id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:A
Art. 202
, 2° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 202
, 2° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 4 Afgezien van de in artikel 203, § 4, Wetboek van Strafvordering vermelde voorwaarden, is het instellen van incidenteel beroep niet gebonden aan bijzondere vormvoorwaarden; uit de enkele omstandigheid dat de geïntimeerde op de burgerlijke rechtsvordering in een voor de appelrechters genomen conclusie de wijziging nastreeft van een in het beroepen vonnis over die rechtsvordering genomen beslissing die hem grieft, blijkt dan ook dat die geïntimeerde incidenteel beroep heeft ingesteld
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Incidenteel beroep Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 203
, § 4 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 203
, § 4 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 6 Wanneer de burgerlijke partij hoger beroep aantekent tegen een vonnis dat haar vordering ontvankelijk maar ongegrond verklaart, kan de geïntimeerde op dit hoofdberoep incidenteel beroep aantekenen door voor de appelrechters de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling te betwisten
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Incidenteel beroep Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 203
, § 4 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 203, § 4 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.
P.23.0188.N I B. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sven De Baere, advocaat bij de balie Brussel, II K. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Frédéric Thiebaut, advocaat bij de balie Antwerpen, beide cassatieberoepen tegen R. H., burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 11 januari
- De eisers voeren in afzonderlijke memories die aan dit arrest zijn gehecht, een gelijkluidend middel aan. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft op 11 mei 2023 een schriftelijke conclusie ingediend ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 23 mei 2023 heeft raadsheer Steven Van Overbeke verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel van de eisers I en II Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 202, 2°, 204 en 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat de beroepen beslissing waarbij de vordering van de verweerder als burgerlijke partij ontvankelijk werd verklaard, definitief is, verantwoordt het arrest de beslissing dat het geen saisine heeft om uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van de burgerlijkepartijstelling van de verweerder tegen de eisers, niet naar recht; uit de appelconclusies van de eisers blijkt dat zij in hoger beroep hebben opgeworpen dat de burgerlijkepartijstelling van de verweerder in eerste aanleg niet ontvankelijk was omdat ze louter per e-mail naar de griffie was verstuurd, zodat ook verweerders hoger beroep niet ontvankelijk was; wanneer een burgerlijke partij die zelf de strafvordering niet op gang heeft gebracht als enige hoger beroep aantekent tegen de ongegrondverklaring van haar burgerlijke vordering door de eerste rechter, is de appelrechter niet alleen gehouden te oordelen over de gegrondheid van de burgerlijke vordering maar ook over de ontvankelijkheid van de burgerlijkepartijstelling, aangezien in dat geval de ontvankelijkheid van het hoger beroep afhankelijk is van de ontvankelijkheid van de burgerlijkepartijstelling.
- Een burgerlijke partij heeft bij toepassing van artikel 202, 2°, Wetboek van Strafvordering het recht om hoger beroep in te stellen tegen vonnissen van de correctionele rechtbank, zij het alleen wat haar burgerlijke belangen betreft. De enkele omstandigheid dat de ontvankelijkheid van de burgerlijkepartijstelling wordt betwist, doet hieraan geen afbreuk. Zo ook heeft de enkele omstandigheid dat een burgerlijke partij die zelf de strafvordering niet op gang heeft gebracht als enige hoger beroep aantekent tegen de ongegrondverklaring van haar burgerlijke rechtsvordering, niet tot gevolg dat de ontvankelijkheid van haar hoger beroep afhankelijk is van de ontvankelijkheid van haar burgerlijkepartijstelling zelf. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Artikel 203, § 4, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat in alle gevallen waarin de burgerlijke rechtsvordering wordt gebracht voor de rechter in hoger beroep, de gedaagde bij een op de rechtszitting genomen conclusie incidenteel beroep kan instellen zolang het debat in hoger beroep niet gesloten is.
- Afgezien van de in die bepaling vermelde voorwaarden, is het instellen van incidenteel beroep niet gebonden aan bijzondere vormvoorwaarden. Uit de enkele omstandigheid dat de geïntimeerde op de burgerlijke rechtsvordering in een voor de appelrechters genomen conclusie de wijziging nastreeft van een in het beroepen vonnis over die rechtsvordering genomen beslissing die hem grieft, blijkt dan ook dat die geïntimeerde incidenteel beroep heeft ingesteld.
- Wanneer de burgerlijke partij hoger beroep aantekent tegen een vonnis dat haar vordering ontvankelijk maar ongegrond verklaart, kan de geïntimeerde op dit hoofdberoep incidenteel beroep aantekenen door voor de appelrechters de ontvankelijkheid van de burgerlijkepartijstelling te betwisten.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende: de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder tegen de eisers wordt in het beroepen vonnis ontvankelijk maar ongegrond verklaard; de verweerder heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis; de eisers hebben in hun appelconclusies de ontvankelijkheid van de vordering van de verweerder betwist.
- Door te oordelen dat de beslissing van het beroepen vonnis over de ontvankelijkheid van de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder definitief is en de appelrechter op het enkele hoger beroep van de verweerder de ontvankelijkheid van die vordering niet meer kan beoordelen, verantwoordt het arrest zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Overige grieven
- De grieven kunnen niet leiden tot ruimere cassatie noch tot cassatie zonder verwijzing en behoeven bijgevolg geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder tegen de eisers I en II, behoudens in zoverre het hoger beroep van de verweerder tegen de eisers ontvankelijk wordt verklaard. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 23 mei 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230523.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230523.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div