel 64, 3°, Wet Strafuitvoering niet mogelijk, ook niet als die feiten werden gepleegd tijdens de proeftijd verbonden aan een voorheen toegekende strafuitvoeringsmodaliteit; - de herroeping van de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling is volgens artikel 64, 7°, Wet Strafuitvoering mogelijk indien de veroordeelde zich niet meer in de tijdsvoorwaarden voor de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit bevindt; - het staat in dat geval aan de strafuitvoeringsrechtbank bij wie een vordering tot herroeping van die strafuitvoeringsmodaliteit aanhangig is en die is gegrond op nieuwe veroordelingen wegens feiten daterend van vóór de aan die strafuitvoeringsmodaliteit verbonden proeftijd, te onderzoeken of de veroordeelde nog aan de tijdsvoorwaarden voldoet voor de strafuitvoeringsmodaliteit waarvan de herroeping wordt gevorderd.
- Bij vonnis van 10 maart 2023 van de strafuitvoeringsrechtbank werd beslist de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet te herroepen en werd geoordeeld dat de eiser niet toelaatbaar was op basis van de nieuwe straffen.
- Bij arrest P.23.0428.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230412.2N.1 van 12 april 2023 heeft het Hof het vonnis van 10 maart 2023 vernietigd en de zaak verwezen naar hetzelfde rechtscollege, anders samengesteld, en dit op de volgende gronden: - indien tegen een veroordeelde aan wie de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling werd toegekend, nieuwe veroordelingen worden uitgesproken die de naleving van de aan die strafuitvoeringsmodaliteit verbonden bijzondere voorwaarden onmogelijk maken, en de feiten waarvoor de nieuwe veroordelingen zijn uitgesproken dateren van vóór de proeftijd verbonden aan de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling, dan is een herroeping van deze strafuitvoeringsmodaliteit mogelijk op grond van artikel 64, 7°, Wet Strafuitvoering; - de strafuitvoeringsrechtbank dient in dat geval te onderzoeken of de veroordeelde, rekening houdende met de nieuwe veroordelingen, zich nog in de tijdsvoorwaarden bevindt voor de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Indien de veroordeelde als gevolg van die nieuwe veroordelingen zich niet langer meer bevindt in de tijdsvoorwaarden voor de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling dient zij tot de herroeping over te gaan; - het vonnis dat enerzijds oordeelt dat volgens de detentiefiche van 5 september 2022 de eiser zich sinds 23 november 2019 bevindt in de tijdsvoorwaarden voor de hem bij vonnis van 26 september 2022 toegekende voorwaardelijke invrijheidstelling en die voorwaardelijke invrijheidstelling bijgevolg dan ook niet wordt herroepen en anderzijds oordeelt dat volgens de detentiefiche van 2 januari 2023 de eiser slechts op 20 juni 2024 aan de tijdsvoorwaarden voor een nieuwe voorwaardelijke invrijheidstelling zal voldoen, zodat hij op het ogenblik van het vonnis niet toelaatbaar is voor een voorwaardelijke invrijheidstelling op basis van de nieuwe straffen, schendt artikel 64, 7°, Wet Strafuitvoering. Het vonnis kan immers niet én oordelen dat door de nieuwe veroordelingen de eiser niet voldoet aan de tijdsvoorwaarden voor een voorwaardelijke invrijheidstelling én toch beslissen dat de toegekende voorwaardelijke invrijheidstelling niet wordt herroepen.
- Het thans bestreden vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank van 27 april 2023 oordeelt als volgt: - de eiser bevindt zich niet meer in de tijdsvoorwaarden voor de op 26 september 2022 toegekende strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling; - wanneer meerdere straffen op verschillende data in uitvoering worden gebracht leidt de desactivering van het eerst in uitvoering gebrachte vonnis tot een wijziging van het startpunt van de strafberekening; - de op 8 februari 2023 geviseerde detentiefiche vermeldt terecht als datum van toelaatbaarheid voor de voorwaardelijke invrijheidstelling 20 juni 2024; - bijgevolg wordt tot de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, die in dit geval een verplicht karakter heeft, overgegaan; - het nog te ondergane strafrestant wordt volgens de formule [strafrestant – (strafrestant : proeftijd – in rekening te brengen dagen)] bepaald op 1.436 dagen: de eiser werd op 26 september 2022 voorwaardelijk in vrijheid gesteld; de proeftijd bedroeg toen 1.825 dagen; er wordt rekening gehouden met 118 dagen goed verlopen proeftijd; - er moet thans geen uitspraak worden gedaan over het indienen van een nieuw verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling.
- Het cassatieberoep is tegen dit vonnis gericht. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste, tweede, derde, vierde en zesde middel
- Het eerste middel voert schending aan van de artikelen 24, 25, § 2, a), 62, 64, 7°, en 68 Wet Strafuitvoering: het vonnis houdt geen rekening met het principe van de gehele strafuitvoering; dat blijkt uit het oordeel dat er terug een coherente strafuitvoering komt door de herroeping, terwijl een herroeping daartoe niet nodig is, uit het oordeel dat de rechtbank niet bevoegd is met betrekking tot de nieuwe strafuitvoering en uit het onjuiste gegeven dat geen rekening wordt gehouden met de titels betreffende de actuele procedure; vooraleer te kunnen beslissen over de herroeping op grond van artikel 64, 7°, Wet Strafuitvoering dient de strafuitvoeringsrechtbank rekening houdend met alle straffen in hun geheel de tijdsvoorwaarden te bepalen. Het eerste onderdeel van het tweede middel voert schending aan van de artikelen 25, § 2, a), en 64, 7°, Wet Strafuitvoering: het vonnis oordeelt ten onrechte dat de eiser niet in de tijdsvoorwaarden is voor een voorwaardelijke invrijheidstelling; definitieve gevangenisstraffen dienen gelijktijdig, proportioneel en niet-opeenvolgend te worden uitgevoerd, ook als ze op verschillende data in uitvoering worden gebracht; het startpunt voor de berekening van alle straffen samen is 17 februari 2017, zoals is vermeld op de detentiefiche van september 2022; na optelling van de nieuwe titels bij de oude titels is de toelaatbaarheidsdatum voor de voorwaardelijke invrijheidstelling 21 mei 2021; die datum wordt bepaald vertrekkende van de oorspronkelijke datum van 23 november 2019, waarbij 545 dagen worden geteld, zijnde één derde van 1.635 dagen als het totaal aantal dagen vrijheidsstraffen van de nieuwe titels (18 maanden of 540 dagen en 3 jaar of 1.095 dagen); de eiser voldoet ruimschoots aan de minimale termijn van een derde om in aanmerking te komen voor de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling; ook indien niet wordt uitgegaan van de oorspronkelijke datum van toelaatbaarheid van 23 november 2019, maar enkel van het totaal aantal dagen vrijheidsstraf dat nog moet worden uitgezeten op grond van de oude titels (3.591 dagen) en de nieuwe titels (1.635 dagen), of samen 5.226 dagen, voldoet de eiser aan de tijdsvoorwaarden; de vereiste van een derde, zijnde 1.742 dagen, werd dan bereikt op 26 november 2021; het vonnis neemt ten onrechte aan dat er sprake is van een desactivering van de oude titels; dit oordeel is dubbelzinnig en tegenstrijdig; het oordeel op basis van de nieuwe detentiefiche dat de eiser niet voldoet aan de nieuwe toelaatbaarheidsdatum voor de voorwaardelijke invrijheidstelling is foutief en niet naar recht verantwoord. Het tweede onderdeel van het tweede middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: door de toelaatbaarheidsdatum voor de voorwaardelijke invrijheidstelling foutief te berekenen, miskent het vonnis de motiveringsplicht; het oordeel dat er sprake is van een desactivering van de oude titels, houdt een dubbelzinnige, minstens tegenstrijdige motivering in aangezien de strafuitvoeringsrechtbank zich lijkt te baseren op de detentiefiche die dateert van na het eerst vernietigde vonnis tot herroeping en zij vertrekt van een toestand van herroeping vooraleer de toelaatbaarheidsdatum te berekenen. Het derde middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het vonnis is gebaseerd op een detentiefiche die de drie titels, zijnde de twee nieuwe titels en het restant van de oude titels, vermeldt, maar het oordeelt ook dat geen rekening is gehouden met de titels inzake de huidige procedure; aldus is de motivering tegenstrijdig, minstens dubbelzinnig. Het vierde middel voert schending aan van artikel 64, 7°, Wet Strafuitvoering: het vonnis is gebaseerd op een detentiefiche die de drie titels, zijnde de twee nieuwe titels en het restant van de oude titels, vermeldt, maar het oordeelt ook dat geen rekening is gehouden met de titels inzake de huidige procedure, waardoor het geen duidelijkheid schept over de juiste tijdsvoorwaarden. Het zesde middel voert schending aan van artikel 68, § 5, Wet Strafuitvoering: het vonnis bepaalt geen tijdstip voor het indienen van een nieuw verzoek om voorwaardelijke invrijheidstelling; het bepaalt enkel dat de eiser een nieuw verzoek kan indienen zes maanden vóór hij in de tijdsvoorwaarden is en dat de strafuitvoeringsrechtbank geen standpunt kan innemen met betrekking tot de nieuwe tijdsvoorwaarden wanneer er één coherente strafuitvoering komt als gevolg van de herroeping.
- Indien tegen een veroordeelde aan wie de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling werd toegekend, nieuwe veroordelingen worden uitgesproken die de naleving van de aan die strafuitvoeringsmodaliteit verbonden bijzondere voorwaarden onmogelijk maken, en de feiten waarvoor de nieuwe veroordelingen zijn uitgesproken dateren van vóór de proeftijd verbonden aan de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling, dan is een herroeping van deze strafuitvoeringsmodaliteit mogelijk op grond van artikel 64, 7°, Wet Strafuitvoering.
- De strafuitvoeringsrechtbank dient in dat geval te onderzoeken of de veroordeelde, rekening houdende met de nieuwe veroordelingen, zich nog in de tijdsvoorwaarden bevindt voor de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Indien de veroordeelde als gevolg van die nieuwe veroordelingen zich niet langer meer bevindt in de tijdsvoorwaarden voor de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling dient zij tot de herroeping over te gaan.
- Artikel 24 Wet Strafuitvoering bepaalt dat de voorwaardelijke invrijheidstelling een wijze van uitvoering is van de vrijheidsstraf waardoor de veroordeelde zijn straf ondergaat buiten de gevangenis, mits naleving van de voorwaarden hem opgelegd gedurende een bepaalde proeftijd.
- Artikel 25 Wet Strafuitvoering bepaalt de tijdsvoorwaarden voor de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Artikel 25, § 2, a), Wet Strafuitvoering bepaalt dat de voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden toegekend aan de veroordeelde tot één of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte meer dan drie jaar bedraagt voor zover de veroordeelde één derde van deze straffen heeft ondergaan.
- Bij afwezigheid van een duidelijk wettelijk of reglementair kader betreffende de wijze waarop deze toelaatbaarheidsdatum voor de voorwaardelijke invrijheidstelling moet worden bepaald en gelet op de uit artikel 5 Gerechtelijk Wetboek voortvloeiende verplichting voor het Hof om uitspraak te doen over de aan het Hof voorgelegde rechtsvraag, dient in het licht van het principe dat definitieve vrijheidsstraffen gelijktijdig, proportioneel en niet-opeenvolgend worden uitgevoerd, dat die straffen worden getotaliseerd en dat er slechts één strafuitvoering is, voor de toepassing van artikel 64, 7°, Wet Strafuitvoering de toelaatbaarheidsdatum voor de voorwaardelijke invrijheidstelling ingeval van nieuwe veroordelingen tijdens de proeftijd van een voorwaardelijke invrijheidstelling voor feiten die dateren van vóór die proeftijd, als volgt te worden berekend: -
(1)indien de nieuwe veroordelingen worden uitgevoerd tijdens de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling, waarbij de datum van het in kracht van gewijsde gaan van die veroordelingen in beginsel niet relevant is, blijft de aanvangsdatum voor de uitvoering van de straf de datum die werd in acht genomen bij de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling. De nieuwe veroordelingen hebben niet tot gevolg dat de hechtenistitels die als grondslag hebben gediend voor de voorwaardelijke invrijheidstelling worden gedesactiveerd; -
(2)de bepaling van het uitvoerbaar gedeelte als bedoeld in artikel 25, § 2, a), Wet Strafuitvoering dient in dat geval te gebeuren door optelling van de uitvoerbare straffen die zijn gesteund op de oude hechtenistitels op grond waarvan de voorwaardelijke invrijheidstelling is toegekend met de uitvoerbare straffen ingevolge nieuwe hechtenistitels; -
(3)indien blijkt dat de veroordeelde op de datum van het in uitvoering gaan van de nieuwe titels reeds een derde van het totaal van de uitvoerbare straffen gegrond op de oude en de nieuwe hechtenistitels heeft ondergaan, voldoet hij aan de tijdsvoorwaarde voor een voorwaardelijke invrijheidstelling en is een herroeping van de toegekende voorwaardelijke invrijheidstelling op grond van artikel 64, 7°, Wet Strafuitvoering niet mogelijk.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt: - de strafuitvoering nam een aanvang op 17 februari 2017; - bij de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling aan de eiser bij vonnis van 26 september 2022 bedroeg het uitvoerbaar gedeelte van de straffen waartoe de eiser was veroordeeld 566 dagen strafrestant, 1.200 dagen (gevangenisstraf van 40 maanden opgelegd bij arrest van het hof van beroep van Antwerpen van 21 februari 2018) en 1.825 dagen (gevangenisstraf van 5 jaar opgelegd bij arrest van hetzelfde hof van 13 november 2019), of in totaal 3.591 dagen; - het uitvoerbaar gedeelte van de nieuwe hechtenistitels, welke in uitvoering gingen op 1 december 2022, bedroeg 540 dagen (gevangenisstraf van 18 maanden opgelegd bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 4 november 2021) en 1.095 dagen (gevangenisstraf van drie jaar opgelegd bij arrest van hetzelfde hof van 10 juni 2022), of in totaal 1.635 dagen; - het totaal van het uitvoerbaar gedeelte van de oude en de nieuwe hechtenistitels op de datum van het in uitvoering gaan van de nieuwe hechtenistitels bedroeg 3.591 dagen + 1.635 dagen of 5.226 dagen; - een derde van 5.226 dagen is 1.742 dagen. Daaruit volgt dat het derde van het uitvoerbaar gedeelte van de straffen waartoe de eiser werd veroordeeld op grond van de oude en de nieuwe hechtenistitels en uitgaand van de aanvangsdatum van 17 februari 2017 werd bereikt op 25 november
- Derhalve voldeed de eiser op het ogenblik dat de nieuwe titels in uitvoering gingen aan de in artikel 25, § 2, a), Wet Strafuitvoering bepaalde tijdsvoorwaarde. Het vonnis dat louter door verwijzing naar de detentiefiche van 8 februari 2023 en rekening houdend met de nieuwe titels in uitvoering de toelaatbaarheidsdatum voor de voorwaardelijke invrijheidstelling bepaalt op 20 juni 2024 en dat op die grond beslist tot herroeping van de bij vonnis van 26 september 2022 toegekende voorwaardelijke invrijheidstelling verantwoordt die beslissing niet naar recht.
- Het eerste tot en met het vierde middel zijn in zoverre gegrond.
- De afwijzing van een op artikel 64, 7°, Wet Strafuitvoering gegronde herroepingsvordering wegens nieuwe veroordelingen tijdens de proeftijd van een voorwaardelijke invrijheidstelling voor de feiten daterend van vóór die proeftijd, leidt niet automatisch tot de invrijheidstelling van de veroordeelde. De veroordeelde is immers van zijn vrijheid beroofd ter uitvoering van de nieuwe hechtenistitels.
- Het staat in een dergelijk geval aan de veroordeelde om een nieuw verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling in te dienen. Aangezien de veroordeelde zich in de tijdsvoorwaarden bevindt voor een voorwaardelijke invrijheidstelling en de hem reeds toegekende voorwaardelijke invrijheidstelling niet wordt herroepen omdat niet voldaan is aan de voorwaarde van artikel 64, 7°, Wet Strafuitvoering, kan de veroordeelde daartoe dadelijk een verzoek indienen. Het zesde middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Overige grieven
- De grieven behoeven geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Laat de kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 16 mei 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230516.2N.15 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.12 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230412.2N.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251105.2F.12 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251210.2F.32 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.27 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div