Obsah (6)
Art. 63Art. 64Art. 66Art. 67Art. 136Art. 235bisid="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:A
Art. 63
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 64
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 66
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 67
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 63
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 64
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 66
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 67
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 63
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 64
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 66
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 67
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 7 Het onderzoeksgerecht is bevoegd om de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling te beoordelen wanneer deze het gerechtelijk onderzoek op gang heeft gebracht zonder dat het openbaar ministerie een vordering tot gerechtelijk onderzoek heeft genomen of een verwijzing naar het vonnisgerecht heeft gevorderd; in dat geval vormt de burgerlijke partijstelling immers de grondslag voor het bestaan van de strafvordering, waarvan de ontvankelijkheid ter beoordeling staat van de onderzoeksgerechten
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 63
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 136
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 235bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 63
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 136
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 235bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 63
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 136
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 235bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 63
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 136
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 235bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 8 - 11 Uit de artikelen 63, eerste lid, 64, eerste lid, 66 en 67 Wetboek van strafvordering volgt verder dat 1°het onderzoeksgerecht een burgerlijke partijstelling en de daardoor op gang gebrachte strafvordering niet ontvankelijk moet verklaren indien het oordeelt dat de burgerlijke partij niet aannemelijk maakt dat zij als gevolg van de feiten voorwerp van de klacht met burgerlijke partijstelling schade heeft geleden of niet beschikt over het vereiste belang; en 2°een burgerlijke partijstelling bij wijze van voeging of tussenkomst, die niet wordt gevolgd door een vordering van het openbaar ministerie tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek of een vordering tot verwijzing, slechts ontvankelijk is indien de strafvordering op ontvankelijke wijze op gang werd gebracht; die regel miskent het recht van verdediging van de betrokken burgerlijke partij niet aangezien zij zich tegenover de onderzoeksrechter burgerlijke partij kan stellen
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 63
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 64
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 66
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 67
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 63
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 64
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 66
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 67
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 63
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 64
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 66
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 67
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 63
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 64
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 66
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 67
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 12 - 14 Uit de omschrijving van de met de artikelen 442bis en 442quater, § 1, Strafwetboek ingevoerde misdrijven volgt dat deze misdrijven enkel kunnen worden gepleegd tegenover natuurlijke personen
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: BELAGING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 442bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 442quater, § 1 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Thesaurus CAS: MISDRIJF - TOEREKENBAARHEID - Rechtspersonen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 442bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 442quater, § 1 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1719.N
- HS TRADING bv, met zetel te 3960 Bree, Ziepstraat 1 bus 2, burgerlijke partij,
- M. J. S., burgerlijke partij, eiseressen, met als raadsman mr. Chris Schijns, advocaat bij de balie Limburg, tegen
- STAD BREE, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, met zetel te 3960 Bree, Vrijthof 10, inverdenkinggestelde,
- P. M., inverdenkinggestelde, met als raadsman mr. Robby Loos, advocaat bij de balie Limburg, met kantoor te 3560 Lummen, Linkhoutstraat 123, waar de verweerder woonplaats kiest,
- S. L., inverdenkinggestelde, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 6 december
- De eiseressen voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Op 2 mei 2023 heeft advocaat-generaal Bart De Smet ter griffie van het Hof een schriftelijke conclusie ingediend. Op de rechtszitting van 30 mei 2023 heeft raadsheer Sidney Berneman verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 63 “e.v.” Wetboek van Strafvordering en de artikelen 442bis, eerste lid, en 442quater, § 1, Strafwetboek: het arrest kon niet wettig beslissen dat de klacht met burgerlijkepartijstelling van 4 maart 2020 en de akte van burgerlijkepartijstelling van 8 november 2022 niet aan de vereisten van artikel 63 e.v. Wetboek van Strafvordering voldoen; het arrest oordeelt dat het in artikel 442bis Strafwetboek omschreven misdrijf enkel een nadeel aan fysieke personen kan berokkenen en laat na te onderzoeken of dit ook het geval is voor de in de klacht met burgerlijkepartijstelling voorziene telastlegging A vermelde overtreden bepalingen van de artikelen 443 tot en met 449 Strafwetboek; ondanks het feit dat de eiseres 2 in een aanvankelijk proces-verbaal duidelijk te kennen heeft gegeven om zich burgerlijke partij te stellen en daarvoor schadeloos te worden gesteld, werd zij niet opgeroepen voor de raadkamer; dit houdt een miskenning in van haar recht op een eerlijk proces dat niet werd onderzocht door de appelrechters; het feit dat de klacht niet werd overgemaakt aan de onderzoeksrechter en de procureur des Konings kan niet tegen haar worden opgeworpen.
- In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 63 “e.v.” Wetboek van Strafvordering, zonder te specificeren welke de volgende bepalingen zijn die zouden zijn geschonden door het arrest, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die de rechtspleging regelen. Ook wanneer zij een klacht met burgerlijkepartijstelling niet ontvankelijk verklaren, zijn de beslissingen van die gerechten geen vonnissen in de zin van deze grondwetsbepaling. In zoverre faalt het middel naar recht.
- Het arrest beoordeelt de misdrijven omschreven in de artikelen 443, 444, eerste en vijfde lid, 447, tweede lid, en 450, eerste lid, Strafwetboek onder de telastlegging B. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Krachtens artikel 63, eerste lid, Wetboek van Strafvordering kan hij die beweert door een misdaad of een wanbedrijf te zijn benadeeld, daarover bij de onderzoeksrechter klacht doen en zich burgerlijke partij stellen.
- Volgens artikel 64, eerste lid, Wetboek van Strafvordering kunnen de aan de procureur des Konings gerichte klachten of de bij een hulpofficier van de procureur des Konings ingediende klacht die aan hem werden toegezonden, door de procureur des Konings samen met zijn vordering aan de onderzoeksrechter worden doorgegeven.
- Volgens artikel 66 Strafwetboek worden klagers alleen dan als burgerlijke partij beschouwd, indien zij dit uitdrukkelijk verklaren, hetzij bij de klacht, hetzij bij een latere akte, of indien zij bij een van die akten een conclusie tot schadevergoeding nemen.
- Volgens artikel 67 Wetboek van Strafvordering kunnen de klagers zich burgerlijke partij stellen in elke stand van het geding en dit tot de sluiting van het debat.
- Uit deze bepalingen volgt dat: - ook al gelden voor de klacht met burgerlijkepartijstelling geen bijzondere vormvereisten enkel een voor de onderzoeksrecchter gedane klacht met burgerlijkepartijstelling die door hem werd geacteerd in een proces-verbaal van burgerlijkepartijstelling tot gevolg heeft dat een gerechtelijk onderzoek wordt geopend; - tegenover de politie of de procureur des Konings ingediende klachten, ook al werden ze door de procureur des Konings of de politie aan de onderzoeksrechter toegezonden geen burgerlijkepartijstelling zijn in de zin van artikel 63 Wetboek van Strafvordering; - het louter toezenden of het louter overhandigen van een dergelijke verklaring door de klager aan de onderzoeksrechter van een verklaring van burgerlijkepartijstelling geen burgerlijkepartijstelling in de zin van artikel 63 Wetboek van Strafvordering is.
- Het onderzoeksgerecht is bevoegd om de ontvankelijkheid van de burgerlijkepartijstelling te beoordelen wanneer deze het gerechtelijk onderzoek op gang heeft gebracht zonder dat het openbaar ministerie een vordering tot gerechtelijk onderzoek heeft genomen of een verwijzing naar het vonnisgerecht heeft gevorderd. In dat geval vormt de burgerlijkepartijstelling immers de grondslag voor het bestaan van de strafvordering, waarvan de ontvankelijkheid ter beoordeling staat van de onderzoeksgerechten.
- Uit de voormelde bepalingen van het Wetboek van Strafvordering volgt verder dat: - het onderzoeksgerecht deze burgerlijkepartijstelling en de daardoor op gang gebrachte strafvordering niet ontvankelijk moet verklaren indien het oordeelt dat de burgerlijke partij niet aannemelijk maakt dat zij als gevolg van de feiten voorwerp van de klacht met burgerlijkepartijstelling schade heeft geleden of niet beschikt over het vereiste belang; - een burgerlijkepartijstelling bij wijze van voeging of tussenkomst, die niet wordt gevolgd door een vordering van het openbaar ministerie tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek of een vordering tot verwijzing, slechts ontvankelijk is indien de strafvordering op ontvankelijke wijze op gang werd gebracht. Die regel miskent het recht van verdediging van de betrokken burgerlijke partij niet aangezien zij zich tegenover de onderzoeksrechter burgerlijke partij kan stellen.
- Uit de omschrijving van de met de artikelen 442bis en 442quater, § 1, Strafwetboek ingevoerde misdrijven volgt dat deze misdrijven enkel kunnen worden gepleegd tegenover natuurlijke personen.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt als volgt: - de eiseres 1 maakt noch in haar klacht met burgerlijkepartijstelling, noch in de andere elementen van het strafdossier, aannemelijk dat de aangeklaagde feiten zoals opgenomen in de schriftelijke vordering van de procureur-generaal van 11 oktober 2022 onder de telastleggingen A ‘belaging’ en D ‘misbruik van de zwakke toestand van personen’ beantwoorden aan een door de wet als misdaad of wanbedrijf gekwalificeerd misdrijf; - de klacht met burgerlijkepartijstelling die de eiseres 1 op 4 maart 2020 in handen van de onderzoeksrechter neerlegde tegen de verweerders voldoet dan ook niet aan de ontvankelijkheidsvereisten overeenkomstig artikel 63 Wetboek van Strafvordering voor wat betreft de feiten van de telastleggingen A en D; - de verklaring van de eiseres 2 bij de FGP Limburg tijdens haar verhoor-klachtbevestiging op 9 februari 2021 (pv é/2021) voldoet niet aan de vereisten van artikel 63 Wetboek van Strafvordering; - aan de eiseres 2 diende in eigen naam dan ook geen kennisgeving te gebeuren van de datum van de regeling van de rechtspleging voor de raadkamer; - de eiseres 2 maakt niet concreet hoe haar recht van verdediging in deze als (toekomstige) burgerlijke partij zou zijn miskend; - van enig verlies van kans is er geen sprake gezien het arrest akte verleent aan de eiseres 2, in eigen naam, van haar stelling als burgerlijke partij. Met deze redenen verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing dat de strafvordering wat betreft de telastleggingen A en D niet op regelmatige wijze op gang werd gebracht, dat de daarop geënte burgerlijkepartijstelling van de eiseres 2 niet ontvankelijk is en dat het recht op een eerlijk proces van de eiseres 2 niet is miskend. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: door te oordelen dat de eiseressen niet aannemelijk maken dat het bestuurlijk verslag van 21 mei 2019 behept is met valsheden miskent het arrest de bewijskracht van de stukken KO.35 en KO.36 van het strafdossier, met name stukken van het parket en het arbeidsauditoraat; dit creëert een motiveringsgebrek; het arrest kon dan ook niet wettig beslissen dat er geen aanleiding is om de inverdenkinggestelden te vervolgen.
- Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die de rechtspleging regelen. Hun beslissingen zijn immers geen vonnissen in de zin van dat artikel. In zoverre het middel de schending aanvoert van die grondwetsbepaling, faalt het naar recht.
- De miskenning van de bewijskracht van een akte betreft de uitlegging van een geschrift waarnaar de rechter uitdrukkelijk verwijst. Het betreft niet de juridische of feitelijke gevolgtrekking die de rechter uit de door hem beoordeelde akte maakt. Dat de rechter stukken anders beoordeelt dan een partij, betekent niet dat de bewijskracht ervan wordt miskend.
- Het arrest verwijst voor het door het middel bekritiseerde oordeel niet naar de stukken KO.35 en KO.36 van het strafdossier en kan dan ook de bewijskracht ervan niet miskennen.
- In zoverre het middel opkomt tegen de beoordeling van de bewijswaarde van de stukken van het strafdossier is het niet ontvankelijk.
- Met de redenen die het arrest (p. 18, nr. 3.5.3.3) bevat, beantwoordt het wel degelijk het door het middel bedoelde verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 57, § 1, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiseressen niet voldoende aannemelijk maken dat het geheim van het onderzoek is miskend en kon dan ook niet wettig beslissen dat hun recht van verdediging niet is miskend.
- Het middel voert in wezen aan dat de bewijzen die werden verzameld ter staving van de door de eiseressen ingestelde strafvordering op onregelmatige wijze zijn verkregen. De eiseressen hebben dan ook geen belang bij dit middel. Het middel is niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiseressen tot de kosten. Bepaalt de kosten op 126,91 euro, waarvan 91,91 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 30 mei 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230530.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230530.2N.4 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231107.2N.4 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250624.2N.45 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251022.2F.1 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260505.2N.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250423.2F.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div