← België

B. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:A

Art. 195

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211- 30 ELI link Pub nr 1808111701 KB nr.

22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1934102450 KB nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1bis - 01 ELI link Pub nr 1934102450 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.3, c) - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek

Art. 195

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211- 30 ELI link Pub nr 1808111701 KB nr.

22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1934102450 KB nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1bis - 01 ELI link Pub nr 1934102450 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.3, c) - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek

Art. 195

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211- 30 ELI link Pub nr 1808111701 KB nr.

22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1934102450 KB nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1bis - 01 ELI link Pub nr 1934102450 Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Allerlei Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.3, c) - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek

Art. 195

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211- 30 ELI link Pub nr 1808111701 KB nr.

22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1934102450 KB nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1bis - 01 ELI link Pub nr 1934102450 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.3, c) - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek

Art. 195

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211- 30 ELI link Pub nr 1808111701 KB nr.

22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1934102450 KB nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1bis - 01 ELI link Pub nr 1934102450 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0483.N I H. D. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Thierry Van Noorbeeck, advocaat bij de balie Leuven, met kantoor te 3290 Diest, Leuvensestraat 17, waar de eiser woonplaats kiest. II C. B., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Johan Durnez, advocaat bij de balie Leuven, tegen Jan DE RIECK, met kantoor te 3000 Leuven, Vaartstraat 70, als curator van het faillissement van ORION SOLUTIONS bv, burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 17 februari

  1. De eisers voeren elk in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee gelijkluidende middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen I en II
  2. Het arrest spreekt de eisers vrij voor de feiten van de telastlegging A. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, zijn de cassatieberoepen I en II bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  3. Het arrest oordeelt dat de appelrechters onbevoegd zijn om kennis te nemen van de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder tegen de eiseres in zoverre gesteund op de feiten van de telastlegging A en dat die vordering voor het overige ongegrond is. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is het cassatieberoep II bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR, artikel 149 Grondwet, artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 1bis Wet Beroepsuitoefeningsverbod: het arrest motiveert niet het opleggen van het door artikel 1bis Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoelde ondernemersverbod noch de duur ervan die de minimumtermijn van drie jaar overschrijdt; de motivering die werd gegeven voor het door artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningverbod bedoelde bestuurdersverbod volstaat daartoe niet; het ondernemersverbod diende afzonderlijk en bijkomend te worden gemotiveerd; de eiser had op de rechtszitting ook opgeworpen dat het ondernemersverbod niet proportioneel was.
  5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat is aangevoerd dat het ondernemersverbod disproportioneel zou zijn. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  6. Artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering betreffende de redelijketermijnvereiste is vreemd aan de aangevoerde grief.
  7. Uit artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering dat overeenkomstig artikel 211 Wetboek van Strafvordering van toepassing is op de hoven van beroep, volgt voor de rechter de verplichting om de straffen en hun maat die de wetgever aan zijn vrije beoordeling overlaat, nauwkeurig te motiveren, zij het dat die motivering beknopt mag zijn.
  8. Uit artikel 6.1 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR en artikel 149 Grondwet kan geen verdergaande motiveringsverplichting worden afgeleid.
  9. De verplichting de keuze voor de straffen en hun maat nauwkeurig te motiveren geldt ook voor de bijkomende straffen van het door artikel 1 en 1bis Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoelde bestuurders- en ondernemersverbod.
  10. Evenwel is niet vereist dat de rechter ter verantwoording van het door artikel 1bis Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoelde ondernemersverbod en de duur van dit verbod noodzakelijk een afzonderlijke en bijkomende motivering verstrekt. De rechter kan het opleggen van het door artikel 1bis Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoelde ondernemersverbod en de duur van dit verbod nauwkeurig motiveren met dezelfde redenen als die welke het opleggen van het door artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoelde bestuurdersverbod en de duur ervan verantwoorden.
  11. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  12. Het arrest oordeelt dat de door de artikelen 1 en 1bis Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoelde bestuurders- en ondernemersverboden telkens voor een termijn van vijf jaar nodig zijn om te beletten dat de eisers in de toekomst vennootschappen misbruiken om zich te verrijken en de schuldeisers met onbetaalde schuldvorderingen achterlaten. Met die redenen motiveert het arrest op weliswaar beknopte maar niettemin nauwkeurige wijze zowel de keuze voor het opleggen van de beide verboden als de duur ervan. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  13. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 211bis Wetboek van Strafvordering: door niettegenstaande de vrijspraak van de eisers voor de feiten van de telastlegging A de eisers toch te veroordelen tot dezelfde straffen als de eerste rechter maar enkel voor de in hoger beroep bewezen gebleven feiten van de telastlegging B, verzwaart het arrest de aan de eisers opgelegde bestraffing; er blijkt evenwel niet dat die beslissing eenparig is genomen.
  14. De appelrechter die anders dan de eerste rechter een beklaagde deels vrijspreekt maar voor de bewezen gebleven feiten dezelfde straf oplegt als de eerste rechter, verzwaart de straf niet in de zin van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  15. De schending van artikel 149 Grondwet is afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde wetsschending. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 129,31 euro, waarvan de eiser I 64,65 euro is verschuldigd en de eiseres II 64,66 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 30 mei 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230530.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.