id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230530.2N.18 Rolnummer: P.23.0730.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2023-06-05 Raadplegingen: 603 - laatst gezien 2026-06-15 08:29 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De Interneringswet voorziet niet in een sanctie bij de niet-naleving van de in artikel 54, § 4 en § 9, Interneringswet bedoelde termijnen van veertien dagen (voor het vaststellen van de zaak) en zeven dagen (voor de uitspraak); dit zijn dan ook ordetermijnen; de overschrijding van deze termijnen heeft niet de invrijheidstelling van de geïnterneerde of de inwilliging van zijn verzoek tot gevolg; een beperkte overschrijding van deze termijnen heeft verder niet tot gevolg dat de kamer niet met de vereiste spoed heeft geoordeeld over een door artikel 54 Interneringswet bedoeld verzoekschrift. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 54, §§ 4 en 9 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Fiches 3 - 5 Het enkele gegeven dat een door een geïnterneerde zelf geraadpleegde neuroloog de opname in een psychiatrisch ziekenhuis en bepaalde onderzoeken adviseert en dat de gevangenisadministratie op de hoogte is van bepaalde medische klachten van een geïnterneerde, verplicht de kamer niet dadelijk de modaliteit van de invrijheidstelling op proef zoals die door de geïnterneerde werd gevraagd te bevelen; het staat aan de kamer als multidisciplinair en gespecialiseerd rechtscollege inzake de bescherming van de maatschappij de aangevoerde gegevens te beoordelen en te onderzoeken of de wettelijke voorwaarden voor de toekenning van de gevraagde uitvoeringsmodaliteit van de internering zijn vervuld; bij die beoordeling, die een afweging van de rechten van de geïnterneerde tegenover de beveiliging van de samenleving impliceert, kan de kamer niet anders dan rekening houden met de beschikbaarheid van instellingen die een aan de specifieke behoeften van de geïnterneerde zorg kunnen bieden; het feit dat er een zekere tijd verloopt tussen de aanvang van de uitvoering van een interneringsmaatregel in een inrichting tot bescherming van de maatschappij en de overbrenging van de geïnterneerde naar een instelling waar hem de meest passende zorg kan worden geboden, levert als dusdanig geen schending op van artikel 5.1.e en 5.4 EVRM. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 25 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 26 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 25 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 26 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 25 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 26 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0730.N J. C. D., geïnterneerde, eiser, met als raadsman mr. Louis Carlier, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Gent, kamer voor de bescherming van de maatschappij, van 4 mei 2023. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 54, § 4, § 8 en § 9, Interneringswet: de kamer voor bescherming van de maatschappij (hierna de kamer) besliste eisers verzoekschrift om bij hoogdringendheid op proef in vrijheid te worden gesteld, te behandelen op een tegensprekelijke rechtszitting, die evenwel ambtshalve op de eerst nuttige rechtszitting van de kamer moet worden vastgesteld en uiterlijk binnen veertien dagen na het verstrijken van de in artikel 54, § 2, Interneringswet bepaalde termijn; de tegensprekelijke rechtszitting werd bepaald op 26 april 2023, hetzij buiten die termijn; bovendien heeft de kamer geen beslissing genomen binnen zeven dagen, zoals bepaald door artikel 54, § 9, Interneringswet; deze termijnen zijn weliswaar niet voorgeschreven op straffe van nietigheid, maar er moet wel worden aangenomen dat ze substantieel zijn, gelet op de hoogdringendheid van deze procedure; door niet de wettelijk bepaalde termijnen in acht te hebben genomen, zijn de rechten van de eiser miskend. 2. Artikel 54 Interneringswet bepaalt onder meer: “(…) § 4. Tenzij de kamer voor de bescherming van de maatschappij van oordeel is dat voorafgaandelijk aan het nemen van een beslissing een tegensprekelijke zitting moet worden georganiseerd overeenkomstig paragraaf 8, neemt ze de beschikking binnen de vijf werkdagen, zonder oproeping van partijen noch debat, na inschrijving in voormeld register. Ingeval er bijkomende inlichtingen worden ingewonnen, kan deze termijn worden verlengd tot zeven werkdagen. (…) § 8. Indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij van oordeel is dat voorafgaandelijk aan het nemen van een beslissing een tegensprekelijke zitting moet georganiseerd worden om verdere informatie in te winnen, wordt de zaak ambtshalve vastgesteld op de eerste nuttige zitting van de kamer ter bescherming van de maatschappij en uiterlijk binnen de veertien dagen na het verstrijken van de termijn bepaald in paragraaf 4. De procedure verloopt verder overeenkomstig paragraaf 9. § 9. (…) Binnen zeven dagen nadat de zaak in beraad is genomen, beslist de kamer voor de bescherming van de maatschappij.” 3. De Interneringswet voorziet niet in een sanctie bij de niet-naleving van de in artikel 54, § 4 en § 9, Interneringswet bedoelde termijnen van veertien dagen en zeven dagen. Dit zijn dan ook ordetermijnen. 4. De overschrijding van deze termijnen heeft niet de invrijheidstelling van de geïnterneerde of de inwilliging van zijn verzoek tot gevolg. 5. Een beperkte overschrijding van deze termijnen heeft verder niet tot gevolg dat de kamer niet met de vereiste spoed heeft geoordeeld over een door artikel 54 Interneringswet bedoeld verzoekschrift. 6. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 7. Voor het overige preciseert het middel niet welke rechten van de eiser door de termijnoverschrijding zijn miskend en waarin die miskenning concreet bestaat. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. Tweede middel 8. Het middel voert schending aan van de artikelen 2, 3 en 5.1 EVRM en artikel 2 Interneringswet: het vonnis wijst eisers verweer dat een voortdurende vrijheidsberoving in de gevangenis een manifeste miskenning van zijn nationaal en zelfs internationaal gewaarborgde fundamentele mensenrechten is, af met de redenen dat hoewel de eiser zo snel mogelijk moet doorstromen naar een voorziening waar hij kan worden behandeld, er op heden nog geen residentiële instelling werd gevonden die bereid is de eiser op te nemen en er wel tegenindicaties bestaan voor een invrijheidstelling op proef; deze motivering is onvoldoende en naast de kwestie; eisers recht op leven wordt immers niet geëerbiedigd in detentie; hij is bijzonder kwetsbaar en heeft nood aan therapie, bewegingsruimte en een toekomstperspectief; de situatie in detentie is niet alleen niet aangepast aan eisers noden, maar is bovendien uitzichtloos en onmenselijk; de huidige situatie van de eiser maakt een manifeste schending van de opgesomde bepalingen uit en de kamer oordeelt dan ook ten onrechte dat er binnen de gevangenis voldoende inspanningen worden geleverd om de eiser een menswaardig leven te geven. 9. Artikel 3, 4°, b), Interneringswet bepaalt dat onder inrichting voor de toepassing van deze wet onder meer wordt verstaan de door de federale overheid georganiseerde inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij. 10. Volgens artikel 19 Interneringswet kan een geïnterneerde worden geplaatst in of worden overgeplaatst naar een dergelijke inrichting tot bescherming van de maatschappij. 11. Het vonnis oordeelt dat de eiser niet is opgenomen in een gevangenis, maar wel in een inrichting ter bescherming van de maatschappij, op een afdeling voor geïnterneerden met een zorgequipe. In zoverre het middel aanvoert dat de eiser in een gevangenis verblijft en daaruit een schending van de vermelde bepalingen afleidt, mist het feitelijke grondslag. 12. Artikel 5.1 EVRM bepaalt dat eenieder recht heeft op persoonlijke vrijheid en veiligheid en dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd behalve in de navolgende gevallen en langs wettelijke weg:
- e)in het geval van een rechtmatige gevangenhouding van geesteszieken. Artikel 5.4 EVRM bepaalt dat eenieder die door gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd het recht heeft voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de gevangenhouding onrechtmatig is. 13. Volgens artikel 25 Interneringswet is de invrijheidstelling op de proef een modaliteit van de uitvoering van de beslissing tot internering, waardoor de geïnterneerde de hem opgelegde veiligheidsmaatregel ondergaat in een residentieel of ambulant zorgtraject mits hij de voorwaarden naleeft die hem gedurende de proeftijd worden opgelegd. 14. Artikel 26 Interneringswet bepaalt de voorwaarden waaraan moet worden voldaan opdat door de kamer aan de geïnterneerde de modaliteit van de invrijheidstelling op proef kan worden toegekend. Die voorwaarden zoals het bestaan van vooruitzichten op het vlak van sociale reclassering of de afwezigheid van het risico op het plegen van strafbare feiten beogen onder meer de samenleving te beschermen. 15. Het enkele gegeven dat een door een geïnterneerde zelf geraadpleegde neuroloog de opname in een psychiatrisch ziekenhuis en bepaalde onderzoeken adviseert en dat de gevangenisadministratie op de hoogte is van bepaalde medische klachten van een geïnterneerde, verplicht de kamer niet dadelijk de modaliteit van de invrijheidstelling op proef zoals die door de geïnterneerde werd gevraagd te bevelen. 16. Het staat aan de kamer als multidisciplinair en gespecialiseerd rechtscollege inzake de bescherming van de maatschappij de aangevoerde gegevens te beoordelen en te onderzoeken of de wettelijke voorwaarden voor de toekenning van de gevraagde uitvoeringsmodaliteit van de internering zijn vervuld. Bij die beoordeling, die een afweging van de rechten van de geïnterneerde tegenover de beveiliging van de samenleving impliceert, kan de kamer niet anders dan rekening houden met de beschikbaarheid van instellingen die een aan de specifieke behoeften van de geïnterneerde zorg kunnen bieden. Het feit dat er een zekere tijd verloopt tussen de aanvang van de uitvoering van een interneringsmaatregel in een inrichting tot bescherming van de maatschappij en de overbrenging van de geïnterneerde naar een instelling waar hem de meest passende zorg kan worden geboden, levert als dusdanig geen schending op van artikel 5.1.e en 5.4 EVRM. 17. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 18. Het vonnis oordeelt onder meer als volgt: - daar waar in het verzoekschrift wordt gevraagd om de eiser na een initiële opname in een PAAZ-afdeling van een gespecialiseerd ziekenhuis naar het PC Gent-Sleidinge te laten doorstromen om op termijn verder te evolueren naar een ambulante begeleiding, blijkt uit het verslag van de psychosociale dienst (PSD) van 20 april 2023 dat deze instelling liet weten dat het dossier van de eiser er grondig werd besproken en hij er niet terecht kan gezien het risico op agressie bij herval te hoog wordt geacht en een opname in een gesloten setting (medium-security) wordt geadviseerd; - uit het recent PSD-verslag blijkt dat men op de hoogte is van de medische klachten die de eiser uit en hij werd hiervoor doorverwezen naar de medische dienst en de gevangenispsychiater, waarbij de noodzaak van een MRI-scan moet worden beoordeeld door de gevangenisarts; - er werden meer specifiek uitgaansvergunningen toegekend met het oog op intakegesprekken en om naar villa Voortman te kunnen gaan, maar uit de e-mail van 27 januari 2023 blijkt echter dat de uitgaansvergunningen niet meer konden doorgaan; de PSD-psychiater meende dat er hiervoor tegenindicaties waren; de eiser kwam tijdens zijn tweede uitgaansvergunning te laat en onder invloed van alcohol terug; hij gaf aan dat hij tijdens de uitgaansvergunning overprikkeld raakte en daarom zijn toevlucht nam tot alcohol; dit betrof een pre-delict-situatie; de psychiater kadert deze prikkelgevoeligheid vanuit een psychotische problematiek, waarbij alcohol en andere psychoactieve middelen voor demping zorgen; - inzake reclassering vermeldt de PSD dat er verschillende residentiële instellingen werden aangeschreven, maar zonder concreet resultaat; de eiser staat momenteel wel op de intakelijst van PC Sint-Jan-Baptist te Zelzate alsook op de intakelijst van PC Sint-Kamillus te Bierbeek; in PC Sint-Jan te Eeklo dient zijn dossier nog te worden besproken; er worden bijgevolg voldoende inspanningen geleverd opdat betrokkene kan overgaan naar een gepaste residentiële setting; - voorts werd de eiser in maart 2023 aangemeld bij OPZ Rekem en werd hij ook gezien door een inreach-verpleegkundige van Rekem; uit het dossier blijkt evenwel dat de gesprekken werden stopgezet omdat zijn waansysteem te groot is en de focus voornamelijk op de lichamelijke klachten ligt; - er werd dan ook nog geen residentiële setting gevonden die bereid is om de eiser op te nemen; de plaatsing in de IBM bij beslissing van 22 september 2022 betreft aldus een tijdelijke beslissing en blijft voortduren ondanks de inspanningen van de psychosociale dienst in het zoeken naar een gepaste vervolginstelling; - er werden voldoende en consequente inspanningen geleverd om de eiser vooruit te helpen en een langdurig verblijf in de inrichting tot bescherming van de maatschappij te vermijden; - bij de vaststelling dat er geen startklare opname is met een gepaste zorgomkadering neemt de rechtbank de tegenindicaties aan van artikel 26, 1°,
- a)en c), Interneringswet, met name de afwezigheid van vooruitzichten op een sociale reclassering en het risico dat betrokkene strafbare feiten zou plegen; - indien de eiser of zijn advocaat een opname-attest kan voorleggen, kan er wel tegemoet worden gekomen aan de aangenomen tegenindicaties. Met die redenen verantwoordt het vonnis naar recht de afwijzing van eisers verzoek om op proef in vrijheid te worden gesteld. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 30 mei 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230530.2N.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.