id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:
Art. 4
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SAMENLOOP VAN AANSPRAKELIJKHEID - Aansprakelijkheid uit en buiten overeenkomst Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 4
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Burgerlijke rechtsvordering (bijzondere regels) Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 4
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 4 - 5 De rechter oordeelt onaantastbaar over het bestaan van de door een misdrijf veroorzaakte schade en het bedrag van de volledige vergoeding ervan; hij kan die schade ex aequo et bono bepalen, mits hij de reden opgeeft waarom een bepaalde berekeningswijze, indien voorgesteld, niet kan worden gevolgd en tevens vaststelt dat het onmogelijk is om de schade anders te bepalen; de rechter kan die berekeningswijze ook toepassen wanneer de beweerde schadelijder nalaat stukken bij te brengen die toelaten het bedrag van zijn schade juister te bepalen. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Beoordelingsbevoegdheid. Raming. Peildatum BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Tekst van de beslissing Nr. P.23.0263.N J. J. G. T., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Frederiek Baudoncq, advocaat bij de balie Leuven, met kantoor te 3001 Leuven (Heverlee), Philipssite 5B, waar de eiser woonplaats kiest, tegen WILLAERT ACTIVITIES nv, met zetel te 8610 Kortemark, Ieperstraat 53, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 25 januari 2023, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 5 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: met de redenen die het arrest (nr. II.B.1-B.2, randnr. 16-35, p. 15-20) bevat, beantwoordt het enkel het in ondergeschikte orde aangevoerde verweer van de eiser dat het oorzakelijk verband tussen het lastens de eiser bewezen verklaarde misdrijf en de schade van de verweerster is verbroken door fouten van derden, maar beantwoordt het niet het in hoofdorde aangevoerde verweer van de eiser dat het oorzakelijk verband tussen het misdrijf en elke door de verweerster gevorderde schadepost niet is aangetoond en meer bepaald dat niet is aangetoond dat elk van die schadeposten zonder het misdrijf wel had kunnen ontstaan in de mate waarin dit kennelijk is gebeurd en dat elke specifieke schadepost van de verweerster noodzakelijk werd veroorzaakt door het misdrijf; minstens blijft het arrest door slechts gewag te maken van “de schade in het algemeen” en meermaals van “een principieel oorzakelijk verband” in het vage over het verweer van de eiser, zodat het Hof in de onmogelijkheid is om zijn wettigheidstoezicht op de beslissing uit te oefenen en meer bepaald om na te gaan of het arrest wettig en zonder miskenning van het wettelijk begrip oorzakelijk verband kon beslissen tot de veroordeling van de eiser tot betaling van een schadevergoeding aan de verweerster.
- Het middel betrekt niet alle redenen van het arrest in de kritiek. Eerst oordeelt het arrest met de in het middel aangehaalde redenen dat er rechtens wel degelijk een principieel oorzakelijk verband bestaat tussen de fout bestaande in het lastens de eiser bewezen verklaarde misdrijf en de schade die de verweerster beweert daardoor te hebben geleden, in het bijzonder omdat de door de eiser aangevoerde causaliteitsverbrekende factoren tussen die fout en die schade niet kunnen worden aangenomen. Vervolgens beoordeelt het arrest (B.4, randnr. 41-58, p. 22-27) elke door de verweerster gevorderde schadepost en verklaart ze die geheel, gedeeltelijk of niet gegrond. Met het geheel van die redenen verklaren de appelrechters het oorzakelijk verband tussen het misdrijf en elke schadepost in zoverre zij die gegrond verklaren bewezen, zonder dat zij dat oorzakelijk verband nogmaals uitdrukkelijk per schadepost dienden vast te stellen. Bijgevolg beantwoordt het arrest eisers verweer, laat het aan het Hof toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen en is het regelmatig met redenen omkleed. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 1138, 3°, Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek: het arrest beperkt zich tot de vaststelling van de hoofdelijke aansprakelijkheid tussen de eiser en de consoorten V. en het oordeel dat er geen reden is om tussen de eiser en de consoorten V. over te gaan tot een aansprakelijkheidsverdeling; het gaat echter niet in op de rechtsvordering geformuleerd in eisers grievenformulier om uitspraak te doen over het aandeel van de eiser en de consoorten V. in de schade van de verweerster; zelfs wanneer in het arrest een impliciete beslissing zou worden gelezen dat dit aandeel gelijk zou zijn, dan nog ontbreekt elke noodzakelijke motivering daartoe en blijft minstens in het ongewisse in welke mate de fouten van de eiser en de consoorten V. hebben bijgedragen tot de schade van de verweerster en of de fout van elkeen wel op dezelfde wijze heeft bijgedragen tot deze schade, zodat het Hof in de onmogelijkheid is om zijn wettigheidstoezicht op de beslissing uit te oefenen en met name na te gaan of het arrest wettig kon beslissen dat de eiser en de consoorten V. eenzelfde aandeel in die schade hebben.
- Op grond van artikel 4, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering kan de burgerlijke rechtsvordering terzelfdertijd en voor dezelfde rechters vervolgd worden als de strafvordering. Hieruit volgt dat de strafrechter niet bevoegd is om kennis te nemen van de burgerlijke rechtsvordering van een beklaagde tot het bepalen van de onderlinge gehoudenheid tussen hemzelf en een medebeklaagde met wie hij hoofdelijk gehouden is tot vergoeding van de schade van de burgerlijke partij. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (B.3, randnr. 36-40, p. 21-22) verklaart de eiser hoofdelijk met de definitief veroordeelde consoorten V. gehouden tot vergoeding van de schade van de verweerster omdat de eiser en de consoorten V. door hun gemeenschappelijke fout de schade van de verweerster hebben veroorzaakt. Het oordeelt verder: “In die omstandigheden is er dus geen reden om tot een verdeling van aansprakelijkheid over te gaan tussen [de consoorten V.] enerzijds en [de eiser] anderzijds.” Aldus beantwoordt het arrest het verweer van de eiser, laat het aan het Hof toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen en is het regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek: het arrest (randnr. 47, p. 24) kent aan de verweerster een schadevergoeding van 4.832,85 euro toe wegens de extra kosten voor de omschakeling van vet naar soja omdat “het - gelet op de voorgelegde facturen in deze - aannemelijk voor(komt) dat deze als eigen en persoonlijke schade voor vergoeding in aanmerking komt”; door te oordelen dat het slechts “aannemelijk voorkomt dat (…)”, sluit het arrest niet elke onzekerheid uit, hetgeen nochtans vereist is opdat deze schadepost voor vergoeding in aanmerking zou komen.
- Met de vermelde redenen oordeelt het arrest niet dat er onzekerheid bestaat over de gegrondheid van de desbetreffende schadepost, maar bevestigt het integendeel waarom de appelrechters de voorgelegde facturen overtuigend vinden. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek: het arrest bepaalt de door de eiser aan de verweerster te betalen schadevergoeding wegens haar administratiekosten en andere kosten, de kosten van het aan haar cliënten toegekende betalingsuitstel, haar gederfde winst en haar reputatieschade naar redelijkheid en billijkheid op respectievelijk 7.500,00 euro, 10.000,00 euro, 10.000,00 euro en 5.000,00 euro, zonder daartoe evenwel na te gaan of vast te stellen dat de verweerster in de onmogelijkheid verkeerde om bewijsstukken bij te brengen die de appelrechters zouden toelaten het bedrag van al deze schadeposten in concreto te bepalen.
- De rechter oordeelt onaantastbaar over het bestaan van de door een misdrijf veroorzaakte schade en het bedrag van de volledige vergoeding ervan. Hij kan die schade ex aequo et bono bepalen, mits hij de reden opgeeft waarom een bepaalde berekeningswijze, indien voorgesteld, niet kan worden gevolgd en tevens vaststelt dat het onmogelijk is om de schade anders te bepalen. De rechter kan die berekeningswijze ook toepassen wanneer de beweerde schadelijder nalaat stukken bij te brengen die toelaten het bedrag van zijn schade juister te bepalen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met de door het onderdeel bekritiseerde redenen stelt het arrest vast dat de verweerster schade heeft geleden door de lastens de eiser bewezenverklaarde misdrijven. Het arrest geeft met die redenen ook te kennen dat het die schade niet anders dan ex aequo et bono kan bepalen, uitgaande van een normaal aan te nemen schade ingevolge de concreet vastgestelde feiten en de door de verweerster overgelegde stukken. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 105,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 6 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div