← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:A

Art. 26

, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof

Art. 26, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: CASSATIE - ALGEMEEN.

OPDRACHT EN BESTAANSREDEN VAN HET HOF. AARD VAN HET CASSATIEGEDING Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof

Art. 26

, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Fiches 7 - 9 De wetgever heeft het aan het uitsluitende oordeel van de rechter overgelaten of een omstandigheid eigen aan de te beoordelen feiten of aan de dader wordt aangenomen als een verzachtende omstandigheid in de zin van artikel 85 Strafwetboek; het cassatiemiddel dat opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel is niet ontvankelijk. Thesaurus CAS: STRAF - VERZACHTENDE OMSTANDIGHEDEN. VERSCHONINGSGRONDEN Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 85 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 85 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Onaantastbare beoordeling door feitenrechter Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 85 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1231.N D. G. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Patrick Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 3 september

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Bij arrest van 22 februari 2022 heeft het Hof het tweede tot en met het vijfde onderdeel van het eerste middel gedeeltelijk beantwoord en voor het overige met betrekking tot deze onderdelen van dit middel aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag gesteld. Het verder beantwoorden van de door de eiser aangevoerde middelen en de beslissing over de kosten werden aangehouden. Het Grondwettelijk Hof heeft met zijn arrest nr. 17/2023 van 2 februari 2023 de prejudiciële vraag beantwoord. Op de rechtszitting van 30 mei 2023 heeft raadsheer Peter Hoet verslag uitgebracht en heeft advocaat-generaal Dirk Schoeters geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 IVBPR, alsmede miskenning van de regeling van de bewijslast in strafzaken, het vermoeden van onschuld en het algemeen rechtsbeginsel dat de vervolgende partij of de burgerlijke partij het bewijs moet leveren van alle bestanddelen van het misdrijf: het bestreden vonnis wijst eisers verzoek tot het stellen van deze prejudiciële vraag af omdat de eiser niet aantoont en ook niet waarschijnlijk maakt dat het hem ten laste gelegde feit onopzettelijk zou zijn gepleegd; deze vraag betreft het moreel bestanddeel van het misdrijf dat integraal moet worden geleverd door de vervolgende of burgerlijke partij. Het tweede, derde, vierde en vijfde onderdeel voeren schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet (tweede en vijfde onderdeel) en artikel 149 Grondwet (derde, vierde en vijfde onderdeel), artikel 26 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof (tweede, derde, vierde en vijfde onderdeel) en artikel 29, § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof (derde, vierde en vijfde onderdeel): de eiser verzocht de appelrechters de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, namelijk: “Schenden de artikelen 49/1 en 38, § 1, 1° Wegverkeerswet de artikelen 10 en 11 Grondwet, doordat het dezelfde geldboete van 200,00 tot 2.000,00 euro en het facultatief bijkomend verval van het recht tot sturen van 8 dagen tot vijf jaar, die de wetgever nodig achtte voor diegene die bij verval van het recht tot sturen bewust nalaat om zijn rijbewijs tijdig in te leveren ter griffie teneinde nog verder te kunnen rijden tijdens de periode van het verval, ook toepast voor de bestraffing van diegene die slechts uit vergetelheid of onzorgvuldigheid zijn rijbewijs laattijdig ter griffie inlevert?”; het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte deze vraag niet te moeten stellen omdat de eiser daarmee de zwaarte van de straf in vraag zou stellen, wat een prerogatief van de wetgever is en dus geen reden is tot het stellen van een prejudiciële vraag (tweede onderdeel); het wijst verder ten onrechte eisers verzoek tot het stellen van deze vraag af omdat de rechtbank niet verplicht is deze vraag te stellen en hierover soeverein beslist (derde onderdeel); het bestreden vonnis oordeelt eveneens ten onrechte dat de prejudiciële vraag niet bijdraagt tot de beslechting ten gronde en derhalve niet relevant zijn en met overname van de redenen van het beroepen vonnis dat de antwoorden niet nuttig noch onontbeerlijk zijn voor het geschil; de rechtbank kan oordelen over de redenen waarom de eiser zijn rijbewijs niet binnen de gestelde termijn heeft neergelegd en of er al dan niet verzachtende omstandigheden aanwezig zijn; deze redenen zijn tegenstrijdig doordat de prejudiciële vraag niet zowel niet pertinent als niet onontbeerlijk kan zijn voor de oplossing van de zaak (vierde onderdeel); het oordeelt ten slotte ten onrechte dat voorgestelde prejudiciële vraag geen gelijke categorieën zou vergelijken die verschillend worden behandeld (vijfde onderdeel).
  3. Met het arrest van 22 februari 2022 heeft het Hof geoordeeld dat noch uit de tekst van artikel 49/1 Wegverkeerswet noch uit de wetsgeschiedenis ervan noch uit de aard van dit misdrijf kan worden afgeleid dat het moreel bestanddeel van dit misdrijf noodzakelijk bestaat in opzet, dit is het wetens en willens aannemen van de strafbare gedraging, zodat het door artikel 49/1 Wegverkeerswet bedoelde misdrijf strafbaar is ongeacht of het met opzet dan wel louter door een onachtzaamheid werd gepleegd.
  4. Het Grondwettelijk Hof heeft met zijn arrest nr. 17/2023 van 2 februari 2023 op de bij arrest van 22 februari 2022 gestelde prejudiciële vraag als volgt geantwoord: “Artikel 49/1 van de wet van 16 maart 1968 «betreffende de politie over het wegverkeer» schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.” Dit antwoord is gegrond op de volgende redenen: “B.
  5. Personen kunnen zich aldus slechts schuldig maken aan het plegen van het in artikel 49/1 van de Wegverkeerswet bedoelde misdrijf nadat een rechter tegen hen een verval van het recht op sturen heeft uitgesproken en, behoudens wanneer het verval op tegenspraak wordt uitgesproken wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid, na een kennisgeving of een betekening van de desbetreffende rechterlijke beslissing. B.6.
  6. Volgens de in het geding zijnde bepaling kan het erin omschreven misdrijf worden bestraft met een geldboete van 200 tot 2 000 euro (vóór de toepassing van de opdeciemen) en kan de rechter die geldboete in geval van verzachtende omstandigheden verminderen, zonder dat ze minder dan één euro mag bedragen. B.6.
  7. Het feit dat het misdrijf kan worden bestraft met een geldboete van 200 tot 2 000 euro, is niet zonder redelijke verantwoording ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstellingen betreffende het verhogen van de verkeersveiligheid en het handhaven van rechterlijke beslissingen in verkeerszaken, gelet op het feit dat de rechter, naar gelang van het voorliggende geval, een sanctie binnen voldoende ruime marges van straffen kan kiezen en bovendien de bij de wet bepaalde straffen kan verminderen in geval van verzachtende omstandigheden. B.
  8. Rekening houdend met de voormelde strafmodaliteiten, evenals met het feit dat de personen tegen wie een verval van het recht tot sturen wordt uitgesproken, naar aanleiding van die uitspraak ervan op de hoogte worden gebracht dat zij hun rijbewijs bij de griffier van het betrokken gerecht dienen in te leveren binnen de in artikel 67 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 bepaalde termijn, is het niet zonder redelijke verantwoording dat de in het geding zijnde bepaling geen onderscheid maakt in de bestraffing, naargelang de dader het erin omschreven misdrijf opzettelijk dan wel uit onachtzaamheid pleegt. B.
  9. De in het geding zijnde bepaling is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.”
  10. Hieruit volgt dat de omstandigheid dat de wetgever met artikel 49/1, eerste lid, Wegverkeerswet in eenzelfde bestraffing heeft voorzien ongeacht of het door dit misdrijf strafbaar gestelde verzuim opzettelijk of door onachtzaamheid werd gepleegd, geen schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 Grondwet. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  11. Aangezien het Hof de door de eiser voorgestelde prejudiciële vraag heeft gesteld aan het Grondwettelijk Hof, heeft de eiser voor het overige geen belang meer bij zijn middel dat opkomt tegen het niet-stellen van deze prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede en derde middel
  12. Het eerste onderdeel van het tweede middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 IVBPR, alsmede miskenning van de regeling van de bewijslast in strafzaken, het vermoeden van onschuld en het algemeen rechtsbeginsel dat de vervolgende partij of de burgerlijke partij het bewijs moet leveren van alle bestanddelen van het misdrijf en verwijst voor de ontwikkeling van dit onderdeel naar het eerste onderdeel van het eerste middel. Het tweede, derde, vierde en vijfde onderdeel van het tweede middel voeren schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet (tweede en vijfde onderdeel) en artikel 149 Grondwet (derde, vierde en vijfde onderdeel), artikel 26 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof (tweede, derde, vierde en vijfde onderdeel) en artikel 29, § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof (derde, vierde en vijfde onderdeel): de eiser verzocht de appelrechters de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, namelijk: “Schenden de artikelen 49/1 en 38, § 1, 1° Wegverkeerswet de artikelen 10 en 11 Grondwet, doordat ze voor het niet tijdig inleveren van het rijbewijs ter griffie bij een verval van het recht tot sturen, een geldboete bepalen van 200,00 euro tot 2.000,00 euro en een facultatief bijkomend verval van het recht tot sturen van 8 dagen tot vijf jaar, terwijl artikel 49 Wegverkeerswet voor wetens toevertrouwen van een motorvoertuig aan een persoon die van het recht tot sturen vervallen is verklaard, slechts tot een geldboete van 100,00 tot 1.000,00 euro en geen facultatief verval van het recht tot sturen bepaalt?”; de onderdelen verwijzen vervolgens in essentie naar wat is uiteengezet in de onderscheiden onderdelen van het eerste middel. Het eerste onderdeel van het derde middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 IVBPR, alsmede miskenning van de regeling van de bewijslast in strafzaken, het vermoeden van onschuld en het algemeen rechtsbeginsel dat de vervolgende partij of de burgerlijke partij het bewijs moet leveren van alle bestanddelen van het misdrijf en verwijst voor de ontwikkeling van dit onderdeel naar het eerste onderdeel van het eerste middel. Het tweede, derde, vierde en vijfde onderdeel van het derde middel voeren schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet (tweede en vijfde onderdeel) en artikel 149 Grondwet (derde, vierde en vijfde onderdeel), artikel 26 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof (tweede, derde, vierde en vijfde onderdeel) en artikel 29, § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof (derde, vierde en vijfde onderdeel): de eiser verzocht de appelrechters de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, namelijk: “Schenden de artikelen 49/1 en 38, § 1, 1° Wegverkeerswet de artikelen 10 en 11 Grondwet, doordat ze voor het niet tijdig inleveren van het rijbewijs ter griffie bij een verval van het recht tot sturen, een geldboete bepalen van 200,00 euro tot 2.000,00 euro en een facultatief bijkomend verval van het recht tot sturen van 8 dagen tot vijf jaar, terwijl artikel 32 Wegverkeerswet voor wetens toevertrouwen van een motorvoertuig aan een persoon die geen houder is van het vereiste rijbewijs om dit voertuig te besturen, slechts tot een geldboete van 100,00 tot 1.000,00 euro”; de eiser verwijst in essentie vervolgens naar het uiteengezette in de onderscheiden onderdelen van het eerste middel. De eiser verzoekt het Hof in ondergeschikte orde deze twee prejudiciële vragen zelf aan het Grondwettelijk Hof te stellen.
  13. Uit de uit artikel 26, § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof voortvloeiende verplichting voor het Hof om aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen, kan niet worden afgeleid dat het Hof moet ingaan op elk verzoek van een beklaagde om aan het Grondwettelijk Hof te vragen of het verschil in bestraffing op een feit waarvoor die beklaagde wordt vervolgd en de bestraffing op een ander strafbaar feit geen miskenning inhoudt van het door de artikelen 10 en 11 Grondwet gewaarborgde gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel. Indien prima facie duidelijk is dat de voorgestelde prejudiciële vraag betrekking heeft op rechtstoestanden die geenszins te vergelijken vallen, dient het Hof de prejudiciële vraag niet te stellen. Het kan immers niet de bedoeling van de bijzondere wetgever geweest zijn aan het Grondwettelijk Hof vragen voor te leggen waarvan het antwoord prima facie duidelijk is en op die wijze bovendien de verdere strafvervolging in dergelijke zaken te belemmeren en zo het recht van een beklaagde op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn in het gedrang te brengen.
  14. De met het tweede en derde middel verband houdende prejudiciële vragen hebben als voorwerp het verschil in bestraffing tussen, enerzijds, het aan de eiser verweten misdrijf van artikel 49/1, eerste lid, Wegverkeerswet van het niet of laattijdig inleveren van het rijbewijs na een vervallenverklaring, en, anderzijds, het door artikel 49, eerste lid, Wegverkeerswet bedoelde wetens toevertrouwen van een motorvoertuig aan een persoon die vervallen is verklaard van het recht tot sturen alsook het door artikel 32 Wegverkeerswet bedoelde wetens toevertrouwen van een motorvoertuig aan een persoon die niet is voorzien van een rijbewijs of een als zodanig geldend bewijs voor het besturen van dit voertuig. De strafbare handelingen die de wetgever enerzijds met artikel 49/1, eerste lid, Wegverkeerswet en anderzijds met de artikelen 49, eerste lid, en 32, Wegverkeerswet bestraft zijn dermate verschillend dat prima facie duidelijk is dat deze twee voorgestelde prejudiciële vragen betrekking hebben op rechtstoestanden die geenszins te vergelijken vallen. Deze prejudiciële vragen worden bijgevolg niet gesteld.
  15. Gelet op dat oordeel heeft de eiser geen belang meer bij het tweede en derde middel die geheel opkomen tegen het niet-stellen van deze prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof. Het tweede en derde middel zijn dan ook niet ontvankelijk. Vierde middel
  16. Het middel voert schending aan van artikel 1 Wet Verzachtende Omstandigheden en artikel 49/1 Wegverkeerswet: het bestreden vonnis wijst eisers verzoek om een hem overkomen zwaar arbeidsongeval in aanmerking te nemen als een verzachtende omstandigheid af omdat het dateert van na de bewezen verklaarde feiten zodat dit op zich niet van aard is enige verzachtende omstandigheid uit te maken en omdat op het ogenblik van het ongeval het rijbewijs reeds diende neergelegd te zijn; ook feitelijke omstandigheden die dateren van na het plegen van het misdrijf kunnen een verzachtende omstandigheid vormen; het bestreden vonnis miskent daardoor het begrip verzachtende omstandigheid.
  17. De wetgever heeft het aan het uitsluitende oordeel van de rechter overgelaten of een omstandigheid eigen aan de te beoordelen feiten of aan de dader wordt aangenomen als een verzachtende omstandigheid in de zin van artikel 85 Strafwetboek. Het middel dat geheel opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel, is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 30 mei 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230530.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220222.2N.31 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240207.2F.4 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241030.2F.22 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251021.2N.5 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260310.2N.7 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260414.2N.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.