id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.3 Rolnummer: P.23.0135.N Zaak: R. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2023-06-29 Raadplegingen: 761 - laatst gezien 2026-06-18 17:41 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Het enkele feit dat een persoon bepaalde contacten zou onderhouden met de Veiligheid van de Staat betekent niet dat de Wet Inlichtingendiensten van toepassing is op eender welke activiteit of gedraging van die persoon; het staat aan de rechter om op grond van de hem voorgelegde feiten te oordelen of de concrete activiteit of gedraging van de betrokkene, met betrekking waartoe hij een hoedanigheid van menselijke bron of informant van de Veiligheid van de Staat aanvoert, al dan niet verband houdt met zijn eventuele contacten met die dienst. Thesaurus CAS: VEILIGHEID VAN DE STAAT Fiches 2 - 3 Het behoort tot de normale uitoefening van de strafvordering en het is dan ook niet deloyaal dat het openbaar ministerie, in een procedure op verwijzing na een vernietigingsarrest van het Hof, de geloofwaardigheid betwist van het verweer van een nog in de procedure betrokken beklaagde dat de onthulling van de hem ten laste gelegde feiten onregelmatig is omdat een medebeklaagde de hoedanigheid zou hebben van informant of menselijke bron van de Veiligheid van de Staat; de zienswijze van het openbaar ministerie voorafgaand aan een vernietigingsarrest speelt daarbij geen rol. Thesaurus CAS: STRAFVORDERING OPENBAAR MINISTERIE Fiches 4 - 5 Een door de wet beschermd geschrift is een geschrift dat in zekere mate tot bewijs kan strekken, dit is zich aan het openbare vertrouwen opdringt, zodat de overheid of particulieren die ervan kennis nemen of aan wie het wordt voorgelegd, kunnen overtuigd zijn van de waarachtigheid van de rechtshandeling of van het rechtsfeit in dat geschrift vastgelegd of kunnen gerechtigd zijn daaraan geloof te hechten en het geschrift dat die rechtshandeling of dat rechtsfeit bevat, moet juridische draagwijdte hebben, dit wil zeggen dat het bestemd is tot bewijs van enig feit dat de rechtstoestand van de betrokken personen of zaken kan beïnvloeden; het feit dat een geschrift bestaat uit een overtuigingsstuk dat de advocaat van een partij voegt bij zijn conclusie, betekent niet dat dit geschrift zich niet aan het openbaar vertrouwen kan opdringen vermits een dergelijk stuk bedoeld is om een in conclusie ingenomen standpunt kracht bij te zetten en dat standpunt dus geloofwaardiger te maken ten overstaan van de rechter en de tegenpartijen. Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Fiches 6 - 7 Het moreel bestanddeel van valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken bestaat hetzij in bedrieglijk opzet hetzij in het oogmerk om te schaden; bedrieglijk opzet is het opzet om zichzelf of een ander een onrechtmatig voordeel te verschaffen en er is bedrieglijk opzet zodra de dader enig voordeel of enige winst beoogt, die hij niet zou hebben behaald indien hij het waarheidsgetrouwe karakter van het geschrift had geëerbiedigd; een kwaadwillige drijfveer is niet vereist en evenmin moet worden aangetoond dat de valsheid doorslaggevend was om het beoogde voordeel of de beoogde winst te verkrijgen. Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Fiches 8 - 9 De rechter kan oordelen dat degene die een handtekening of een als dusdanig bedoeld teken plaatst bij de naam van de opsteller van een schriftelijke verklaring, teneinde de lezer van die verklaring te doen geloven dat de opsteller ervan ze zelf heeft ondertekend, wat niet het geval is, een voordeel beoogt dat hij zonder het plaatsen van die handtekening of dat teken niet zou hebben gehad, namelijk die lezer te overtuigen of bijkomend te overtuigen van de oprechtheid of de waarachtigheid van die verklaring door voor te wenden dat de opsteller ze zich door het plaatsen van zijn handtekening persoonlijk heeft toegeëigend. Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Tekst van de beslissing Nr. P.23.0135.N N. R., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Hugo Vandenberghe, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 10 januari 2023, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 27 februari 2018. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1, 6.2 en 8 EVRM, artikel 149 Grondwet, “o.m.” de artikelen 2, 3, 13, 13/1, 13/4, 16, 18, 18/3, 18/9, 19 en 20 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (hierna Wet Inlichtingendiensten), de artikelen 90ter tot 90decies Wetboek van Strafvordering, de artikelen 28bis, § 3, en 30 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging, de wapengelijkheid, de bewijslast in strafzaken en de loyaliteit van de bewijsvoering en van de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit toe te passen bij de interpretatie van de norm. Eerste onderdeel 2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 13 en 18 Wet Inlichtingendiensten en de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest steunt de beslissing dat het lastens de eiser verkregen bewijsmateriaal niet onregelmatig is en de strafvordering ontvankelijk is op het oordeel dat eisers medebeklaagde geen geregistreerde menselijke bron of informant in de strikte zin was van de Veiligheid van de Staat; het arrest verwart de artikelen 16 (vorderen van informatie van private personen) en 18 (informantenwerking) van de Wet Inlichtingendiensten; die artikelen hebben een totaal verschillend toepassingsgebied voor wat betreft onder meer de verplichting tot het meedelen van gegevens, het beroepsgeheim en de bescherming van de privacy; het arrest maakt een onderscheid tussen een geregistreerde en niet-geregistreerde menselijke bron, die de Wet Inlichtingendiensten zelf niet maakt; zo geldt de geheimhoudingsplicht voor iedere persoon die in welke hoedanigheid ook zijn medewerking verleent aan de toepassing van deze wet; het arrest verwijst ten onrechte naar wetswijzigingen in 2017 en 2022 om te oordelen dat de regeling van het begaan van strafbare handelingen door een menselijke bron op het ogenblik van de feiten niet bestond; het arrest onderzoekt niet of de door de eiser aangevoerde bewijzen wel degelijk aantoonden dat de medebeklaagde als menselijke bron rechtstreeks hulp of bijstand heeft verleend aan de Veiligheid van de Staat; aldus miskent het arrest eisers desbetreffende verweer, beoordeelt het dat verweer onwettig, verwerpt het dat verweer met onwettige motieven en geeft het een uitlegging van eisers conclusie die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan. 3. De appelrechters geven geen uitlegging van de bewoordingen van eisers conclusie, maar beoordelen enkel de juistheid van het erin opgenomen verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 4. De appelrechters verklaren de eiser schuldig aan de telastleggingen valsheid in geschriften (A.2) en gebruik van een valse geschrift (B, gedeeltelijk), gepleegd van 27 november 2015 tot en met 16 januari 2016, doordat de eiser een schriftelijke verklaring die de medebeklaagde had opgemaakt in het voordeel van eisers cliënt materieel heeft vervalst door op die verklaring, waarvan de eiser toen de intellectuele valsheid niet kende, de handtekening van de medebeklaagde na te bootsen en dat geschrift aan de rechter te overleggen. 5. De appelrechters (arrest, p. 9-11) oordelen daarbij in essentie dat zij geen geloof hechten aan de aanvoeringen van de medebeklaagde dat deze het vermelde geschrift zou hebben opgesteld en overgemaakt aan de eiser in opdracht, met machtiging of met medeweten van ambtenaren van de Veiligheid van de Staat. De appelrechters steunen dat oordeel onder meer op de volgende redenen: - de feiten zijn aanvankelijk gebleken uit een afluistermaatregel die de onderzoeksrechter heeft bevolen ten aanzien van de medebeklaagde; - de medebeklaagde houdt voor dat hij voor de Veiligheid van de Staat werkte en dat hij door het opstellen van een vals attest het vertrouwen van K. kon winnen om belangrijke informatie in te winnen over terrorisme; - “In het licht van de elementen van het strafdossier is het aannemelijk dat de medebeklaagde (…) - die een zekere notoriëteit genoot als deradicaliseringsexpert en begeleider van moslimjongeren - contacten had met bepaalde diensten van de Belgische Staat, zoals de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken en – mogelijks – ook de diensten van de Veiligheid van de Staat. De artikelen 16 en 18 van de [Wet Inlichtingendiensten] bepalen dat de inlichtingen- en veiligheidsdiensten inlichtingen kunnen inwinnen bij elke persoon of organisatie die behoort tot de privé-sector en een beroep kunnen doen op menselijke bronnen voor het verzamelen van gegevens. Het is verder mogelijk dat de medebeklaagde (…) – vanwege deze notoriëteit en/of deze contacten – gemeend heeft zich bepaalde zaken te kunnen veroorloven en/of dat hij – zoals hij in zijn syntheseconclusies in hoger beroep van 2 mei 2017 heeft voorgehouden – bepaalde handelingen heeft gesteld om het vertrouwen van de medebeklaagde [K.] te winnen. Er is echter in het licht van de elementen van het strafdossier niet de minste aanwijzing: - noch dat de medebeklaagde (…) tijdens de periode van incriminatie een geregistreerde ‘menselijke bron’ of ‘informant’ in strikte zin was, laat staan dat hij een agent was van de diensten van de Veiligheid van de Staat; - noch dat de medebeklaagde (…) tijdens de periode van incriminatie effectief betrokken was bij enig onderzoek, laat staan dat hij gehandeld heeft op aanwijzing of met toestemming van een ambtenaar of agent van de overheid, laat staan dat hem machtiging werd verleend om strafbare feiten te plegen”. - ook andere beweringen van de medebeklaagde, namelijk dat hij wist dat hij werd afgeluisterd, dat een onbekend persoon binnen de Veiligheid van de Staat hem zou hebben gezegd dat hij mocht meewerken aan het opstellen van een vals attest en dat hij de inhoud van het door hem op 26 november 2015 aan de eiser toegestuurde e-mailbericht heeft aangepast op 16 december 2015 “in overleg met zijn contactpersoon bij de Veiligheid van de Staat”, zijn niet aannemelijk en niet relevant. 6. De Wet Inlichtingendiensten, zoals van toepassing, bepaalt onder meer: - in artikel 13, eerste lid: “In het raam van hun opdrachten kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten inlichtingen en persoonsgegevens opsporen, verzamelen, ontvangen en verwerken die nuttig kunnen zijn om hun opdrachten te vervullen en een documentatie bijhouden, meer bepaald met betrekking tot de gebeurtenissen, de groeperingen en de personen die een belang vertonen voor de uitoefening van hun opdrachten”; - in artikel 16: “In overeenstemming met artikel 3, § 4, van de wet van 8 december 1992, tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de inlichtingen noodzakelijk voor de uitoefening van hun opdrachten, met inbegrip van persoonsgegevens, inwinnen bij elke persoon of organisatie die behoort tot de privé-sector”; - in artikel 18: “In de uitoefening van hun opdrachten kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten een beroep doen op menselijke bronnen voor het verzamelen van gegevens omtrent gebeurtenissen, voorwerpen, groeperingen en natuurlijke personen of rechtspersonen die een belang vertonen voor de uitoefening van hun opdrachten, conform de richtlijnen van het ministerieel Comité”; - in artikel 36, § 1: “Onverminderd artikel 19 is iedere agent alsmede iedere persoon die, in welke hoedanigheid ook, zijn medewerking verleent aan de toepassing van deze wet, verplicht de geheimen te bewaren die hem zijn toevertrouwd in de uitoefening van zijn opdracht of zijn medewerking”. 7. Artikel 2 van de wet van 14 juli 2022 tot wijziging van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten heeft in artikel 3 van de Wet Inlichtingendiensten de volgende bepaling, in werking getreden op 15 augustus 2022, ingevoegd: “In deze wet wordt verstaan onder: 26° "menselijke bron": een persoon die een inlichting meedeelt aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en die geregistreerd is overeenkomstig de procedure bedoeld in de door de Nationale Veiligheidsraad goedgekeurde richtlijn betreffende het beroep op menselijke bronnen”. 8. Het enkele feit dat een persoon bepaalde contacten zou onderhouden met de Veiligheid van de Staat betekent niet dat de Wet Inlichtingendiensten van toepassing is op eender welke activiteit of gedraging van die persoon. Het staat aan de rechter om op grond van de hem voorgelegde feiten te oordelen of de concrete activiteit of gedraging van de betrokkene, met betrekking waartoe hij een hoedanigheid van menselijke bron of informant van de Veiligheid van de Staat aanvoert, al dan niet verband houdt met zijn eventuele contacten met die dienst. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 9. Met de voormelde redenen onderzoeken de appelrechters of de misdrijven die aan het licht zijn gekomen ingevolge een telefoniemaatregel ten aanzien van de medebeklaagde, verband houden met diens voorgehouden hoedanigheid van menselijke bron of informant van de Veiligheid van de Staat en of die misdrijven bijgevolg vallen onder het toepassingsgebied van de Wet Inlichtingendiensten. De appelrechters motiveren aan de hand van de gegevens van het strafdossier die zij aanwijzen waarom zij van oordeel zijn dat dit niet het geval is. Met die redenen beantwoorden zij het verweer van de eiser en is hun beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. De omstandigheid dat de appelrechters in het kader van hun redenering melding maken van het vereiste om menselijke bronnen te registreren, dat pas na de feiten is ingevoerd in artikel 3, 26°, Wet Inlichtingendiensten, doet geen afbreuk aan de essentie van die redenering. Evenmin dienden de appelrechters te antwoorden op elk argument dat de eiser heeft aangevoerd ter ondersteuning van zijn verweer over de onregelmatigheid van het bewijsmateriaal, maar dat geen zelfstandig verweer uitmaakte. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 10. Voor het overige is het onderdeel gericht tegen overtollige redenen en is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 11. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de eiser niet aannemelijk maakt dat de medebeklaagde een informant van de Veiligheid van de Staat was; het openbaar ministerie heeft in de procedure voor het hof van beroep te Antwerpen de argumenten van de medebeklaagde dat hij als menselijke bron diensten verleende aan de Veiligheid van de Staat niet weerlegd of tegengesproken; het is deloyaal dat het openbaar ministerie die argumenten thans wel in twijfel trekt in de procedure die wordt gevoerd in afwezigheid van de medebeklaagde; nergens wordt aangetoond dat de medebeklaagde daden van terrorisme zou hebben gepleegd die het wettig bevelen van een telefoniemaatregel in een ander gerechtelijk onderzoek verantwoorden; op grond van het geheel van de ingeroepen feiten van het strafdossier en rekening houdend met het concrete verloop van de beroepsprocedure te Antwerpen met de medebeklaagde als procespartij, kon het arrest niet oordelen dat het door de eiser in conclusie ingenomen standpunt niet aannemelijk is in de concrete context van de zaak; aan de eiser kan geen onmogelijke bewijslast worden opgelegd; het arrest toont geen wettelijke grondslag aan voor het niet eerbiedigen van eisers beroepsgeheim als advocaat; het arrest beantwoordt eisers verweer niet; het arrest geef een onjuiste uitlegging van de stukken van de medebeklaagde en van eisers conclusie; het arrest antwoordt niet op het verweer van de eiser en het is niet afdoende gemotiveerd. 12. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van “o.m.” de artikelen van de Wet Inlichtingendiensten die het middel als geschonden aanwijst, zonder die artikelen verder te preciseren, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk. 13. In zoverre het onderdeel, ongeacht de formulering ervan, opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het evenmin ontvankelijk. 14. De appelrechters geven geen uitlegging van de stukken neergelegd door de medebeklaagde of van eisers appelconclusie, maar beoordelen de juridische draagwijdte van die akten. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 15. Het behoort tot de normale uitoefening van de strafvordering en het is dan ook niet deloyaal dat het openbaar ministerie, in een procedure op verwijzing na een vernietigingsarrest van het Hof, de geloofwaardigheid betwist van het verweer van een nog in de procedure betrokken beklaagde dat de onthulling van de hem ten laste gelegde feiten onregelmatig is omdat een medebeklaagde de hoedanigheid zou hebben van informant of menselijke bron van de Veiligheid van de Staat. De zienswijze van het openbaar ministerie voorafgaand aan een vernietigingsarrest speelt daarbij geen rol. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 16. De appelrechters (arrest, p. 8-9) beschrijven het vroegere verweer van de medebeklaagde dat hij een informant of menselijke bron van de Veiligheid van de Staat was. De appelrechters oordelen vervolgens zoals vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel. Zij (arrest, p. 11-12) oordelen verder als volgt: - uit niets blijkt dat het federaal parket tijdens het gerechtelijk onderzoek in deze zaak wist van het eventuele bestaan, laat staan de juiste aard en draagwijdte van mogelijke contacten tussen de medebeklaagde en de Veiligheid van de Staat; - het wordt niet ondubbelzinnig aangevoerd en het blijkt in ieder geval niet: - noch dat de onderzoeksrechter in zijn beschikking tot onderschepping van de communicatie gevoerd door de medebeklaagde, de betrokkene ten onrechte als een journalist zoals bedoeld in het Wetboek van Strafvordering en de wet van 7 april 2005 heeft aangemerkt; - noch dat in het kader van huidig gerechtelijk onderzoek toepassing is gemaakt van de informantenwerking in de zin van artikel 47decies Wetboek van Strafvordering, wat overigens geen bijzondere opsporingsmethode is; - noch dat anderszins een onregelmatigheid in de bewijsgaring is begaan in huidig gerechtelijk onderzoek; - uit hetgeen voorafgaat volgt dat in deze zaak geen sprake is: - noch van het binnendringen in de ruimte die beschermd wordt door het beroepsgeheim van de eiser door of op aansturen van een agent van de Veiligheid van de Staat of een andere openbaar ambtenaar of agent van een openbare dienst in omstandigheden die strijden met de wet van 4 februari 2010; - noch van een inbreuk op de bepalingen van de Wet Inlichtingendiensten; - noch van machtsmisbruik of van een schending van artikel 6 EVRM; - noch van provocatie of van een deloyale houding van het federaal parket; - noch van enige onregelmatigheid bij de onderschepping van de communicatie gevoerd door het oproepnummer gebruikt door de medebeklaagde; - noch van enige andere onregelmatigheid in de bewijsgaring; - de eiser kan in zijn argumentatie in dat verband niet worden gevolgd; - anders dan de eiser in conclusie voorhoudt, is er geen reden om de tegen hem ingestelde strafvordering onontvankelijk te verklaren, noch om het bewijs geheel of gedeeltelijk als onregelmatig verkregen te beoordelen, laat staan om het bewijs geheel of gedeeltelijk uit het debat te weren met toepassing van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering; - er is in de gegeven omstandigheden geen sprake van een miskenning van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging; - er is er geen grond om tot bewijsuitsluiting te besluiten; - de strafvordering is ontvankelijk. Aldus beantwoorden de appelrechters het verweer van de eiser en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord, zonder dat de appelrechters dienden te antwoorden op elk door de eiser aangevoerd argument dat geen zelfstandig verweer uitmaakte. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel 17. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 193, 196, eerste en tweede lid, 213 en 214 Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de “krabbel” die de eiser onder de naam van de medebeklaagde heeft geplaatst een materiële valsheid uitmaakt; die “krabbel” heeft geen impact op de geloofwaardigheid of het waarheidsgehalte van het geschrift; de eiser, die ervan uitging dat het geschrift waarheidsgetrouw was, heeft niemand willen misleiden en had derhalve geen bedrieglijk opzet; het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat het stuk een aangehecht conclusiestuk betreft waarvoor geen valsheid in geschriften geldt; het is niet aangetoond dat het gegeven dat de eiser de handtekening van de medebeklaagde heeft geplaatst in plaats van deze medebeklaagde, maar met zijn instemming, een doorslaggevende factor zou zijn geweest in de beoordeling van het stuk in het kader van de discussie over de vrijlating van de cliënt van de eiser; er is dus niet aangetoond dat de eiser zich een onrechtmatig voordeel wilde verschaffen. 18. Het misdrijf valsheid in geschriften als bedoeld in de artikelen 193, 196 en 214 Strafwetboek, bestaat erin in een door de wet beschermd geschrift, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de waarheid te vermommen op een bij de wet bepaalde wijze, terwijl hieruit een nadeel kan ontstaan. Een door de wet beschermd geschrift is een geschrift dat in zekere mate tot bewijs kan strekken, dit is zich aan het openbare vertrouwen opdringt, zodat de overheid of particulieren die ervan kennis nemen of aan wie het wordt voorgelegd, kunnen overtuigd zijn van de waarachtigheid van de rechtshandeling of van het rechtsfeit in dat geschrift vastgelegd of kunnen gerechtigd zijn daaraan geloof te hechten. 19. Het geschrift dat die rechtshandeling of dat rechtsfeit bevat, moet juridische draagwijdte hebben, dit wil zeggen dat het bestemd is tot bewijs van enig feit dat de rechtstoestand van de betrokken personen of zaken kan beïnvloeden. 20. Het feit dat een geschrift bestaat uit een overtuigingsstuk dat de advocaat van een partij voegt bij zijn conclusie, betekent niet dat dit geschrift zich niet aan het openbaar vertrouwen kan opdringen. Een dergelijk stuk is immers bedoeld om een in conclusie ingenomen standpunt kracht bij te zetten en dat standpunt dus geloofwaardiger te maken ten overstaan van de rechter en de tegenpartijen. 21. Het moreel bestanddeel van valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken bestaat hetzij in bedrieglijk opzet hetzij in het oogmerk om te schaden. Bedrieglijk opzet is het opzet om zichzelf of een ander een onrechtmatig voordeel te verschaffen. Er is bedrieglijk opzet zodra de dader enig voordeel of enige winst beoogt, die hij niet zou hebben behaald indien hij het waarheidsgetrouwe karakter van het geschrift had geëerbiedigd. Een kwaadwillige drijfveer is niet vereist. Evenmin moet worden aangetoond dat de valsheid doorslaggevend was om het beoogde voordeel of de beoogde winst te verkrijgen. 22. De rechter kan oordelen dat degene die een handtekening of een als dusdanig bedoeld teken plaatst bij de naam van de opsteller van een schriftelijke verklaring, teneinde de lezer van die verklaring te doen geloven dat de opsteller ervan ze zelf heeft ondertekend, wat niet het geval is, een voordeel beoogt dat hij zonder het plaatsen van die handtekening of dat teken niet zou hebben gehad, namelijk die lezer te overtuigen of bijkomend te overtuigen van de oprechtheid of de waarachtigheid van die verklaring door voor te wenden dat de opsteller ze zich door het plaatsen van zijn handtekening persoonlijk heeft toegeëigend. 23. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 24. Het arrest oordeelt: “Het staat vast dat het betrokken materieel vervalste stuk een beschermd geschrift vormt dat zich aan het openbaar vertrouwen opdringt en opgesteld en vervaardigd werd als bewijsstuk om de overheid, in deze de onderzoeksgerechten, te beïnvloeden en te overtuigen. Ongeacht de vraag of het nabootsen van de handtekening op het stuk wel of niet gebeurd is met de toestemming of het medeweten van de medebeklaagde (…) - ook daarover zijn de verklaringen van de betrokkenen uiteenlopend - blijft het vaststaand dat [de eiser] de valse handtekening op het stuk heeft aangebracht met de bedoeling en met het resultaat het stuk - wetens en bedrieglijk - een bewijswaarde en een overtuigingskracht te geven die het zonder deze handtekening niet had en om aldus - wetens en bedrieglijk - de onderzoeksgerechten onrechtmatig te beïnvloeden in hun oordeel. De vraag of deze onrechtmatige beïnvloeding al dan niet determinerend geweest, is niet dienend.” Met die redenen beantwoorden de appelrechters eisers verweer en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 25. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 100,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 6 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.3 Gerelateerde publicatie(
- s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240917.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.