← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.20 Rolnummer: P.23.0806.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-06-29 Raadplegingen: 860 - laatst gezien 2026-06-16 23:01 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Uit de artikelen 16, §§ 1 en 5, Voorlopige Hechteniswet kan niet worden afgeleid dat ingeval in eenzelfde gerechtelijk onderzoek tegen meerdere personen een bevel tot aanhouding wordt verleend wegens onder meer misdrijven die verband houden met de betrokkenheid van de inverdenkinggestelden bij eenzelfde criminele organisatie of vereniging, de feitelijke omstandigheden van de zaak het voorwerp moeten uitmaken van een verschillende opgave van redenen voor elke afzonderlijke inverdenkinggestelde; evenmin verzetten die bepalingen of een andere bepaling of algemeen rechtsbeginsel zich ertegen dat de volstrekte noodzakelijkheid van de handhaving van de voorlopige hechtenis voor de openbare veiligheid en in voorkomend geval het gevaar voor recidive, collusie en onttrekking op identieke wijze worden omschreven, aangezien in het licht van de omstandigheden en de stand van het gerechtelijk onderzoek, die noodzakelijkheid en die gevaren bij alle inverdenkinggestelden op gelijke wijze aanwezig kunnen zijn

(1).
(1)Zie Cass. 17 mei 2022, AR P.22.0609.N, AC 2022, nr. 356, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220517.2N.14; Cass. 13 april 2021, AR P.21.0482.N, AC 2021, nr. 267, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.
  1. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, §§ 1 en 5 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 2 - 4 De raadkamer en in hoger beroep de kamer van inbeschuldigingstelling die volgens de artikelen 21, § 4, en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet oordelen over de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding, kunnen daarbij de motivering van dat bevel verbeteren door een reden aan te vullen, een juiste reden in de plaats te stellen van een foutieve reden of duidelijker de omstandigheden te omschrijven waarom de vrijheidsbeneming volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid; de onregelmatigheid van het bevel tot aanhouding wegens het ontbreken van elke vermelding van de in artikel 16, § 5, Voorlopige Hechteniswet bedoelde feitelijke omstandigheden is echter niet herstelbaar. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 5 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 5 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 5 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 5 - 7 Het onderzoeksgerecht oordeelt, op grond van de feiten die het onaantastbaar vaststelt, of het bevel tot aanhouding dat het eventueel aanvult, verbetert of verduidelijkt, voldoende is geïndividualiseerd met betrekking tot de voormelde feitelijke omstandigheden; het Hof gaat na of dat gerecht uit de vastgestelde feiten geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of daardoor onmogelijk kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING ONDERZOEKSGERECHTEN Tekst van de beslissing Nr. P.23.0806.N I-II E. H. B., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Katrien Van der Straeten, advocaat bij de balie Dendermonde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 23 mei
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep II
  3. Volgens artikel 419 Wetboek van Strafvordering kan, behoudens in hier niet toepasselijke gevallen, niemand een tweede maal cassatieberoep instellen tegen dezelfde beslissing.
  4. Zowel de raadsman van de eiser als de eiser zelf hebben op 24 mei 2023 cassatieberoep ingesteld. Het cassatieberoep II is niet ontvankelijk. Middel
  5. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 16, § 1, en § 5, Voorlopige Hechteniswet: het arrest bevestigt de handhaving van eisers voorlopige hechtenis, maar motiveert dat onvoldoende; het bevel tot aanhouding, dat het arrest regelmatig verklaart, is immers op een niet-geïndividualiseerde wijze gemotiveerd; uit de rechtspleging in eerste aanleg blijkt dat die motivering lastens de eiser overeenkomt met motiveringen die worden aangewend lastens andere inverdenkinggestelden of in andere gerechtelijke onderzoeken; dergelijk louter kopiëren van een ander bevel tot aanhouding leidt tot een onduidelijke standaardmotivering; daaraan kan geen afbreuk worden gedaan door louter te verwijzen naar de inhoud van de schriftelijke vordering van de procureur-generaal; uit dergelijke stijlformule kan evenmin een eigen standpunt van het appelgerecht lastens de eiser blijken.
  6. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis. Hetzelfde geldt in de regel voor artikel 6 EVRM. In zoverre het middel schending van die bepalingen aanvoert, faalt het naar recht.
  7. In zoverre het middel gericht is tegen het bevel tot aanhouding, is het niet gericht tegen het arrest en is het niet ontvankelijk.
  8. In zoverre het middel verwijst naar beslissingen in verband met de voorlopige hechtenis van andere inverdenkinggestelden, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het evenmin ontvankelijk.
  9. Volgens artikel 16, § 1, Voorlopige Hechteniswet kan de onderzoeksrechter, voor een feit dat voor de inverdenkinggestelde een correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben, slechts een bevel tot aanhouding verlenen in geval van volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid. Dit vereist, behoudens in welbepaalde gevallen, bovendien dat er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat de inverdenkinggestelde nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen, zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken, bewijzen zou pogen te laten verdwijnen of zich zou verstaan met derden. Artikel 16, § 5, Voorlopige Hechteniswet bepaalt in zijn eerste lid dat het bevel tot aanhouding de opgave bevat van het feit waarvoor het wordt verleend, de wetsbepaling vermeldt die bepaalt dat het feit een misdaad of een wanbedrijf is en het bestaan vaststelt van ernstige aanwijzingen van schuld. Het bepaalt in zijn tweede lid dat de rechter daarin de feitelijke omstandigheden van de zaak en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de inverdenkinggestelde vermeldt, die de voorlopige hechtenis wettigen gezien de criteria bepaald in paragraaf 1 van dat artikel.
  10. Uit de artikelen 16, § 1, en § 5, Voorlopige hechteniswet kan niet worden afgeleid dat ingeval in eenzelfde gerechtelijk onderzoek tegen meerdere personen een bevel tot aanhouding wordt verleend wegens onder meer misdrijven die verband houden met de betrokkenheid van de inverdenkinggestelden bij eenzelfde criminele organisatie of vereniging, de feitelijke omstandigheden van de zaak het voorwerp moeten uitmaken van een verschillende opgave van redenen voor elke afzonderlijke inverdenkinggestelde. Evenmin verzetten die bepalingen of een andere bepaling of algemeen rechtsbeginsel zich ertegen dat de volstrekte noodzakelijkheid van de handhaving van de voorlopige hechtenis voor de openbare veiligheid en in voorkomend geval het gevaar voor recidive, collusie en onttrekking op identieke wijze worden omschreven, aangezien in het licht van de omstandigheden en de stand van het gerechtelijk onderzoek, die noodzakelijkheid en die gevaren bij alle inverdenkinggestelden op gelijke wijze aanwezig kunnen zijn.
  11. Volgens de artikelen 21, § 4, en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet oordelen de raadkamer en in hoger beroep de kamer van inbeschuldigingstelling over de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding. Daarbij kunnen zij de motivering van dat bevel verbeteren door een reden aan te vullen, een juiste reden in de plaats te stellen van een foutieve reden of duidelijker de omstandigheden te omschrijven waarom de vrijheidsbeneming volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid. De onregelmatigheid van het bevel tot aanhouding wegens het ontbreken van elke vermelding van de in artikel 16, § 5, Voorlopige Hechteniswet bedoelde feitelijke omstandigheden is echter niet herstelbaar.
  12. Het enkele feit dat de handhavingsbeslissing verwijst naar elementen of gegevens die ook zijn vermeld in het bevel tot aanhouding, houdt niet in dat het onderzoeksgerecht geen rekening houdt met de vereiste individualisering.
  13. Het onderzoeksgerecht oordeelt, op grond van de feiten die het onaantastbaar vaststelt, of het bevel tot aanhouding dat het eventueel aanvult, verbetert of verduidelijkt, voldoende is geïndividualiseerd met betrekking tot de voormelde feitelijke omstandigheden. Het Hof gaat na of dat gerecht uit de vastgestelde feiten geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of daardoor onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  14. De verplichting van de kamer van inbeschuldigingstelling om te voldoen aan de in het middel vermelde wetsbepalingen belet die kamer niet om haar beslissing te motiveren door de overname van de redenen van de vordering van de procureur-generaal. Die overname houdt geen stijlformule in, maar wel dat de kamer van inbeschuldigingstelling deze redenen passend acht en overneemt als eigen redenen, onder meer om het voor haar gevoerde verweer te beantwoorden en te verwerpen.
  15. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  16. Met overname van de redenen van de vordering van de procureur-generaal en de beroepen beschikking oordeelt het arrest dat: - het bevel tot aanhouding de ten laste gelegde feiten vermeldt en een opsomming bevat van de ernstige aanwijzingen van schuld, die het aanvult; - dit bevel tevens gegevens bevat over de persoonlijkheid van de eiser door erop te wijzen dat dergelijke feiten wijzen op een gevaarlijke geestesgesteldheid; - dit bevel het recidivegevaar stoelt op de betrokkenheid van de eiser in een internationale drugcarrousel en op het lucratief geldgewin, waaraan het eigen aanwijzingen van recidivegevaar toevoegt; - het gevaar op collusie of het doen verdwijnen van bewijsstukken wordt geconcretiseerd door aanwijzingen van de aanwezigheid van meerdere betrokken uitvoerders en tussenpersonen. Aldus stelt het arrest vast dat het bevel tot aanhouding wel degelijk gegevens eigen aan de zaak en aan de persoonlijkheid van de inverdenkinggestelde vermeldt en vult het dat bevel aan met de redenen dat er tevens collusiegevaar bestaat door de meerdere onderzoekshandelingen die te gebeuren staan en dat er tevens recidivegevaar is gelet op concrete eerdere veroordelingen van de eiser. Op grond van het geheel van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat het bevel tot aanhouding afdoende is geïndividualiseerd overeenkomstig de vereisten van artikel 16, § 5, Voorlopige Hechteniswet en dat het bijgevolg regelmatig is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen I en II. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 126,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 6 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.20 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251126.2F.18 precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.17 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220517.2N.14 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.