← België

S. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.4 Rolnummer: P.23.0558.N Zaak: S. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2023-06-29 Raadplegingen: 954 - laatst gezien 2026-06-17 05:26 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 Indien een burgerlijke partij zich voor de onderzoeksrechter heeft gesteld tegen een inverdenkinggestelde voor een bepaald misdrijf en tegen een andere inverdenkinggestelde voor een ander misdrijf en het onderzoeksgerecht beslist tot een buitenvervolgingstelling, bevinden deze inverdenkinggestelden als gerechtigden op een rechtsplegingsvergoeding zich in de regel niet in eenzelfde gerechtelijke band tegen de burgerlijke partij; die inverdenkinggestelden hebben elk recht op een rechtsplegingsvergoeding zonder dat daarop de in artikel 1022, vijfde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde beperking van toepassing is. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, vijfde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 128 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, vijfde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 128 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, vijfde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 128 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, vijfde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 128 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 8 Indien een burgerlijke partij zich voor de onderzoeksrechter heeft gesteld tegen meerdere inverdenkinggestelden voor eenzelfde misdrijf en het onderzoeksgerecht beslist tot de buitenvervolgingstelling, bevinden deze inverdenkinggestelden als gerechtigden op een rechtsplegingsvergoeding zich in de regel in eenzelfde gerechtelijke band tegen de burgerlijke partij; in dat geval dient de rechter in eerste instantie de rechtsplegingsvergoeding te bepalen waarop elke inverdenkinggestelde in beginsel gerechtigd is, vervolgens na te gaan of bij de optelling van de aldus verkregen rechtsplegingsvergoedingen niet het in artikel 1022, vijfde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde maximumbedrag is bereikt en ten slotte, indien dat maximumbedrag is overschreden, het aldus verkregen bedrag te verdelen tussen de op een rechtsplegingsvergoeding gerechtigde partijen. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, vijfde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 128 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, vijfde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 128 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, vijfde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 128 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, vijfde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 128 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 9 - 13 Indien de partijen die op een rechtsplegingsvergoeding gerechtigd zijn zich in eenzelfde gerechtelijke band bevinden ten aanzien van de partij die de rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is en worden bijgestaan door eenzelfde advocaat, hebben zij samen slechts recht op één rechtsplegingsvergoeding, die onder hen wordt verdeeld; het staat aan het onderzoeksgerecht te oordelen of de op een rechtsplegingsvergoeding gerechtigde partijen die zich in eenzelfde gerechtelijke band bevinden tegen hij die de rechtsplegingsvergoeding is verschuldigd, werden bijgestaan door eenzelfde raadsman maar uit het gegeven dat voor de raadslieden van de op een rechtsplegingsvergoeding gerechtigde partijen op de rechtszitting voor het onderzoeksgerecht eenzelfde advocaat loco die raadslieden is verschenen, of dat de namens deze partijen genomen conclusies identiek of analoog zijn, of dat die partijen eenzelfde verhoogde rechtsplegingsvergoeding hebben gevorderd, volgt niet dat het onderzoeksgerecht moet aannemen dat deze partijen door eenzelfde advocaat zijn bijgestaan in de zin van artikel 1, tweede lid, Tarief Rechtsplegingsvergoeding; bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dient het onderzoeksgerecht dat aan de voormelde partijen elk een rechtsplegingsvergoeding toekent, niet uitdrukkelijk vast te stellen dat zij niet werden bijgestaan door eenzelfde advocaat. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, vijfde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 1, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, vijfde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 1, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, vijfde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 1, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, vijfde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 1, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, vijfde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 1, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0558.N F. S., burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Eline Tritsmans, advocaat bij de balie Gent, tegen 1. J. H. D., inverdenkinggestelde, 2. B. T., inverdenkinggestelde, 3. O. M. G. T. C., inverdenkinggestelde, met als raadsman mr. Elisabeth Vanpeteghem, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, 4. G. M. P. V., inverdenkinggestelde, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 16 februari 2023. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 162bis Wetboek van Strafvordering, artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek en artikel 1 KB Tarief Rechtsplegingsvergoeding: het arrest kon de eiser niet veroordelen om aan elk van de verweerders een rechtsplegingsvergoeding te betalen van 1.680,00 euro voor de procedure in eerste aanleg en van 1.800,00 euro voor de procedure in hoger beroep; wanneer eenzelfde advocaat in eenzelfde gerechtelijke band verscheidene partijen bijstaat, wordt de rechtsplegingsvergoeding onder hen verdeeld; voor de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling werden voor de vier inverdenkinggestelden identieke conclusies neergelegd; bovendien werden drie van de vier verweerders op de rechtszittingen van de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling door dezelfde advocaat vertegenwoordigd; uit de conclusies van de verweerders blijkt dat voor elk van hen een verhoogde rechtsplegingsvergoeding van 2.500,00 euro werd gevorderd. Het tweede onderdeel voert schending aan van de artikelen 1017, 1018 en 1022 Gerechtelijk Wetboek en artikel 1 KB Tarief Rechtsplegingsvergoeding: het arrest kon de eiser niet veroordelen om aan elk van de verweerders een rechtsplegingsvergoeding te betalen van 1.680,00 euro voor de procedure in eerste aanleg en van 1.800,00 euro voor de procedure in hoger beroep; wanneer verschillende vorderingen op eenzelfde grondslag zijn ingesteld en aldus één geschil vormen, dan zal de rechter de in het ongelijk gestelde partij veroordelen tot slechts één rechtsplegingsvergoeding, ook al doet iedere vordering in beginsel een afzonderlijke procesverhouding ontstaan; dat is in deze zaak het geval. 2. Het middel dat in zijn aanhef de schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, laat na te preciseren op welke wijze het arrest deze grondwetsbepaling schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. 3. Artikel 162bis Wetboek van Strafvordering is vreemd aan de procedure voor de onderzoeksgerechten. In zoverre faalt het eerste onderdeel naar recht. 4. De artikelen 1017 en 1018 Gerechtelijk Wetboek zijn niet van toepassing in strafzaken. In zoverre faalt het tweede onderdeel naar recht. 5. Artikel 1022, vijfde lid, Gerechtelijk Wetboek, waarnaar artikel 128 Wetboek van Strafvordering verwijst, bepaalt: “Wanneer binnen eenzelfde gerechtelijke band meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van één of meer in het ongelijk gestelde partijen genieten, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld.” 6. Artikel 1, tweede lid, Tarief Rechtsplegingsvergoeding bepaalt: “De bedragen worden vastgesteld per gerechtelijke band en ten aanzien van elke partij die door een advocaat wordt bijgestaan. Wanneer eenzelfde advocaat in eenzelfde gerechtelijke band verscheidene partijen bijstaat, wordt de rechtsplegingsvergoeding onder hen verdeeld.” 7. Daaruit volgt: - indien een burgerlijke partij zich voor de onderzoeksrechter heeft gesteld tegen een inverdenkinggestelde voor een bepaald misdrijf en tegen een andere inverdenkinggestelde voor een ander misdrijf en het onderzoeksgerecht beslist tot een buitenvervolgingstelling, bevinden deze inverdenkinggestelden als gerechtigden op een rechtsplegingsvergoeding zich in de regel niet in eenzelfde gerechtelijke band tegen de burgerlijke partij. Die inverdenkinggestelden hebben elk recht op een rechtsplegingsvergoeding zonder dat daarop de in artikel 1022, vijfde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde beperking van toepassing is; - indien een burgerlijke partij zich voor de onderzoeksrechter heeft gesteld tegen meerdere inverdenkinggestelden voor eenzelfde misdrijf en het onderzoeksgerecht beslist tot de buitenvervolgingstelling, bevinden deze inverdenkinggestelden als gerechtigden op een rechtsplegingsvergoeding zich in de regel in eenzelfde gerechtelijke band tegen de burgerlijke partij. In dat geval dient de rechter in eerste instantie de rechtsplegingsvergoeding te bepalen waarop elke inverdenkinggestelde in beginsel gerechtigd is, vervolgens na te gaan of bij de optelling van de aldus verkregen rechtsplegingsvergoedingen niet het in artikel 1022, vijfde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde maximumbedrag is bereikt en ten slotte, indien dat maximumbedrag is overschreden, het aldus verkregen bedrag te verdelen tussen de op een rechtsplegingsvergoeding gerechtigde partijen. 8. Indien de partijen die op een rechtsplegingsvergoeding gerechtigd zijn zich in eenzelfde gerechtelijke band bevinden ten aanzien van de partij die de rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is, dient bovendien rekening te worden gehouden met artikel 1, tweede lid, Tarief Rechtsplegingsvergoeding. Indien die partijen worden bijgestaan door eenzelfde advocaat, hebben zij samen slechts recht op één rechtsplegingsvergoeding, die onder hen wordt verdeeld. 9. Het staat aan het onderzoeksgerecht te oordelen of de op een rechtsplegingsvergoeding gerechtigde partijen die zich in eenzelfde gerechtelijke band bevinden tegen hij die de rechtsplegingsvergoeding is verschuldigd, werden bijgestaan door eenzelfde raadsman. Uit het gegeven dat voor de raadslieden van de op een rechtsplegingsvergoeding gerechtigde partijen op de rechtszitting voor het onderzoeksgerecht eenzelfde advocaat loco die raadslieden is verschenen, of dat de namens deze partijen genomen conclusies identiek of analoog zijn, of dat die partijen eenzelfde verhoogde rechtsplegingsvergoeding hebben gevorderd, volgt niet dat het onderzoeksgerecht moet aannemen dat deze partijen door eenzelfde advocaat zijn bijgestaan in de zin van artikel 1, tweede lid, Tarief Rechtsplegingsvergoeding. 10. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dient het onderzoeksgerecht dat aan de voormelde partijen elk een rechtsplegingsvergoeding toekent, niet uitdrukkelijk vast te stellen dat zij niet werden bijgestaan door eenzelfde advocaat. 11. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 12. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt: - voor de raadkamer heeft voor de verweerster 1 mr. E.R. geconcludeerd, voor de verweerder 2 mr. J.H. maar de conclusie werd ter rechtszitting ingediend door mr. E.T. en voor de verweerder 4 heeft mr. T.M. geconcludeerd; - bij de behandeling van de zaak voor de raadkamer werd de verweerster 1 vertegenwoordigd door mr. E.T. loco mr. E.R., werd de verweerder 2 vertegenwoordigd door mr. E.T. loco mr. J.H., werd de verweerder 3 vertegenwoordigd door mr. E.T. loco mr. R.D. en werd de verweerder 4 vertegenwoordigd door mr. T. M.; - de raadkamer heeft de buitenvervolgingstelling bevolen van de verweerder 4 voor het feit omschreven onder de telastlegging A, zijnde geweld als politieambtenaar, en van de verweerders 1 tot en met 3 voor de feiten omschreven onder de telastleggingen B en C, zijnde laster en het wegmaken van een aan een postoperator toevertrouwde brief; - de raadkamer heeft de eiser veroordeeld om aan elk van de verweerders de basisrechtsplegingsvergoeding van 1.680,00 euro te betalen; - voor de kamer van inbeschuldigingstelling heeft voor de verweerster 1 mr. E.R. geconcludeerd, voor de verweerder 2 mr. J.H. en voor de verweerder 3 mr. R.D., zij het dat die conclusies ter rechtszitting telkens werden ingediend door mr. E.T. Voor de verweerder 4 werd geconcludeerd door mr. T.M.; - bij de behandeling van de zaak voor de kamer van inbeschuldigingstelling werd de verweerster 1 vertegenwoordigd door mr. E.T. loco mr. E.R., werd de verweerder 2 vertegenwoordigd door mr. E.T. loco mr. J.H., werd de verweerder 3 vertegenwoordigd door mr. E.T. loco mr. R.D. en werd de verweerder 4 vertegenwoordigd door mr. V.R. in eigen naam en loco mr. T.M.; - de kamer van inbeschuldigingstelling heeft dezelfde buitenvervolgingstelling bevolen als de raadkamer; - het arrest veroordeelt de eiser om aan elk van de verweerders de basisrechtsplegingsvergoeding te betalen van 1.680,00 euro voor de procedure in eerste aanleg en van 1.800,00 euro voor de procedure in hoger beroep. 13. Aangezien de eiser zich voor de onderzoeksrechter heeft gesteld tegen de verweerder 4 voor het feit omschreven onder de telastlegging A en tegen de verweerders 1 tot en met 3 voor de feiten omschreven onder de telastleggingen B en C, bevindt de verweerder 4 zich tegenover de eiser niet in dezelfde rechtsband als de verweerders 1 tot en met 3 en omgekeerd. 14. Aangezien de eiser zich voor de onderzoeksrechter heeft gesteld tegen de verweerders 1 tot en met 3 voor de feiten omschreven onder de telastleggingen B en C, bevinden deze verweerders zich tegenover de eiser in eenzelfde rechtsband. Het totaal van de hen elk toegekende rechtsplegingsvergoedingen voor de beide aanleggen, respectievelijk 5.040,00 euro en 5.400,00 euro, ligt echter onder het maximumbedrag dat wordt verkregen na de berekening overeenkomstig artikel 1022, vijfde lid, Gerechtelijk Wetboek, namelijk het dubbel van het maximumbedrag bij een niet in geld waardeerbare vordering, zijnde respectievelijk 28.000,00 euro en 30.000,00 euro. 15. Het arrest stelt niet uitdrukkelijk vast dat de verweerders 1 tot en met 3 werden bijgestaan door eenzelfde raadsman. Dit blijkt evenmin uit enig stuk waarop het Hof vermag acht te slaan. 16. De beslissing om de eiser te veroordelen om aan elk van de verweerders een rechtsplegingsvergoeding te betalen van 1.680,00 euro voor de procedure in eerste aanleg en van 1.800,00 euro voor de procedure in hoger beroep, is dan ook naar recht verantwoord. 17. In zoverre kan het middel in zijn beide onderdelen niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten 110,41 euro, waarvan 75,41 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 6 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.4 Gerelateerde publicatie(
  2. s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240206.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.