id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230530.2N.17 Rolnummer: P.23.0498.N Zaak: J. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2023-06-05 Raadplegingen: 835 - laatst gezien 2026-06-16 13:34 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De aanvangstermijn voor verzet tegen een verstekbeslissing op de strafvordering die niet aan de veroordeelde in persoon werd betekend, is de datum van kennisname van die betekening; het is niet de datum van kennisname van de verstekbeslissing zelf
(1)Cass. 16 december 2020, AR P.20.0660.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201216.2F.4, AC 2020, nr. 780, conclusie van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas; Cass. 9 maart 2016, AR P.15.1679.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160309.3, AC 2016, nr. 168, conclusie van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas; Cass. 11 juni 2014, P.14.0374.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140611.2, AC 2014, nr. 417; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 1419; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1667-1670; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina, 2022, 1429-
- Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - EXPLOOT Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0498.N B. J., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Steven Deschrevel, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 3 maart
- De eiser voert in een memorie grieven aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie
- Volgens artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering moet de eiser in cassatie zijn memorie indienen binnen de twee maanden na zijn verklaring van cassatieberoep.
- Eisers memorie werd volgens de door de griffier bij toepassing van artikel 429, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering aangebrachte vermelding ontvangen ter griffie van het Hof op 16 mei 2023, dit is buiten de voormelde termijn van twee maanden welke een einde nam op 9 mei
- De memorie is wegens laattijdigheid niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het bestreden vonnis verklaart eisers hoger beroep ontvankelijk. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is eisers cassatieberoep niet ontvankelijk. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepaling - Artikel 187, § 1, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering
- Artikel 187, § 1, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat: - de bij verstek veroordeelde in verzet kan komen tegen het vonnis binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop het vonnis is betekend; - indien de betekening van het vonnis niet aan hem in persoon is gedaan, de bij verstek veroordeelde wat betreft de veroordelingen tot straf, in verzet kan komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij kennis heeft gekregen van de betekening.
- De aanvangstermijn voor verzet tegen een verstekbeslissing op de strafvordering die niet aan de veroordeelde in persoon werd betekend, is de datum van kennisname van die betekening. Het is niet de datum van kennisname van de verstekbeslissing zelf.
- Het bestreden vonnis grondt de beslissing over de laattijdigheid van eisers verzet op het gegeven dat aangezien zijn raadsman op 6 juli 2022 aan de griffie liet weten dat zijn cliënt bij verstek was veroordeeld en daarbij melding heeft gemaakt van de datum van het verstekvonnis en het systeemnummer van het vonnis en die raadsman dat enkel kan hebben vernomen van de eiser zelf, het 22 dagen later ingestelde verzet laattijdig is. Daaruit volgt dat de appelrechters het oordeel over de laattijdigheid van het verzet steunen op de datum van de kennisname van het verstekvonnis zelf en niet op de datum van de kennisname van de betekening van het verstekvonnis die niet aan de persoon van de eiser is gebeurd. Bijgevolg schendt die beslissing de vermelde bepaling. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis, behoudens waar dit eisers hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot een tiende van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 92,13 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 30 mei 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230530.2N.17 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.13 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241217.2N.18 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260310.2N.8 precedenten: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140611.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160309.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201216.2F.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div