id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.18 Rolnummer: P.23.0801.N Zaak: G. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-06-29 Raadplegingen: 499 - laatst gezien 2026-06-16 22:52 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Indien het onderzoeksgerecht beslist over de voorlopige hechtenis volgt uit de vermelding dat de beslissing is gewezen met gesloten deuren dat, behoudens andersluidende vermelding in het proces-verbaal van de rechtszitting of de beslissing zelf, de behandeling van de zaak ook met gesloten deuren is gebeurd. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 1° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 1° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 1° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0801.N L. G., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiseres met als raadsman mr. Andy Boermans, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 25 mei
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 23, 1°, en 30, § 3, Voorlopige Hechteniswet: met de enkele vermelding dat het werd gewezen met gesloten deuren, laat het arrest na uitdrukkelijk te vermelden dat de rechtspleging in haar geheel achter gesloten deuren is verlopen.
- Artikel 23, 1°, Voorlopige Hechteniswet, dat volgens artikel 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet ook van toepassing is op de kamer van inbeschuldigingstelling, bepaalt dat de rechtspleging met gesloten deuren verloopt en dat dit wordt vastgesteld in de beslissing.
- Indien het onderzoeksgerecht beslist over de voorlopige hechtenis volgt uit de vermelding dat de beslissing is gewezen met gesloten deuren dat, behoudens andersluidende vermelding in het proces-verbaal van de rechtszitting of de beslissing zelf, de behandeling van de zaak ook met gesloten deuren is gebeurd. Het middel dat uitgaat van de rechtsopvatting dat de beslissing steeds uitdrukkelijk moet vermelden dat de zaak werd behandeld met gesloten deuren, faalt naar recht. Tweede middel Eerste en tweede onderdeel
- De onderdelen voeren schending aan van artikel 5 EVRM, artikel 12 Grondwet en de artikelen 16, § 1, en § 5, 21, 23 en 30, § 3, Voorlopige Hechteniswet: het arrest oordeelt ten onrechte dat het bevel tot aanhouding regelmatig is; dat bevel vermeldt niet de feitelijke omstandigheden van de zaak en eigen aan de persoonlijkheid van de eiseres die haar voorlopige hechtenis wettigen; ook de verwijzing naar het recidivegevaar afgeleid uit het lucratief karakter van de ten laste gelegde feiten kan niet als een dergelijke omstandigheid worden beschouwd; bij gebrek aan deze vermeldingen is het bevel tot aanhouding onregelmatig en moet de eiseres onmiddellijk in vrijheid worden gesteld (eerste onderdeel); door naar dit gebrekkig bevel tot aanhouding te verwijzen is bovendien ook het arrest gebrekkig gemotiveerd (tweede onderdeel).
- In zoverre de onderdelen niet gericht zijn tegen het arrest, maar enkel tegen het bevel tot aanhouding, zijn zij niet ontvankelijk.
- Bij toepassing van de artikelen 21, § 4, en 30 Voorlopige Hechteniswet beoordeelt het onderzoeksgerecht ter gelegenheid van de beslissing over de eerste handhaving de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding. Het dient daarbij onder meer na te gaan of het bevel tot aanhouding melding maakt van de feitelijke omstandigheden van de zaak en van die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de verdachte, die de voorlopige hechtenis wettigen gezien de criteria bepaald in artikel 16, § 1, Voorlopige Hechteniswet.
- Het bevel tot aanhouding vermeldt: “Uit het reeds uitvoerig gevoerde onderzoek, zowel in België, Italië, Duitsland en andere landen in Europa, zijn er aanwijzingen dat verschillende personen zich bezighouden met handel in verdovende middelen en deel uitmaken van een criminele organisatie. Uit de gevoerde telefoonafluistermaatregelen, infiltratie, observatie en andere BOM-technieken blijkt dat [de eiseres] als partner van medeverdachte S. contacten had met personen van de vermoedelijke criminele organisatie. Er zijn aanwijzingen dat zij op vraag van S. verdachte berichten verstuurde naar andere personen van de vermeende organisatie. Ze verklaart dat ze enkel de berichten vertaalde voor S. en dat ze hierbij niet nadacht over de inhoud ervan. Het onderzoek dient te worden voortgezet, onder meer door telefonieonderzoek, sporenonderzoek, confrontaties, herverhoren en dergelijke meer. Het recidivegevaar is reëel gezien het lucratief karakter van de ten laste gelegde feiten. De aanhouding dringt zich op in het belang van het verder onderzoek en in het belang van de openbare veiligheid.” Het arrest dat onder meer op grond van die vermeldingen oordeelt dat het bevel tot aanhouding regelmatig is, verantwoordt de beslissing naar recht en is regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen.
- Voor het overige zijn de onderdelen afgeleid uit die vergeefs aangevoerde onwettigheid en zijn zij niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 5 EVRM en de artikelen 16, § 1, en § 5, 21, 23 en 30, § 3, Voorlopige Hechteniswet: het arrest laat na de redenen te vermelden waarom het verzoek van de eiseres ter rechtszitting om in vrijheid te worden gesteld onder detentievervangende voorwaarden of onder de modaliteit van het elektronisch toezicht wordt afgewezen.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiseres het in het onderdeel bedoelde verzoek aan de kamer van inbeschuldigingstelling heeft gericht. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 61,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 6 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div