id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230516.2N.19 Rolnummer: P.23.0724.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2023-05-25 Raadplegingen: 934 - laatst gezien 2026-06-16 23:58 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Het staat aan de politieambtenaren om in hun processen-verbaal te vermelden op grond van welke gedragingen, aanwijzingen of gronden als bedoeld in de voormelde bepaling zij overgaan tot het doorzoeken van een voertuig en die vermeldingen, die in voorkomend geval ook betrekking kunnen hebben op politionele informatie of op verkeersinbreuken die met het voertuig worden of lijken te worden begaan, moeten de rechter toelaten na te gaan of die doorzoeking is gebeurd overeenkomstig de voormelde bepaling
(1).
(1)Cass. 12 april 2023, AR P.23.0515.F ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230412.2F.8, AC 2023, nr. 280; Cass. 7 juni 2022, AR P.22.0230.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220607.2N.3, AC 2022, nr.
- Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Wettelijke bepalingen: Wet 5 augustus 1992 op het politieambt - 05-08-1992 - Art. 29 - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: POLITIE Wettelijke bepalingen: Wet 5 augustus 1992 op het politieambt - 05-08-1992 - Art. 29 - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Fiches 3 - 5 De rechter oordeelt onaantastbaar of de gegevens zoals ze hem ter kennis worden gebracht, een voldoende materiële aanwijzing opleveren om de doorzoeking van een voertuig te rechtvaardigen; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen POLITIE ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Tekst van de beslissing Nr. P.23.0724.N J. P. V. S., , inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Steven Van de Kerkhof, advocaat bij de balie Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 4 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6 en 8 EVRM en artikel 29 Wet Politieambt: met het oordeel dat de samenlopende vaststellingen van de verbalisanten dat het voertuig aan een overdreven snelheid reed en de eiser als bestuurder politioneel gekend is voor drughandel, voldoende redelijke gronden opleverden voor de verbalisanten om te denken dat dit voertuig mogelijk werd gebruikt om een misdrijf te plegen en om aldus over te gaan tot het doorzoeken van het voertuig, stelt het arrest niet op een naar recht verantwoorde wijze het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld vast; het rijden aan een overdreven snelheid en het politioneel gekend zijn, kunnen niet worden beschouwd als gedragingen van de bestuurder of van passagiers, noch als materiële aanwijzingen of omstandigheden van tijd of plaats die redelijke gronden opleveren om te denken dat het voertuig werd gebruikt, wordt gebruikt of zou kunnen worden gebruikt om een misdrijf te plegen; de overdreven snelheid werd niet gedocumenteerd en gaf aanleiding tot een controle van de boorddocumenten, die in orde werden bevonden; er was ingevolge deze negatieve verkeerscontrole dan ook geen grond om verder onderzoek te doen naar de eiser als bestuurder van het voertuig; overdreven snelheid levert geen redelijke grond op om te denken dat het voertuig werd, wordt of zou kunnen worden gebruikt om een misdrijf te plegen; hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de eiser gekend is in een databank, te meer omdat niet wordt vermeld over welke databank het zou gaan.
- Artikel 29, eerste lid, Wet Politieambt bepaalt: “De politieambtenaren kunnen overgaan tot het doorzoeken van een voertuig of enig ander vervoermiddel zowel in het verkeer als geparkeerd, op de openbare weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen indien zij, op grond van de gedragingen van de bestuurder of de passagiers, van materiële aanwijzingen of van omstandigheden van tijd of plaats redelijke gronden hebben om te denken dat het voertuig of vervoermiddel werd gebruikt, wordt gebruikt of zou kunnen worden gebruikt: 1° om een misdrijf te plegen; 2° om opgespoorde personen of personen die aan een identiteitscontrole willen ontsnappen een schuilplaats te geven of te vervoeren; 3° om een voor de openbare orde gevaarlijk voorwerp, overtuigingsstukken of bewijsmateriaal in verband met een misdrijf op te slaan of te vervoeren.”
- Het staat aan de politieambtenaren om in hun processen-verbaal te vermelden op grond van welke gedragingen, aanwijzingen of gronden als bedoeld in de voormelde bepaling zij overgaan tot het doorzoeken van een voertuig. Die vermeldingen, die in voorkomend geval ook betrekking kunnen hebben op politionele informatie of op verkeersinbreuken die met het voertuig worden of lijken te worden begaan, moeten de rechter toelaten na te gaan of die doorzoeking is gebeurd overeenkomstig de voormelde bepaling.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of de gegevens zoals ze hem ter kennis worden gebracht, een voldoende materiële aanwijzing opleveren om de doorzoeking van een voertuig te rechtvaardigen. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt niet dat de verbalisanten na een negatieve verkeerscontrole zijn overgegaan tot een verder onderzoek naar de persoon van de eiser als bestuurder. Het oordeelt wel (p. 2) dat eisers voertuig uit het verkeer werd gehaald en werd gecontroleerd omdat het zich niet bleek te houden aan de maximale toegelaten snelheid, waarbij na een radiofonische controle is gebleken dat het voertuig in orde was maar de eiser gekend bleek te zijn bij de diensten wegens diverse feiten, waaronder bezit en verkoop van drugs, drughandel en drugorganisator. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Het arrest (p. 2) oordeelt verder dat de samenlopende vaststellingen van de verbalisanten dat het voertuig aan een overdreven snelheid reed en de eiser als bestuurder politioneel gekend is voor drughandel, voldoende redelijke gronden opleverden voor de verbalisanten om te denken dat dit voertuig mogelijk werd gebruikt om een misdrijf te plegen en om aldus over te gaan tot het doorzoeken van het voertuig. Het oordeelt ook dat bij het doorzoeken van het voertuig geld werd gevonden dat zorgvuldig werd verpakt in een doorzichtige plastieken zak waarrond plakband werd gedaan en dat ook een doorzichtige plastieken zak werd aangetroffen waarin de restanten van een witte substantie konden worden teruggevonden. Met die redenen verantwoorden de appelrechters naar recht de beslissing dat de zoeking in eisers voertuig regelmatig is gebeurd en dat er bijgevolg sprake is van ernstige aanwijzingen van schuld ten aanzien van de eiser. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Voor het overige komt het onderdeel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6 en 8 EVRM: door niet over te gaan tot bewijsuitsluiting met betrekking tot de onrechtmatige zoeking in eisers voertuig, is het arrest niet naar recht verantwoord; de verbalisanten hebben blijk gegeven van een opzettelijke onregelmatigheid, minstens een onregelmatigheid die getuigt van een grove onachtzaamheid; eisers recht op een eerlijk proces wordt hierdoor miskend, zodat het onregelmatige bewijsmateriaal uit het debat moet worden geweerd.
- Het arrest oordeelt niet dat er sprake is van een onrechtmatige zoeking maar oordeelt integendeel dat er geen onregelmatigheid werd begaan bij de zoeking. Het onderdeel, dat ervan uitgaat dat de zoeking in eisers voertuig onregelmatig is, berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 61,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 16 mei 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230516.2N.19 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220607.2N.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230412.2F.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251021.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div