id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230602.1N.4 Rolnummer: F.22.0005.N Zaak: ARS-VALENDI NV contra VLAAMS GEWEST Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Belastingrecht Invoerdatum: 2023-08-24 Raadplegingen: 1131 - laatst gezien 2026-06-19 03:14 Versie(s): Vertaling samenvatting(
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. F.22.0005.N ARS-VALENDI nv, met zetel te 2260 Westerlo, Veldstraat 3 A, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0423.405.493, eiseres, met als raadslieden mr. Jan Tuerlinckx, advocaat, met kantoor te 2018 Antwerpen, Van Putlei 14, waar de eiseres woonplaats kiest, en door mr. Hugo Vandenberghe, advocaat, met kantoor te 1850 Grimbergen, d’Overschielaan 40, tegen VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, voor wie optreedt de minister van Begroting en Financiën, Wonen en Onroerend Erfgoed, met kabinet te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Koning Albert II-laan 7, 7de verdieping, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 20 oktober 2021. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 3 mei 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift, dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Eerste middel Eerste onderdeel 1. Krachtens artikel 6.1 EVRM heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. 2. De omstandigheid dat een fiscale sanctie of het opleggen van een bijzondere belasting internrechtelijk niet als strafrechtelijk wordt gekwalificeerd, sluit niet uit dat die maatregel strafrechtelijk van aard kan zijn in de zin van artikel 6.1 EVRM. Dit is het geval indien (
- i)de overtreden bepaling gericht is tot alle burgers in hun hoedanigheid van belastingplichtige, (
- ii)de opgelegde sanctie of bijzondere belasting niet alleen een vergoedende functie heeft, maar in wezen een preventief en bestraffend doel heeft en (iii) de zwaarte van de sanctie of bijzondere belasting aanzienlijk is. Indien na afweging van deze elementen blijkt dat de strafrechtelijke aspecten doorslag geven, moet de fiscale sanctie of belastingverhoging beschouwd worden als een strafsanctie in de zin van de aangewezen verdragsbepaling. 3. Opdat een belasting in wezen een preventief en bestraffend doel zou hebben, is vereist dat de belasting in wezen een handelen of nalaten wenst te voorkomen en te bestraffen dat door de wetgever als onwettig wordt beschouwd en dat de belasting aldus leed wenst toe te brengen aan de dader van dat handelen of nalaten. 4. Op basis van de artikelen 24 en volgende van het Decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 (hierna: Decreet van 22 december 1995) in de versie zoals van toepassing, legt het Vlaams Gewest een heffing op met betrekking tot verwaarloosde gebouwen en verwaarloosde, ongeschikte en/of onbewoonbare woningen die opgenomen zijn in de inventaris van ongeschikte en/of onbewoonbare woningen of de inventaris van verwaarloosde gebouwen en/of woningen. Deze heffing past in het kader van een integraal beleid dat de verbetering van de leef- en omgevingskwaliteit beoogt. Volgens de decreetgever zijn verwaarlozing, leegstand en de bedenkelijke woonkwaliteit van sommige woningen “symptoom en oorzaak […] van de achteruitgang van het leefklimaat, van de sociale achterstelling van de bewoners en uiteindelijk van de desintegratie van het sociale en maatschappelijke weefsel”. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt nog dat de in het geding zijnde heffing “kadert […] in het beleid tegen leegstand boven winkels, hetgeen één van de voornaamste vormen van leegstand is”. De decreetgever wil aldus “de uittocht van de meer welvarende bevolkingsgroepen” tegengaan, “vooral dan in de grote steden”. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de decreetgever verwaarlozing, leegstand en bedenkelijke woonkwaliteit niet als onwettig of als een inbreuk, maar als onwenselijk beschouwt. De heffing heeft in dat verband een drievoudige doelstelling: (
- i)zij heeft een ontradingseffect en past in een voorkomingsbeleid, dat de oorzaken van de verkommering en desintegratie van de leefomgeving preventief wil aanpakken; zij zet aan tot een tijdige renovatie van het patrimonium en het hergebruik ervan volgens de oorspronkelijke of volgens een nieuwe bestemming; (
- ii)de heffing wil de rechtstreekse en onrechtstreekse maatschappelijke kosten van de verloedering van de leef- en omgevingskwaliteit, al is het slechts partieel, verhalen op de medeveroorzakers en werkt aldus sanctionerend ten aanzien van degenen die deze kosten moedwillig willen afwentelen op de gemeenschap of de minder bemiddelde achterblijvers of degenen die blind zijn voor de maatschappelijke gevolgen; en (iii) de opbrengst van de heffing kan worden gebruikt voor de revivificatie van de stedelijke leefomgeving. 5. Het gradueel karakter van de heffing bedoeld in de artikelen 24 en volgende Decreet van 22 december 1995, in de versie zoals van toepassing, in functie van de ernst en de omvang van de verwaarlozing en van het aantal jaren dat een woning op de betrokken inventaris blijft staan, doet geen afbreuk aan het gegeven dat de decreetgever verwaarlozing, leegstand en bedenkelijke woonkwaliteit niet als onwettig of als een inbreuk, maar als onwenselijk beschouwt. Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet blijkt dat het gradueel karakter van de heffing eigenaars vroegtijdig moet stimuleren om de verwaarlozing te beëindigen en het betrokken pand te verbeteren en dat daarom, naarmate een gebouw of woning langer op de inventaris blijft staan, de heffing en dus de druk op de eigenaar hoger wordt. 6. Het onderdeel dat berust op de veronderstelling dat de heffing van de artikelen 24 en volgende Decreet van 22 december 1995, in de versie zoals van toepassing, een handelen of nalaten wenst te voorkomen en te bestraffen dat door de wetgever als onwettig wordt beschouwd, faalt naar recht. […] Tweede middel 10. Krachtens artikel 1, eerste lid, van het Eerste Aanvullende Protocol EVRM hebben alle natuurlijke of rechtspersonen recht op het ongestoord genot van hun eigendom en kan niemand van zijn eigendom beroofd worden behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. Krachtens het tweede lid van die verdragsbepaling zullen de voorgaande bepalingen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren. 11. Een belasting vormt in beginsel een inmenging in het recht op het ongestoord genot van de eigendom. Die inmenging is enkel verenigbaar met dat recht indien ze een redelijk verband van evenredigheid heeft tot het nagestreefde doel, dit wil zeggen indien ze het billijke evenwicht tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van dat recht niet verbreekt. Ofschoon de fiscale wetgever over een ruime beoordelingsmarge beschikt, schendt een belasting bijgevolg dat recht, indien ze op de belastingplichtige een buitengewone last doet wegen of fundamenteel afbreuk doet aan zijn financiële situatie. 12. Artikel 36 Decreet van 22 december 1995, in de versie zoals van toepassing, berekent het bedrag van de heffing voor ongeschikte of onbewoonbare woningen en voor verwaarloosde gebouwen of woningen op basis van het kadastraal inkomen van het gebouw of de woning, met een minimum van 990 euro, te vermenigvuldigen met het aantal periodes van 12 maanden dat het gebouw of de woning zonder onderbreking in de inventaris is opgenomen, zonder echter meer te bedragen dan 4, verhoogd met een factor 1. Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet blijkt dat de decreetgever, door het kadastraal inkomen als basis voor de heffing te nemen, de gewestelijke heffing enerzijds binnen de perken heeft willen houden en anderzijds een gemakkelijk controleerbare berekeningsbasis heeft willen hanteren. Voorts blijkt dat het gradueel karakter van de heffing eigenaars vroegtijdig moet stimuleren om de verwaarlozing te beëindigen en het betrokken pand te verbeteren en dat daarom, naarmate een gebouw of woning langer op de inventaris blijft staan, de heffing en dus de druk op de eigenaar hoger wordt. De heffing is aldus, rekening houdend met de legitieme doelstelling ervan, zoals weergegeven onder r.o. 4, niet disproportioneel. 13. In zoverre het middel aanvoert dat de door het automatisme van de sanctie en de omvang ervan geen band van evenredigheid tussen de gebruikte middelen en het beoogde doel bestaat, faalt het naar recht. 14. De eiseres voert aan dat de toe te passen evenredigheidstoets ten aanzien van de automatische verhoging van de fiscale heffingen gedurende de wettelijke maximumtermijn voor het bedrag van 139.554,48 euro diende te worden vergeleken met de waarde van het geheel van het patrimonium van de betrokken gebouwen, vóór de herwaardering 277.063,00 euro, en de aard van de uit te voeren werken. 15. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiseres dit verweer voor de appelrechters heeft opgeworpen. Bovendien blijken de feitelijke gegevens die voor de beoordeling van het middel noodzakelijk zijn, niet uit bestreden arrest of uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan. Het middel is in zoverre nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk. 16. In zoverre het middel aanvoert dat het arrest op geen enkel ogenblik oor-deelt of de opgelegde forfaitaire sanctie evenredig is met de aard van de inbreuk tijdens de inbreukperiode en de concreet geleverde inspanningen van de eiseres tot reparatie, is het geheel afgeleid uit de in het eerste onderdeel van het eerste middel vergeefs aangevoerde stelling dat de heffing van de artikelen 24 en volgende Decreet van 22 december 1995, in de versie zoals van toepassing op het geding, een strafsanctie is in de zin van artikel 6 EVRM, en is het bijgevolg niet ontvankelijk. […] Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 278,25 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Myriam Ghyselen, en in openbare rechtszitting van 2 juni 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Mike Van Beneden PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230602.1N.4 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230602.1N.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220923.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div