id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.24 Rolnummer: P.23.0810.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2023-06-29 Raadplegingen: 527 - laatst gezien 2026-06-15 08:35 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Wanneer het bestreden arrest de handhaving van eisers voorlopige hechtenis niet enkel grondt op het collussiegevaar, maar ook op het recidivegevaar en die zelfstandige reden de aangevochten beslissing draagt, kan het middel dat die reden niet bekritiseert niet tot cassatie kan leiden en is het niet ontvankelijk. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING VOORLOPIGE HECHTENIS - CASSATIEBEROEP CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Belang Tekst van de beslissing Nr. P.23.0810.N F. B. V. O., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Danny Francet, advocaat bij de balie Dendermonde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 25 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM en artikel 16, § 1, derde lid, Voorlopige Hechteniswet: om eisers voorlopige hechtenis te handhaven neemt het arrest collusiegevaar aan; met overname van de redenen van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie oordeelt het arrest daartoe dat de eiser weinig tot geen medewerking verleent aan het gerechtelijk onderzoek en zich grotendeels op zijn zwijgrecht beroept; met die redenen miskent het arrest het vermoeden van onschuld en eisers recht op een eerlijk proces en gebruikt het zijn voorlopige hechtenis als dwangmiddel.
- Artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat in het door die bepaling bedoelde geval het bevel tot aanhouding slechts mag worden verleend als er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat de in vrijheid gelaten verdachte nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen, zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken, bewijzen zou pogen te laten verdwijnen of zich zou verstaan met derden. Het bevel tot aanhouding kan worden verleend indien er ernstige redenen zijn om te vrezen dat één van de omstandigheden zich kan voordoen.
- Het arrest grondt de handhaving van eisers voorlopige hechtenis niet enkel op het collusiegevaar, maar ook op het recidivegevaar. Die zelfstandige reden, die het middel niet bekritiseert, draagt de aangevochten beslissing. Het middel dat niet tot cassatie kan leiden, is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 6 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.24 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div