← België

V. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.16 Rolnummer: P.22.1309.N Zaak: V. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2023-06-29 Raadplegingen: 868 - laatst gezien 2026-06-18 18:12 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Uit artikel 202, 3°, Wetboek van Strafvordering blijkt dat, op het enkele ontvankelijke hoger beroep van de burgerlijke partij tegen een vrijsprekend vonnis, de appelrechter, ingevolge de devolutieve kracht van het hoger beroep, met betrekking tot de burgerlijke rechtsvordering kan en moet nagaan of de als misdrijf gekwalificeerde feiten die aan de burgerlijke rechtsvordering ten grondslag liggen, bewezen zijn en aan de burgerlijke partij schade hebben berokkend

(1).
(1)Cass. 11 september 2007, AR P.07.0146.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070911.1, AC 2007, nr. 396; Cass. 24 januari 2006, AR P.05.1438.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060124.4, AC 2006, nr. 51. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 202, 3° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 202, 3° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 4 Aangezien de burgerlijke rechtsvordering voor de strafrechter in beginsel enkel strekt tot vergoeding van de door het telastgelegde misdrijf veroorzaakte schade, kan de rechter bij wie alleen die rechtsvordering aanhangig is en die oordeelt dat het niet bewezen is dat het misdrijf schade heeft veroorzaakt aan de burgerlijke partij, zich niet uitspreken over de vraag of de als misdrijf gekwalificeerde feiten die aan de burgerlijke rechtsvordering ten grondslag liggen, bewezen zijn
(1).
(1)Zie Cass. 7 december 1994, AR P.94.0575.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941207.13, AC 1994, nr.
  1. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 3 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Burgerlijke rechtsvordering (bijzondere regels) Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 3 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1309.N A. V. H., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen
  2. C. D. S.,
  3. M. D. S.,
  4. F. D. S., burgerlijke partijen, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 15 september
  5. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  6. Het arrest: - verleent akte aan de verweerders van de afstand van de grieven met betrekking tot de schuldigverklaring en bestraffing; - zegt voor recht dat het hof van beroep niet gevat is met de beoordeling van de burgerlijke rechtsvordering in zoverre deze gebaseerd is op de feiten van de telastlegging B; - oordeelt dat de in de telastlegging A bedoelde meineed geen betrekking heeft op juwelen en bontjassen. In zoverre tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel Vierde onderdeel
  7. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de artikelen 162 en 162bis Wetboek van Strafvordering, artikel 226 Strafwetboek, de artikelen 1175 en 1183 Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek: de beslissing om het hoger beroep van de verweerders gedeeltelijk gegrond te verklaren hoewel het niet bewezen wordt geacht dat de verweerders als burgerlijke partijen enige schade hebben geleden, is niet naar recht verantwoord; na de vrijspraak van een beklaagde in eerste aanleg dient de appelrechter die op het enkele hoger beroep van de burgerlijke partij oordeelt dat die laatste geen schade heeft geleden, diens burgerlijke rechtsvordering in zijn geheel ongegrond te verklaren en die partij te veroordelen tot de kosten; het arrest oordeelt dat de verweerders geen materiële schade noch morele schade aantonen en diende de burgerlijke rechtsvordering van de verweerders dan ook volledig ongegrond te verklaren; de beslissing waarbij voor recht wordt gezegd dat de eiser een fout heeft begaan bestaande in het plegen van het feit van de telastlegging A, beperkt tot het afleggen van een valse eed met betrekking tot het bestaan van het fonds “Stichting Machar” waarover A. beschikte en waarvan onder meer hijzelf begunstigde was, evenals de beslissing tot veroordeling van de eiser in de kosten, waaronder een bijdrage van 22,00 euro aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand en de door het openbaar ministerie voorgeschoten kosten, alsook tot betaling van rechtsplegingsvergoedingen aan de verweerders, zijn dan ook niet naar recht verantwoord.
  8. Artikel 202, 3°, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het recht om hoger beroep in te stellen tegen de vonnissen gewezen door de politierechtbanken en de correctionele rechtbanken ook aan de burgerlijke partij behoort, maar alleen wat haar burgerlijke belangen betreft. Hieruit blijkt dat, op het enkele ontvankelijke hoger beroep van de burgerlijke partij tegen een vrijsprekend vonnis, de appelrechter, ingevolge de devolutieve kracht van het hoger beroep, met betrekking tot de burgerlijke rechtsvordering kan en moet nagaan of de als misdrijf gekwalificeerde feiten die aan de burgerlijke rechtsvordering ten grondslag liggen, bewezen zijn en aan de burgerlijke partij schade hebben berokkend.
  9. Volgens artikel 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering behoort de rechtsvordering tot herstel van de schade, door een misdrijf veroorzaakt, aan hen die de schade hebben geleden. Aangezien de burgerlijke rechtsvordering voor de strafrechter in beginsel aldus enkel strekt tot vergoeding van de door het telastgelegde misdrijf veroorzaakte schade, kan de rechter bij wie alleen die rechtsvordering aanhangig is en die oordeelt dat het niet bewezen is dat het misdrijf schade heeft veroorzaakt aan de burgerlijke partij, zich niet uitspreken over de vraag of de als misdrijf gekwalificeerde feiten die aan de burgerlijke rechtsvordering ten grondslag liggen, bewezen zijn.
  10. Het arrest (p. 17-18, nr. 4.1.3) oordeelt dat de verweerders geen materiële schade bewijzen in oorzakelijk verband met de in de telastlegging A bedoelde meineed bij de boedelbeschrijving van de nalatenschap van A. in zoverre die meineed betrekking heeft op het niet-vermelden van het bestaan van het fonds waarover A. beschikte, en dat de verweerders in dit verband evenmin enige morele schade aantonen. Evenwel oordeelt het arrest (p. 9-15, nr. 4.1.1) dat de feiten van de telastlegging A in de voormelde mate bewezen zijn en zegt het voor recht dat de eiser een fout heeft begaan bestaande in het plegen van het feit van de telastlegging A, beperkt tot het afleggen van een valse eed met betrekking tot het bestaan van een fonds waarover A. beschikte en waarvan onder meer hijzelf begunstigde was.
  11. Met de voormelde redenen oordeelt het arrest dat het niet bewezen is dat de in de telastlegging A bedoelde meineed bij de boedelbeschrijving, in zoverre deze betrekking heeft op het niet-vermelden van het bestaan van het fonds waarover A. beschikte, enige schade heeft veroorzaakt aan de verweerders. Het arrest kon zich op het enkele hoger beroep van de verweerders tegen de vrijspraak in het beroepen vonnis dan ook niet uitspreken over de vraag of de als misdrijf gekwalificeerde feiten die aan de desbetreffende burgerlijke rechtsvordering ten grondslag liggen, bewezen zijn. Door dat toch te doen, is het arrest niet naar recht verantwoord. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Overige grieven
  12. De grieven kunnen niet leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing en behoeven bijgevolg geen antwoord. Omvang van de cassatie
  13. De voormelde onwettigheid leidt tot de vernietiging van de volledige beslissing van het arrest over de burgerlijke rechtsvordering van de verweerders in zoverre deze gebaseerd is op de in de telastlegging A bedoelde meineed bij een boedelbeschrijving door het niet vermelden van het fonds “Stichting Machar”, met inbegrip van de beslissing over de op grond hiervan door de verweerders gevorderde schadevergoeding, alsook tot de vernietiging van de beslissing over de kosten en de rechtsplegingsvergoedingen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit: - het hoger beroep van de verweerders ontvankelijk verklaart; - akte verleent aan de verweerders van de afstand van de grieven met betrekking tot de schuldigverklaring en bestraffing; - voor recht zegt dat het hof van beroep niet gevat is met de beoordeling van de burgerlijke rechtsvordering in zoverre deze gebaseerd is op de feiten van de telastlegging B; - oordeelt dat de in de telastlegging A bedoelde meineed geen betrekking heeft op juwelen en bontjassen. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot een vijfde van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Bepaalt de kosten op 254,12 euro, waarvan 219,12 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 6 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241126.2N.20 precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941207.13 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060124.4 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070911.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.