id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230516.2N.6 Rolnummer: P.23.0267.N Zaak: GILCAP NV contra Federale Verzekering Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2023-05-25 Raadplegingen: 665 - laatst gezien 2026-06-18 15:00 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Op grond van artikel 2 Gerechtelijk Wetboek zijn in geval van leemtes in de strafvordering de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing als aanvullend recht, tenzij de toepassing van deze voorschriften strijdig zou zijn met wetsbepalingen of rechtsbeginselen die verband houden met de strafrechtspleging zodat de rechter, wanneer het door hem bevolen deskundigenonderzoek uitsluitend de afhandeling van de burgerlijke belangen betreft, in beginsel de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek dient toe te passen, in het bijzonder de voorschriften inzake de tegenspraak van het deskundigenonderzoek; de aard van de te volgen rechtspleging wordt niettemin bepaald door de aard van het gerecht dat de zaak behandelt zodat de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek die specifiek kaderen in de organisatie van het deskundigenonderzoek voor de burgerlijke rechter, niet zonder meer van toepassing op de rechtspleging voor de strafrechter; deze bepalingen zijn van toepassing op de strafrechter die een deskundige heeft aangesteld met het oog op de afhandeling van de burgerlijke belangen, in zoverre zij die rechter verplichten de tegenspraak te eerbiedigen en in dat geval dient de strafrechter het standpunt van de partijen in te winnen alvorens de aan de deskundige toevertrouwde opdracht wezenlijk aan te passen maar de specifieke procedure waarmee die bepalingen de tegenspraak waarborgen, in het bijzonder de termijnen en de verplichting de partijen op te roepen in raadkamer, zijn vreemd aan de procedure voor de strafrechter en zijn derhalve niet op hem toepasselijk, ook niet wanneer hij enkel oordeelt over de burgerlijke rechtsvordering. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 2 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 973, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 2 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 973, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 3 Krachtens artikel 779 Gerechtelijk Wetboek kan het vonnis, op straffe van nietigheid, enkel worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters die alle rechtszittingen over de zaak hebben bijgewoond of, zo dat niet het geval is, door de rechters voor wie het debat is hervat; uit die bepaling volgt niet dat wanneer de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt is uitgeput en over dat geschilpunt dan ook een eindbeslissing is gewezen, de behandeling van de andere geschilpunten enkel kan geschieden door dezelfde rechters als deze die over het eerste geschilpunt uitspraak hebben gedaan. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 779 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0267.N GILCAP nv, met zetel te 9680 Maarkedal, Leieveld 26, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Filip Gijssels, advocaat bij de balie Gent, tegen
- FEDERALE VERZEKERING, gemeenschappelijke kas voor verzekering tegen arbeidsongevallen, met zetel te 1000 Brussel, Stoofstraat 12, burgerlijke partij, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerster woonplaats kiest,
- EUROBAT bv, met zetel te 5620 Florennes, Avenue de l’Europe 31, burgerlijke partij,
- O. F., burgerlijke partij,
- S. D., burgerlijke partij,
- MS AMLIN INSURANCE SE, met zetel te 1030 Schaarbeek, Koning Albert Il laan 37, vrijwillig tussengekomen partij, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 18 oktober 2012 (hierna arrest 1), 18 februari 2016 (hierna arrest 2), 17 maart 2016 (hierna arrest 3), 7 juni 2018 (hierna arrest 4), 16 juni 2022 (hierna arrest 5) en 19 januari 2023 (hierna arrest 6). De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan tegen het arrest 2, een middel tegen het arrest 3 en twee middelen tegen het arrest
- De eiseres doet afstand van haar cassatieberoepen tegen de arresten 1, 4 en
- Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen waarvan geen afstand is gedaan
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de cassatieberoepen zijn betekend aan de verweerders 2, 3, 4 en 5, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre tegen die verweerders gericht, zijn de cassatieberoepen niet ontvankelijk. Middel tegen het arrest 2 en middel tegen het arrest 3
- De middelen voeren schending aan van artikel 973, § 2, Gerechtelijk Wetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest 2 actualiseert de opdracht van de gerechtsdeskundige op de louter schriftelijke vraag van die deskundige en met vermelding van louter het schriftelijk akkoord van de raadslieden van de burgerlijke partijen; door die actualisering wordt de deskundigenopdracht totaal verschillend omschreven dan deze bepaald in het arrest 1; het arrest 3 breidt de geactualiseerde opdracht van de gerechtsdeskundige uit; de rechter kan de opdracht van een gerechtsdeskundige niet aanpassen, uitbreiden of actualiseren dan na een oproeping van de partijen om in raadkamer te verschijnen, in welk geval daarover dus een debat op tegenspraak mogelijk is tussen de partijen en eventueel de gerechtsdeskundige in aanwezigheid van de rechter; pas daarna kan de rechter op een met redenen omklede wijze beslissen over de aanpassing van de deskundigenopdracht; de arresten 2 en 3 zijn niet voorafgegaan door een oproeping van de partijen om te verschijnen in raadkamer; evenmin werd in de arresten 2 en 3 gemotiveerd waarom de actualisatie van de deskundigenopdracht zich precies opdrong.
- Op grond van artikel 2 Gerechtelijk Wetboek zijn in geval van leemtes in de strafvordering de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing als aanvullend recht, tenzij de toepassing van deze voorschriften strijdig zou zijn met wetsbepalingen of rechtsbeginselen die verband houden met de strafrechtspleging. Bijgevolg dient de rechter, wanneer het door hem bevolen deskundigenonderzoek uitsluitend de afhandeling van de burgerlijke belangen betreft, in beginsel de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek toe te passen. Dit betreft in het bijzonder de voorschriften inzake de tegenspraak van het deskundigenonderzoek.
- De aard van de te volgen rechtspleging wordt niettemin bepaald door de aard van het gerecht dat de zaak behandelt. Aldus zijn de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek die specifiek kaderen in de organisatie van het deskundigenonderzoek voor de burgerlijke rechter, niet zonder meer van toepassing op de rechtspleging voor de strafrechter.
- Artikel 973, § 2, Gerechtelijk Wetboek bepaalt: “Alle betwistingen die in de loop van het deskundigenonderzoek met betrekking tot dit onderzoek ontstaan tussen de partijen of tussen de partijen en de deskundigen, met inbegrip van het verzoek tot vervanging van de deskundigen en van elke betwisting aangaande de uitbreiding of de verlenging van de opdracht, worden door de rechter beslecht. De partijen en de deskundigen kunnen zich daartoe bij gewone brief, met vermelding van de redenen, tot de rechter wenden. De rechter gelast onmiddellijk de oproeping van de partijen en de deskundigen. De griffier geeft binnen acht dagen bij gewone brief kennis van de oproeping aan de partijen, hun raadslieden en de deskundige. In afwijking van het derde lid geeft de griffier binnen acht dagen kennis van de oproeping bij gerechtsbrief: 1° aan de partijen die verstek hebben laten gaan; 2° aan de gerechtsdeskundigen van wie de vervanging wordt gevraagd of betwist; 3° aan de gerechtsdeskundigen die het voorwerp zijn van een vraag tot uitbreiding of verlenging van hun opdracht, of van een betwisting van die vraag. De verschijning in raadkamer vindt plaats binnen een maand na de oproeping. De rechter doet binnen acht dagen uitspraak bij met redenen omklede beslissing. De kennisgeving van deze beslissing door de griffier gebeurt overeenkomstig het derde en vierde lid. (…)”.
- Deze bepalingen zijn van toepassing op de strafrechter die een deskundige heeft aangesteld met het oog op de afhandeling van de burgerlijke belangen, in zoverre zij die rechter verplichten de tegenspraak te eerbiedigen. In dat geval dient de strafrechter het standpunt van de partijen in te winnen alvorens de aan de deskundige toevertrouwde opdracht wezenlijk aan te passen. De specifieke procedure waarmee die bepalingen de tegenspraak waarborgen, in het bijzonder de termijnen en de verplichting de partijen op te roepen in raadkamer, zijn echter vreemd aan de procedure voor de strafrechter en zijn derhalve niet op hem toepasselijk, ook niet wanneer hij enkel oordeelt over de burgerlijke rechtsvordering.
- Voor het overige belet niets de rechter om, bij afwezigheid van betwisting, de wijziging van de deskundigenopdracht te motiveren aan de hand van de daarmee verband houdende vragen van de gerechtsdeskundige, waarvan de partijen kennis hebben kunnen nemen.
- In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen zij naar recht.
- Noch uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, noch uit de middelen blijkt dat de appelrechters de eiseres niet in de gelegenheid hebben gesteld haar standpunt kenbaar te maken naar aanleiding van de brieven met vragen van de gerechtsdeskundige van 17 mei 2015, 2 december 2015 en 28 februari
- Daaruit blijkt evenmin dat de uitbreiding van de deskundigenopdracht door het arrest 3 meer betreft dan het rechtzetten van een materiële vergissing in het arrest 2 ingevolge een verzoek tot verduidelijking van de gerechtsdeskundige. Aldus blijkt niet dat de appelrechters het beginsel van de tegenspraak niet hebben geëerbiedigd voor wat betreft de wezenlijke aanpassing van de deskundigenopdracht. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Eerste middel tegen het arrest 6
- Het middel voert schending aan van de artikelen 962 “e.v.” en 975, § 2, (lees 973, § 2,) Gerechtelijk Wetboek, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het verbod van machtsafwending: het arrest verwijst meermaals naar het deskundigenverslag om de schadevergoeding te bepalen tot betaling waarvan het de eiseres veroordeelt; bij de arresten 2 en 3 werd de deskundigenopdracht echter geactualiseerd en aangevuld zonder debat op tegenspraak overeenkomstig artikel 793, § 2, Gerechtelijk Wetboek; hierdoor is het eindverslag van de gerechtsdeskundige niet in overeenstemming met de enige door de appelrechters rechtsgeldig gegeven opdracht aan de gerechtsdeskundige, met name de opdracht zoals bevolen in het arrest 1, zodat dit eindverslag geen wettige grondslag kan zijn om uitspraak te doen over de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster 1 tegen de eiseres.
- Het middel is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde onwettigheid in het middel tegen het arrest 2 en het middel tegen het arrest
- Het middel is niet ontvankelijk. Tweede middel tegen het arrest 6
- Het middel voert schending aan van artikel 779 Gerechtelijk Wetboek: het arrest 6 is gewezen door een kamer samengesteld uit kamervoorzitter M. M., raadsheer M. D. L. en raadsheer in het arbeidshof Y. W.; geen van die rechters heeft de rechtszittingen bijgewoond die aanleiding hebben gegeven tot het arrest 1, dat niet uitsluitend een arrest alvorens recht te doen was; evenmin hebben die rechters het debat hernomen in de gewijzigde samenstelling van de kamer; aldus hebben de rechters die het eindarrest hebben gewezen, niet alle rechtszittingen over de zaak bijgewoond.
- Krachtens artikel 779 Gerechtelijk Wetboek kan het vonnis, op straffe van nietigheid, enkel worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters die alle rechtszittingen over de zaak hebben bijgewoond of, zo dat niet het geval is, door de rechters voor wie het debat is hervat.
- Uit die bepaling volgt niet dat wanneer de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt is uitgeput en over dat geschilpunt dan ook een eindbeslissing is gewezen, de behandeling van de andere geschilpunten enkel kan geschieden door dezelfde rechters als deze die over het eerste geschilpunt uitspraak hebben gedaan.
- Het arrest 1 heeft op tegenspraak en na evocatie de eiseres schuldig verklaard aan de haar ten laste gelegde feiten zonder oplegging van straf, heeft de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster tegen de eiseres ontvankelijk verklaard, heeft de eiseres veroordeeld tot betaling aan de verweerster 1 van een bedrag als algemene provisie op alle schade, heeft een deskundige aangesteld om de lichamelijke schade van het slachtoffer te onderzoeken en heeft de verdere behandeling van de zaak onbepaald uitgesteld.
- Hieruit volgt dat de rechtsmacht van de appelrechters die het arrest 1 hebben gewezen, was uitgeput voor wat betreft de beoordeling van het beginsel van de aansprakelijkheid van de eiseres. Bijgevolg dienden niet dezelfde rechters uitspraak te doen over het nog resterende geschilpunt na de uitvoering van de in het arrest 1 bevolen onderzoeksmaatregel, bestaande in het bepalen van de omvang van de uiteindelijk aan de verweerster 1 toekomende schadevergoeding, de gerechtelijke interesten en de kosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand van de eiseres van haar cassatieberoepen tegen de arresten van 18 oktober 2012, 7 juni 2018 en 16 juni
- Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 250,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 16 mei 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230516.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div