← België

V. contra H.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:A

Art. 4

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Burgerlijke rechtsvordering Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 152 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 4

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 3 - 4 Wanneer voor de behandeling van de burgerlijke rechtsvordering voor de strafrechter toepassing wordt gemaakt van artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, bepaalt de rechter bij toepassing van het zesde lid en het tiende lid van die bepaling de termijnen om conclusies te nemen en de rechtsdag en in dat geval is de rechter bij toepassing van artikel 4, elfde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering ertoe gehouden, behoudens akkoord van de partijen of behoudens de in artikel 748, § 2, Gerechtelijk Wetboek bedoelde uitzondering, de conclusies die na het verstrijken van de vastgestelde conclusietermijnen worden overgelegd, ambtshalve uit het debat te weren

(1).
(1)Zie Cass. 21 februari 2017, AR P.16.1079.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170221.5, AC 2017, nr. 123. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Burgerlijke rechtsvordering Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 4

, elfde lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 748, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 4

, elfde lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 748, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 5 - 6 Een procespartij wiens laatste conclusietermijn, bepaald bij toepassing van artikel 4, zesde en tiende lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, is verstreken en die meent dat er sprake is van een nieuw en terzake dienend stuk of feit waardoor een nieuwe conclusietermijn gerechtvaardigd is, dient bij toepassing van artikel 4, elfde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 748, § 2, Gerechtelijk Wetboek een verzoek te richten tot de rechter door middel van een verzoekschrift waarin hij om een nieuwe conclusietermijn verzoekt en waarin het nieuwe stuk of feit alsook de invloed ervan op het onderzoek van het geschil nauwkeurig wordt aangegeven; behoudens akkoord van de overige partijen, kan die procespartij zich in dat geval niet ertoe beperken om na de bij toepassing van artikel 4, zesde en tiende lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalde conclusietermijnen een conclusie neer te leggen waarin hij zijn standpunt over het volgens hem nieuwe stuk of feit uiteenzet. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Burgerlijke rechtsvordering Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 4

, zesde, tiende en elfde lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 748, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 4

, zesde, tiende en elfde lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 748, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 7 - 8 Uit de bepalingen van artikel 4, zesde en elfde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van strafvordering, moet worden afgeleid dat, wanneer de burgerlijke rechtsvordering voor de strafrechter in staat werd gesteld bij toepassing van artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, niet alleen de conclusies maar ook de stukken die werden neergelegd na de bij toepassing van artikel 4, zesde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering vastgestelde termijnen, in beginsel uit het debat moeten worden geweerd. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Burgerlijke rechtsvordering Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 4

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 4

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 9 - 10 De omstandigheid dat een tijdens de strafprocedure ingestelde incidentele valsheidsvordering tegen een stuk van het dossier ongegrond wordt verklaard, heeft niet noodzakelijk tot gevolg dat een in diezelfde procedure op grond van artikel 159 Grondwet aangevoerde exceptie van onwettigheid met betrekking tot datzelfde stuk eveneens ongegrond is; wanneer die exceptie van onwettigheid evenwel betrekking heeft op dezelfde aanvoering als deze waarop de valsheidsvordering is gebaseerd en die vordering wordt verworpen omdat die aanvoering niet bewezen is, kan de rechter de exceptie van onwettigheid naar recht verwerpen op grond van de afwijzing van de valsheidsvordering. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 159 REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Tekst van de beslissing Nr. P.22.0522.N

  1. P. V. C., burgerlijke partij,
  2. F. V. C., burgerlijke partij, eisers, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist en mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaten bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen R. H. M. H., beklaagde, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 14 september 2017 (hierna arrest I) en 29 maart 2022 (hierna arrest II). De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  3. Het arrest II: - verklaart het hoger beroep van de eisers ontvankelijk en gegrond in zoverre gericht tegen de beslissing van de eerste rechter waarbij deze zich zonder rechtsmacht verklaarde om te oordelen over de burgerlijke rechtsvordering; - verklaart de vordering van de verweerder tot het verkrijgen van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding ontvankelijk maar ongegrond; - laat de kosten van het hoger beroep ten laste van de Belgische Staat. In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
  4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 152 Wetboek van Strafvordering en artikel 748, § 2, Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging: met het oordeel dat het debat in het tussenarrest van 8 februari 2022 enkel werd heropend om de zaak te pleiten voor de anders samengestelde zetel, verantwoordt het arrest II niet naar recht de beslissing om de op 23 februari 2022 door de eisers neergelegde appelconclusie uit het debat te weren; de eisers hadden in hun op 23 februari 2022 neergelegde appelconclusie aangevoerd dat het neerleggen van nieuwe conclusies gerechtvaardigd was door nieuwe en terzake dienende stukken, waarbij zij op 24 februari 2022 ook stukken hebben neergelegd; de eisers hebben in die conclusie aangevoerd dat de rechter ingevolge de nieuwe stukken nieuwe conclusietermijnen en een nieuwe rechtsdag kan bepalen; de appelrechter was er dan ook toe gehouden om bij toepassing van artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering na te gaan of er sprake was van nieuwe en terzake dienende stukken dan wel of de laattijdige neerlegging of mededeling louter dilatoire doeleinden nastreeft of de rechten van de andere partijen of het verloop van de rechtspleging schendt.
  5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het arrest II, dat louter uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvordering van de eisers tegen de verweerder, werd gewezen nadat de zaak in staat werd gesteld en conclusietermijnen werden bepaald bij toepassing van artikel 4, derde tot en met het elfde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. Op die instaatstelling is artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering niet van toepassing.
  6. Het onderdeel, dat geheel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 748, § 2, Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging: met het oordeel dat het debat in het tussenarrest van 8 februari 2022 enkel werd heropend om de zaak te pleiten voor de anders samengestelde zetel, verantwoordt het arrest II niet naar recht de beslissing om de op 23 februari 2022 door de eisers neergelegde appelconclusie uit het debat te weren; de eisers hadden in hun op 23 februari 2022 neergelegde appelconclusie aangevoerd dat het neerleggen van nieuwe conclusies gerechtvaardigd was door nieuwe en terzake dienende stukken; de appelrechter was er dan ook toe gehouden om bij toepassing van artikel 4, elfde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 748, § 2, Gerechtelijk Wetboek na te gaan of er sprake is van nieuwe en terzake dienende stukken, die immers rechtvaardigen dat er conclusies worden ingediend na het verstrijken van de bij toepassing van artikel 4, tiende lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalde conclusietermijnen.
  8. Wanneer voor de behandeling van de burgerlijke rechtsvordering voor de strafrechter toepassing wordt gemaakt van artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, bepaalt de rechter bij toepassing van het zesde lid en het tiende lid van die bepaling de termijnen om conclusies te nemen en de rechtsdag. In dat geval is de rechter bij toepassing van artikel 4, elfde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering ertoe gehouden, behoudens akkoord van de partijen of behoudens de in artikel 748, § 2, Gerechtelijk Wetboek bedoelde uitzondering, de conclusies die na het verstrijken van de vastgestelde conclusietermijnen worden overgelegd, ambtshalve uit het debat te weren.
  9. Een procespartij wiens laatste conclusietermijn, bepaald bij toepassing van artikel 4, zesde en tiende lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, is verstreken en die meent dat er sprake is van een nieuw en terzake dienend stuk of feit waardoor een nieuwe conclusietermijn gerechtvaardigd is, dient bij toepassing van artikel 4, elfde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 748, § 2, Gerechtelijk Wetboek een verzoek te richten tot de rechter door middel van een verzoekschrift waarin hij om een nieuwe conclusietermijn verzoekt en waarin het nieuwe stuk of feit alsook de invloed ervan op het onderzoek van het geschil nauwkeurig wordt aangegeven. Behoudens akkoord van de overige partijen, kan die procespartij zich in dat geval niet ertoe beperken om na de bij toepassing van artikel 4, zesde en tiende lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalde conclusietermijnen een conclusie neer te leggen waarin hij zijn standpunt over het volgens hem nieuwe stuk of feit uiteenzet.
  10. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  11. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - bij beschikking van 5 januari 2021 de kamervoorzitter op verzoek van de verweerder bij toepassing van artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering conclusietermijnen heeft vastgelegd en de rechtsdag heeft bepaald op 14 december 2021; - de zaak werd behandeld en in beraad genomen door een alleenzetelende kamervoorzitter op de rechtszitting van 14 december 2021, waarbij de uitspraak van het arrest werd uitgesteld naar de rechtszitting van 11 januari 2022 en vervolgens naar de rechtszitting van 8 februari 2022; - het hof van beroep bij tussenarrest van 8 februari 2022 heeft geoordeeld dat het in de huidige samenstelling niet kon oordelen in het dossier omdat de kamervoorzitter zich diende te onthouden, waarbij het debat werd heropend om te worden hernomen op de rechtszitting van 1 maart 2022 voor een anders samengestelde zetel; - de eisers op 23 februari 2022 via e-deposit ter griffie een conclusie hebben ingediend onder de titel “Conclusies in hoger beroep na heropening der debatten”, en op 24 februari 2022 ook nieuwe stukken ter griffie hebben neergelegd; - in de op 23 februari 2022 neergelegde conclusie melding wordt gemaakt van nieuwe en terzake dienende stukken en feiten die de neerlegging van die conclusie volgens de eisers rechtvaardigen, waarbij weliswaar ook wordt gewezen op de mogelijkheid voor de rechter om ingevolge die nieuwe stukken bij toepassing van artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering nieuwe conclusietermijnen te bepalen, maar waarin niet wordt verzocht dat er nieuwe conclusietermijnen en een nieuwe rechtsdag zouden worden bepaald; - de zaak op de rechtszitting van 1 maart 2022 ab initio werd hernomen en werd behandeld voor de anders samengestelde zetel, waarbij op die rechtszitting door de raadsman van de verweerder werd verzocht om de door de eisers op 23 februari 2022 neergelegde conclusie en de op 24 februari 2022 neergelegde stukken uit het debat te weren. Op grond van die gegevens is de beslissing van het arrest II dat de door de eisers op 23 februari 2022 neergelegde conclusie en de op 24 februari 2022 neergelegde stukken moeten worden geweerd, wettig verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, artikel 152 Wetboek van Strafvordering en artikel 748, § 2, Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest II verantwoordt niet naar recht de beslissing om de op 24 februari 2022 door de eisers neergelegde stukken uit het debat te weren; zelfs in zoverre moet worden aangenomen dat het arrest II de op 23 februari 2022 neergelegde conclusie uit het debat kon weren, laten noch artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering, noch artikel 4, elfde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering toe dat ook de na de vastgelegde conclusietermijnen neergelegde stukken uit het debat zouden worden geweerd; dit laatste is maar mogelijk wanneer de laattijdige neerlegging van de stukken dilatoire doeleinden zou nastreven, de rechten van andere partijen zou aantasten of de goede rechtsbedeling zou belemmeren.
  13. Artikel 152 Wetboek van Strafvordering is niet van toepassing wanneer de behandeling van de burgerlijke rechtsvordering voor de strafrechter in staat werd gesteld bij toepassing van artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  14. Artikel 4, zesde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat, wanneer uitspraak is gedaan over de strafvordering, elke in het geding zijnde partij de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, kan verzoeken termijnen vast te stellen voor de overzending en de indiening van de stukken, alsmede de conclusies en de rechtsdag te bepalen.
  15. Volgens artikel 4, elfde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering worden, behoudens akkoord van de partijen of de in artikel 748, § 2, Gerechtelijk Wetboek bedoelde uitzondering, de conclusies die na het verstrijken van de in het tiende lid vastgestelde termijnen worden overgelegd, ambtshalve uit het debat geweerd en kan op de vastgestelde dag de meest gerede partij een vonnis op tegenspraak vorderen.
  16. Uit die bepalingen moet worden afgeleid dat, wanneer de burgerlijke rechtsvordering voor de strafrechter in staat werd gesteld bij toepassing van artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, niet alleen de conclusies maar ook de stukken die werden neergelegd na de bij toepassing van artikel 4, zesde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering vastgestelde termijnen, in beginsel uit het debat moeten worden geweerd. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Vierde onderdeel
  17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest II weert de door de eisers na de heropening van het debat neergelegde conclusies en stukken uit het debat zonder enige rechtsgrond te vermelden; aldus is het Hof in de onmogelijkheid om zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen.
  18. Uit het antwoord op het tweede en het derde onderdeel blijkt dat het arrest II de door de eisers na de heropening van het debat neergelegde conclusies en stukken uit het debat weert op grond van artikel 4, zesde en elfde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  19. Het middel preciseert in geen van zijn onderdelen waarom het arrest I of het arrest II artikel 6 EVRM en artikel 13 Grondwet schenden. In zoverre het middel de schending van die verdragsbepaling en die grondwetsbepaling aanvoert, is het bij gebrek aan duidelijkheid niet ontvankelijk. Eerste onderdeel
  20. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 149 en 159 Grondwet, artikel 42, § 1, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals hier van toepassing, de artikelen 14, 104 en 108 Nieuwe Gemeentewet en artikel 1 van het ministerieel besluit van 10 juli 1997 houdende bepaling van de vorm der beslissingen inzake bouwaanvragen, zoals hier van toepassing: met het oordeel dat de valsheidsvordering werd afgewezen in het arrest I en dat de klacht met burgerlijkepartijstelling heeft geleid tot een buitenvervolgingstelling, is de beslissing van het arrest II dat de “bouwvergunning formulier A” van 17 november 1999 niet onwettig is, niet naar recht verantwoord en niet regelmatig met redenen omkleed; het arrest II diende deze regularisatievergunning van 17 november 1999 op haar interne en externe wettigheid te toetsen en te onderzoeken of ze strookt met de wet dan wel op machtsoverschrijding berust; de “bouwvergunning formulier A” van 17 november 1999 werd ondertekend door burgemeester S., terwijl uit het register van de besluiten van het schepencollege van 17 november 1999 blijkt dat burgemeester S. niet aanwezig was op de zitting van het schepencollege van 17 november 1999 maar wel de dienstdoende burgemeester V.; het arrest II antwoordt in dit verband ook niet op het verweer dat de eisers hierover in hun appelconclusie hadden aangevoerd.
  21. De omstandigheid dat een tijdens de strafprocedure ingestelde incidentele valsheidsvordering tegen een stuk van het dossier ongegrond wordt verklaard, heeft niet noodzakelijk tot gevolg dat een in diezelfde procedure op grond van artikel 159 Grondwet aangevoerde exceptie van onwettigheid met betrekking tot datzelfde stuk eveneens ongegrond is. Wanneer die exceptie van onwettigheid evenwel betrekking heeft op dezelfde aanvoering als deze waarop de valsheidsvordering is gebaseerd en die vordering wordt verworpen omdat die aanvoering niet bewezen is, kan de rechter de exceptie van onwettigheid naar recht verwerpen op grond van de afwijzing van de valsheidsvordering. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  22. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de eisers een incidentele valsheidsvordering hebben ingesteld tegen de regularisatievergunning van 17 november 1999 omdat die vergunning volgens hen niet op een regelmatige wijze werd verleend, meer bepaald omdat die vergunning werd ondertekend door burgemeester S., terwijl uit het register van de besluiten van het schepencollege van 17 november 1999 blijkt dat burgemeester S. niet aanwezig was op die zitting maar wel de dienstdoende burgemeester V.; - het arrest I de valsheidsvordering afwijst, onder meer op grond van de redenen dat de beweringen van de eisers volgens welke de modus operandi van de gemeentelijke overheden zelf in hun geheel valsheid in geschriften uitmaakt, niet kunnen worden aangenomen en dat een onderzoek naar de eventuele valsheid, mede door het grote tijdsverloop sinds de redactie van de stukken, als onmogelijk overkomt; - het arrest I aldus te kennen geeft dat het niet bewezen is dat de vergunning van 17 november 1999 niet zou zijn genomen door de bevoegde gemeentelijke overheid met inachtneming van de vormvereisten, en de eisers aldus falen in de op hen rustende bewijslast; - de eisers bij de verdere behandeling van de zaak na het arrest I op grond van artikel 159 Grondwet de onwettigheid van de regularisatievergunning van 17 november 1999 hebben aangevoerd omdat die vergunning werd ondertekend door burgemeester S., terwijl uit het register van de besluiten van het schepencollege van 17 november 1999 blijkt dat burgemeester S. niet aanwezig was op die zitting maar wel de dienstdoende burgemeester V., zodat het schepencollege op 17 november 1999 geen beslissing tot het verlenen van een bouwvergunning heeft genomen. Het arrest II (p. 9) oordeelt dat geen onwettigheid van de bouwtoelating van 17 november 1999 kan worden vastgesteld en dat het niet bewezen is dat de bouwtoelating van 17 november 1999 niet op een wettige wijze tot stand kwam, onder meer op grond van de reden dat de valsheidsvordering reeds werd afgewezen in het arrest I. In het licht van de voormelde gegevens verantwoordt het arrest II met die redenen naar recht de beslissing tot afwijzing van de illegaliteitsexceptie tegen de vergunning van 17 november 1999 en verwerpt en beantwoordt het de andersluidende conclusies van de eisers. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede en derde onderdeel
  23. Het tweede onderdeel voert schending aan van de artikelen 458, 459, 460, 463 en 464 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 193, 194, 195 en 196 Strafwetboek, artikel 42, § 1, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals hier van toepassing, de artikelen 14, 104 en 108 Nieuwe Gemeentewet en artikel 1 van het ministerieel besluit van 10 juli 1997 houdende bepaling van de vorm der beslissingen inzake bouwaanvragen, zoals hier van toepassing: de beslissing van het arrest I tot afwijzing van de door de eisers ingestelde valsheidsvordering met betrekking tot het uittreksel uit het register van de besluiten van het schepencollege van 17 november 1999 en met betrekking tot de “bouwvergunning formulier A” van 17 november 1999, is niet naar recht verantwoord; de “bouwvergunning formulier A” van 17 november 1999 werd immers ondertekend door burgemeester S., terwijl uit het register van de besluiten van het schepencollege van 17 november 1999 blijkt dat burgemeester S. niet aanwezig was op de zitting van het schepencollege van 17 november 1999 maar wel de dienstdoende burgemeester V.; een beslissing tot het verlenen van een bouwvergunning vereist als substantiële formaliteit dat die beslissing wordt ondertekend door de voorzitter van het college dat de beslissing heeft genomen, en dit aan de hand van het formulier A, zoals bedoeld in het ministerieel besluit van 10 juli 1997 houdende bepaling van de vorm der beslissingen inzake bouwaanvragen; door louter te verwijzen naar de buitenvervolgingstelling van de betrokkenen en de adviezen van het openbaar ministerie en hierbij te oordelen dat de beweringen van de eisers eenzijdig en niet controleerbaar zijn, kan het arrest I niet naar recht besluiten tot de verwerping van de valsheidsvordering. Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 159 Grondwet, de artikelen 458, 459, 460, 463 en 464 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 193, 194, 195 en 196 Strafwetboek, artikel 42, § 1, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals hier van toepassing, de artikelen 14, 104 en 108 Nieuwe Gemeentewet en artikel 1 van het ministerieel besluit van 10 juli 1997 houdende bepaling van de vorm der beslissingen inzake bouwaanvragen, zoals hier van toepassing: met het oordeel dat de beweringen van de eisers eenzijdig en niet ernstig objectief controleerbaar zijn, is de beslissing van het arrest I tot verwerping van de valsheidsvordering, niet naar recht verantwoord; het arrest I kan op grond van de neergelegde stukken wel degelijk nagaan of het college van burgemeester en schepenen tijdens de vergadering van 17 november 1999 een bouwvergunningsbeslissing heeft genomen waarvan het desbetreffende formulier A moest worden ondertekend door de voorzitter van die vergadering, of de dienstdoende burgemeester V. de “bouwvergunning formulier A” van 17 november 1999 ook heeft ondertekend, alsook of degene die dit stuk heeft ondertekend, namelijk burgemeester S., heeft deelgenomen aan de vergadering van 17 november
  24. Een door een procespartij ingestelde incidentele valsheidsvordering met betrekking tot een in de strafprocedure als overtuigingsstuk voorgelegde administratieve vergunning kan slechts worden aangenomen wanneer dit stuk geheel of gedeeltelijk niet met de waarheid strookt. Uit de enkele omstandigheid dat naar aanleiding van het verlenen van die administratieve vergunning volgens de procespartij die de valsheidsvordering instelt een onregelmatigheid werd begaan, kan niet worden afgeleid dat een op die onregelmatigheid gebaseerde valsheidsvordering noodzakelijk gegrond moet worden verklaard. In zoverre de onderdelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht.
  25. Het arrest I beperkt zich niet tot het oordeel dat de beweringen van de eisers eenzijdig en niet controleerbaar zijn en wijst de incidentele valsheidsvordering van de eisers niet alleen af door te verwijzen naar de buitenvervolgingstelling van de betrokkenen in de desbetreffende strafprocedure en naar de adviezen van het openbaar ministerie. Het arrest I (p. 7) oordeelt ook dat de argumentatie van de eisers met betrekking tot het onbehoorlijk handelen van een aantal actoren en de beweringen van de eisers volgens welke de modus operandi van de technische diensten van de gemeente en van de gemeentelijke overheden zelf in hun geheel valsheid in geschriften uitmaakt, niet kunnen worden aangenomen. Het geeft hiermee te kennen dat het niet bewezen is dat de vergunning van 17 november 1999 niet zou zijn genomen door de bevoegde gemeentelijke overheid met inachtneming van de vormvereisten en dat de eisers aldus falen in de op hen rustende bewijslast. In zoverre berusten de onderdelen op een onvolledige lezing van het arrest I en missen ze feitelijke grondslag.
  26. Voor het overige komen de onderdelen in werkelijkheid op tegen het onaantastbare oordeel van het arrest I over de feiten of verplichten ze tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre zijn de onderdelen niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 136,81 euro, waarvan 101,81 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 23 mei 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230523.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170221.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.