id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:
Art. 152
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 209bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 152
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 209bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 152
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 209bis- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.
P.23.0550.N N. C. H., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Anne Marie De Clerck, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Muinkkaai 45 bus 1, waar de eiseres woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 28 februari
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 3, 6.1, 6.3 en 13 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 152 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging met inbegrip van de wapengelijkheid en het recht op tegenspraak: het arrest beslist tot wering van de op 12 september 2022 en op 24 januari 2023 ingediende conclusies, maar stelt niet vast dat de eiseres bij het indienen van die conclusies dilatoire doeleinden heeft nagestreefd; uit het enkele feit dat de eiseres laattijdig bijkomende stukken heeft ingediend, kan het arrest niet afleiden dat het indienen van die stukken dilatoir was; door de wering van de conclusies en de stukken miskent het arrest het recht van verdediging en het recht van toegang tot de rechter.
- Het middel verduidelijkt niet hoe en waardoor het arrest de artikelen 3 en 13 EVRM schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- Artikel 152, § 1, derde lid, Wetboek van Strafvordering, dat volgens artikel 209bis, laatste lid, van dit wetboek ook van toepassing is op de hoven van beroep, bepaalt dat conclusies die niet zijn ingediend vóór het verstrijken van de vastgestelde termijn, door de rechter ambtshalve uit het debat worden geweerd, behoudens toepassing van de in paragraaf 2 bepaalde regeling. Niet is vereist dat de rechter vaststelt dat de partij met het laattijdig indienen van de conclusie een dilatoir oogmerk nastreeft. De sanctie van het ambtshalve weren van de laattijdig ingediende conclusies, welke een ordentelijk en tijdig verloop van het strafproces wil garanderen, is niet strijdig met het recht van verdediging of het recht van toegang tot de rechter. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of een partij met het laattijdig indienen van bijkomende stukken een dilatoir oogmerk heeft.
- Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- Het arrest stelt vast dat de zaak werd ingeleid op 18 januari 2022, de behandeling van de zaak driemaal op verzoek van de eiseres werd uitgesteld, de zaak reeds een jaar hangende was op het moment waarop ze werd ingeleid, de bijkomend neergelegde stukken dateren van 2012, 2014 en 2015, het niet zo is dat de eiseres niet eerder in de mogelijkheid was om deze stukken eventueel op te vragen en neer te leggen, de eiseres reeds eerder in de procedure ruimschoots de kans kreeg om stukken neer te leggen en zij ondanks herhaalde beweringen en beloftes daaraan verzaakte en heeft gewacht tot de pleitzitting om deze stukken neer te leggen.
- Op grond van die vaststellingen kan het arrest wettig oordelen dat de eiseres met het indienen van de bijkomende stukken op de rechtszitting van 24 januari 2023 louter een dilatoire bedoeling had en dat die stukken dan ook uit het debat worden geweerd. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 170,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 6 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.15 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250506.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div