Obsah (6)
Art. 130Art. 182Art. 203Art. 204Art. 210Art. 215id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:A
Art. 130
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 182
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 130
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 182
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 5 De enkele omstandigheid dat het onderzoeksgerecht in zijn verwijzingsbeslissing elementen aanduidt waaruit een mogelijke alternatieve kwalificatie van de verwezen feiten kan worden afgeleid, zonder dat de inverdenkinggestelde daarover verweer heeft kunnen voeren, houdt geen zodanige onregelmatigheid in dat de verwijzingsbeschikking daardoor voor onbestaande moet worden gehouden of dat het vonnisgerecht de strafvordering niet-ontvankelijk moet verklaren; het staat in dat geval aan het vonnisgerecht te onderzoeken of die eventuele onregelmatigheid ertoe heeft geleid dat het recht van verdediging van de inverdenkinggestelde daadwerkelijk en onherstelbaar werd miskend, dan wel of dit verzuim niet kan worden geremedieerd door de rechten die de inverdenkinggestelde voor het vonnisgerecht kan laten gelden
(1).
(1)Cass. 28 september 2021, T. Strafr., 2022/2, p. 90 met noot van J. VANDEUREN, “Aantasting van de regelmatigheid van een verwijzingsbeslissing”. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 130
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 182
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 130
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 182
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 130
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 182
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 6 - 8 Wanneer de eerste rechter zich onbevoegd verklaart om uitspraak te doen over de burgerlijke rechtsvordering wegens de vermeende niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, is de appelrechter op het enkele hoger beroep van de burgerlijke partij ertoe gehouden uitspraak te doen over zowel de strafvordering als de daarop gesteunde burgerlijke rechtsvordering; die bevoegdheid en die plicht van de appelrechter vormen geen toepassing van de regels inzake de evocatie zoals bedoeld in artikel 215 Wetboek van Strafvordering, maar vloeien voort uit de devolutieve werking van het hoger beroep van de burgerlijke partij aangezien de appelrechter in strafzaken zich niet kan uitspreken over de burgerlijke rechtsvordering zonder eerst de strafvordering ontvankelijk te verklaren, zodat zijn beslissing over die beide vorderingen onsplitsbaar is
(1).
(1)Cass. 29 mei 1973, AC 1973, p. 945 met noot P.M. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 203
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 204
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 210
, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 215
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 203
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 204
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 210
, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 215
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 203
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 204
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 210
, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 215- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.
P.23.0150.N I D. M. L. J. W., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Lore Gyselaers, advocaat bij de balie Limburg, II SUPERVERANDA bv, met zetel te 3550 Heusden-Zolder, Mijnwerkerslaan 19, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Joost Verheyen, advocaat bij de balie Limburg, III D. H. L. L., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jan Swennen, advocaat bij de balie Limburg, alle cassatieberoepen tegen
- N. V.,
- W. G., burgerlijke partijen, verweerders, met als raadsman mr. Freddy Mols, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen I, II en III zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 11 januari 2023 (hierna arrest I). Het cassatieberoep III is bovendien gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 6 oktober 2021 (hierna arrest II). De eiseressen I en II voeren elk in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel van de eiseres I en middel van de eiseres II
- De middelen voeren schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 162bis Wetboek van Strafvordering: het arrest I spreekt de eiseressen I en II vrij en verklaart de appelrechters onbevoegd om kennis te nemen van de burgerlijke rechtsvordering van de verweerders; het veroordeelt de verweerders echter niet tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep aan de eiseressen I en II en het beantwoordt evenmin de daartoe strekkende burgerlijke rechtsvordering in de appelconclusies van die eiseressen; de zaak is bij de appelrechters aanhangig gemaakt op het enkele hoger beroep van de verweerders tegen de beslissing waarbij de eerste rechter zich zonder rechtsmacht heeft verklaard om kennis te nemen van hun burgerlijke rechtsvordering wegens de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering; aldus hadden de eiseressen I en II ingevolge hun vrijspraak in hoger beroep recht op een rechtsplegingsvergoeding lastens de verweerders.
- Het arrest I beantwoordt niet de burgerlijke rechtsvorderingen in de respectieve appelconclusies van de eiseressen I en II om de verweerders te veroordelen hen een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep te betalen. De middelen zijn in zoverre gegrond. Eerste middel van de eiser III
- Het middel voert schending aan van de artikelen 182 en 211 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest II verklaart de strafvordering ontvankelijk en verwerpt eisers verweer inzake “obscuri libelli”; de raadkamer heeft de aan de eiser III ten laste gelegde feiten verwezen onder de kwalificatie misbruik van vertrouwen ten nadele van A. bv, dit met betrekking tot niet nader bepaalde activa en zonder de onderliggende verbintenis te preciseren; anders dan het arrest stelt, heeft de raadkamer niet geoordeeld dat de in de eindvordering begrepen feiten het misdrijf van bedrieglijk onvermogen uitmaken; in de verwijzingsbeschikking ontbreekt een omschrijving van de feiten die een strafbare gedraging opleveren; door dit gebrek aan precisering in de akte van aanhangigmaking is geen juiste kwalificatie meer mogelijk; de vonnisrechter, die zichzelf niet mag vatten voor feiten die niet door de raadkamer zijn verwezen, kan dit niet rechtzetten; indien een onduidelijke akte van aanhangigmaking het de strafrechter onmogelijk maakt om zijn saisine te bepalen in samenlezing met de gegevens uit het strafdossier, is de strafvordering onherroepelijk onontvankelijk; door te oordelen dat de strafvordering wel ontvankelijk is, miskennen de appelrechters het verbod op autosaisine en daarmee tevens de bewijskracht van de verwijzingsbeschikking; bovendien moet de vordering van de vervolgende partij op zichzelf bepalen wat aanhangig wordt gemaakt; het strafdossier kan alleen dienen om de inhoud van de aanhangig makende akte te interpreteren.
- Het onderzoeksgerecht verwijst een inverdenkinggestelde naar de vonnisrechter voor een welbepaald feit of feitencomplex, dat het voorlopig kwalificeert als een bepaald misdrijf, onder voorbehoud van een meer definitieve kwalificatie door de vonnisrechter. Deze laatste is in zijn beoordeling beperkt tot de feiten die naar hem zijn verwezen. Hij mag daarvoor geen andere feiten in de plaats stellen.
- De vonnisrechter oordeelt aan de hand van de verwijzingsbeslissing en zo nodig de daaraan ten grondslag liggende gegevens van het strafdossier onaantastbaar welke feiten het onderzoeksgerecht bij hem aanhangig heeft gemaakt. Daartoe behoort de beoordeling door de vonnisrechter of die feiten voldoende duidelijk zijn opdat hijzelf en de beklaagde met zekerheid kunnen weten welk feit is verwezen onder welke voorlopige kwalificatie. Dit vereist niet dat het onderzoeksgerecht de constitutieve bestanddelen van die kwalificatie inhoudelijk preciseert. Het Hof gaat wel na of de vonnisrechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond van die vaststellingen onmogelijk te verantwoorden zijn.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest II oordeelt: - uit de uiteenzetting van de feiten in de klacht met burgerlijkepartijstelling blijkt dat de verweerders een gerechtelijk onderzoek vorderden naar de zaakvoerders van A. bv, waarvan de verweerders beweerden dat deze al het mogelijke hadden gedaan om zich onvermogend te maken teneinde zich te onttrekken aan de betaling van de vordering zoals toegekend in het arrest van 29 april 2015 van het hof van beroep te Antwerpen, verwijzend naar de chronologie van bepaalde feiten zoals de oprichting van twee nieuwe vennootschappen, het overdragen van cliënteel en het handelsfonds naar deze vennootschappen en het verplaatsen van de maatschappelijke zetel naar een fictieve zetel; - in het kader van de regeling van de rechtspleging vorderde de procureur des Konings ten aanzien van de drie eisers de buitenvervolgingstelling voor de feiten omschreven als misbruik van vertrouwen, nader bepaald als “Ten nadele van BVBA A. (…) niet nader te bepalen activa, eigendom van de BVBA A. (…), middels overheveling van deze activa naar de [eiseres II] (…)”; - de raadkamer oordeelde in haar beschikking van 25 oktober 2019 evenwel dat uit de gegevens van het strafdossier voldoende bezwaren kunnen worden afgeleid tegen de eisers wegens de in de rechtsvordering omschreven feiten. Op basis van deze feiten werden de eisers verwezen naar de correctionele rechtbank; - de verwijzingsbeschikking van de raadkamer is de akte van de aanhangigmaking van de feiten. De dagvaarding van het openbaar ministerie is enkel een dagstelling. De verwijzing door de raadkamer geschiedt wegens een bepaald feit dat moet worden omschreven. Het is de rechter ten gronde die de juiste wettelijke kwalificatie aan het feit zal moeten geven; - ten onrechte beweren de eisers dat zij niet weten voor welke concrete handelingen zij zich dienen te verantwoorden. De hen ten laste gelegde handelingen werden duidelijk omschreven en afgelijnd in de verwijzingsbeschikking en de eisers beroepen zich dan ook ten onrechte op de exceptio obscuri libelli; - deze feiten werden in de beschikking van de raadkamer duidelijk bepaald en precies omschreven, namelijk: - de oprichting van [de eiseres II] en S. bv op 7 juli 2014, vennootschappen met een identiek maatschappelijk doel als de vennootschap A.; - de overname door de nieuw opgerichte vennootschappen met reclamefolder en website van A.; - het overdragen van het cliënteel/handelsfonds naar de nieuw opgerichte vennootschap; - de bewoordingen en de motivering van het vonnis waarbij het faillissement van A. bv werd uitgesproken; - het verslag van de curator van de failliete A. bv.
- Met de reden: “De verwijzingsbeschikking van de raadkamer bepaalde dat er voldoende bezwaren waren om [de eisers] te verwijzen naar de correctionele rechtbank voor feiten waarbij het bedrieglijk onvermogen van de BVBA A. werd bewerkt om te ontkomen aan de betaling van de vordering die [de verweerders] hadden bekomen ingevolge het arrest van 29 april 2015 van het hof van beroep te Antwerpen dat kracht van gewijsde had bekomen”, oordeelt het arrest II (p. 10, al. 3) dan ook niet dat de raadkamer de feiten heeft verwezen onder de kwalificatie bedrieglijk onvermogen, maar wel dat de raadkamer de feiten heeft verwezen onder de kwalificatie misbruik van vertrouwen, met dien verstande dat de concrete gedragingen van de eiser III die de verwijzingsbeschikking vermeldt, het bezwaar impliceren dat hij de feiten zou hebben gepleegd met het oog op de bedrieglijke organisatie van zijn onvermogen. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest II en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
- In zoverre het middel uit die onjuiste lezing de miskenning van de bewijskracht van de verwijzingsbeslissing afleidt, is het niet ontvankelijk.
- Op grond van de vermelde redenen kan het arrest II wettig oordelen dat de feiten zoals zij blijken uit de verwijzingsbeschikking en de onderliggende klacht met burgerlijkepartijstelling voldoende duidelijk zijn opdat de appelrechters en de eiser III met zekerheid kunnen weten voor welk feit onder welke voorlopige kwalificatie de eiser III naar de vonnisrechter is verwezen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser III
- Het middel voert schending aan van artikel 6.3.a EVRM en artikel 14.3.a IVBPR: het arrest II verklaart de strafvordering ten onrechte ontvankelijk; de verweerders hebben de onderzoeksrechter gelast met feiten van onttrekking van activa, oplichting en misbruik van vertrouwen, maar niet met feiten van bedrieglijk onvermogen; de uitbreidende vordering van het openbaar ministerie betrof faillissementsmisdrijven in het kader van A. bv; er is nooit onderzoek gevoerd naar een feit van bedrieglijk onvermogen; binnen dat onderliggende feitencomplex heeft de eiser III zich voor de raadkamer aangesloten bij de eindvordering van het openbaar ministerie tot buitenvervolgingstelling van het feit, gekwalificeerd als misbruik van vertrouwen; een ander feit heeft niet het voorwerp uitgemaakt van het debat voor de raadkamer, wier saisine beperkt was door de eindvordering van het openbaar ministerie; slechts in de verwijzingsbeschikking en dus na het debat voor de raadkamer is de eiser III geconfronteerd geworden met andere materiële gedragingen; aldus is eisers recht van verdediging onherroepelijk geschaad aangezien hij slechts in de vonnisfase is geconfronteerd met materiële gedragingen die verband kunnen houden met bedrieglijk onvermogen.
- Geen enkele bepaling verleent aan het vonnisgerecht de bevoegdheid om uitspraak te doen over de wettigheid van een verwijzingsbeslissing van het onderzoeksgerecht.
- Het komt het vonnisgerecht evenwel toe vast te stellen dat de zaak niet aanhangig is gemaakt omdat de verwijzingsbeslissing door een zodanige onregelmatigheid is aangetast dat ze voor onbestaande moet worden gehouden of dat de strafvordering niet ontvankelijk is.
- De enkele omstandigheid dat het onderzoeksgerecht in zijn verwijzingsbeslissing elementen aanduidt waaruit een mogelijke alternatieve kwalificatie van de verwezen feiten kan worden afgeleid, zonder dat de inverdenkinggestelde daarover verweer heeft kunnen voeren, houdt geen zodanige onregelmatigheid in dat de verwijzingsbeschikking daardoor voor onbestaande moet worden gehouden of dat het vonnisgerecht de strafvordering niet-ontvankelijk moet verklaren.
- Het staat in dat geval aan het vonnisgerecht te onderzoeken of die eventuele onregelmatigheid ertoe heeft geleid dat het recht van verdediging van de inverdenkinggestelde daadwerkelijk en onherstelbaar werd miskend, dan wel of dit verzuim niet kan worden geremedieerd door de rechten die de inverdenkinggestelde voor het vonnisgerecht kan laten gelden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest II (p. 10) oordeelt: “Het hof (van beroep) stelt weliswaar vast dat [de eisers] over deze eventuele kwalificatie van de feiten geen standpunt hebben ingenomen zodat het hof (van beroep) alvorens verder ten gronde te oordelen op straf- en burgerlijk gebied een heropening der debatten beveelt teneinde aan partijen de gelegenheid te geven hun verweermiddelen desbetreffend naar voren te brengen en teneinde de rechten van verdediging te waarborgen.” Vervolgens nodigt het arrest II de partijen uit om standpunt in te nemen over de eventuele heromschrijving van het verwezen feit naar bedrieglijk onvermogen zoals nader bepaald in het dictum en beveelt het daartoe de heropening van het debat op een latere rechtszitting. Aldus is eisers recht van verdediging gevrijwaard en is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel van de eiser III
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 215 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters hebben de zaak ten onrechte niet geëvoceerd en beantwoorden niet het verweer van de eiser III dat het beroepen vonnis, dat de strafvordering niet ontvankelijk had verklaard, kracht van gewijsde heeft voor wat betreft de niet-bestreden beschikkingen en ten aanzien van de partijen die geen appellant of geïntimeerde zijn; enkel ingevolge evocatie kon de strafvordering aan het oordeel van de appelrechters worden onderworpen ingevolge het enkele hoger beroep van de verweerders.
- Wanneer de eerste rechter zich onbevoegd verklaart om uitspraak te doen over de burgerlijke rechtsvordering wegens de vermeende niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, is de appelrechter op het enkele hoger beroep van de burgerlijke partij ertoe gehouden uitspraak te doen over zowel de strafvordering als de daarop gesteunde burgerlijke rechtsvordering. Die bevoegdheid en die plicht van de appelrechter vormen geen toepassing van de regels inzake de evocatie zoals bedoeld in artikel 215 Wetboek van Strafvordering, maar vloeien voort uit de devolutieve werking van het hoger beroep van de burgerlijke partij. De appelrechter in strafzaken kan zich immers niet uitspreken over de burgerlijke rechtsvordering van deze laatste zonder eerst de strafvordering ontvankelijk te verklaren, zodat zijn beslissing over die beide vorderingen onsplitsbaar is. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest II (p. 6) oordeelt, na het hoger beroep van de verweerders ontvankelijk te hebben verklaard: “Het bestreden vonnis waarbij de strafvordering onontvankelijk werd verklaard staat het hoger beroep van [de verweerders] niet in de weg in die zin dat wanneer de appelrechter vaststelt dat dergelijke beslissing onterecht werd genomen, hij op het enkel hoger beroep van de burgerlijke partijen niet alleen over de burgerlijke vordering maar ook over de strafvordering zal uitspraak doen (…). Daarom strekt de rechtsmacht van het hof (van beroep) zich uit tot de beoordeling of de strafvordering terecht onontvankelijk werd verklaard en in het geval dit niet zou zijn tot de beschikkingen op strafrechtelijk gebied van het bestreden vonnis die betrekking hebben op de schuld, de straf en de burgerrechtelijke vordering.” Aldus verwerpt en beantwoordt het arrest het verweer van de eiser III en is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- Voor wat betreft de eiser III zijn de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht genomen en is de beslissing overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest I in zoverre het geen uitspraak doet over de door de eiseressen I en II lastens de verweerders gevorderde rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep. Verwerpt het cassatieberoep van de eiser III. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest I. Houdt de beslissing over de kosten van de cassatieberoepen I en II aan en laat ze over aan de rechter op verwijzing. Veroordeelt de eiser III tot de kosten van zijn cassatieberoep. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Bepaalt de kosten voor de eiser III op 127,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 16 mei 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230516.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250603.2N.5 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251217.2F.30 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div