← België

V. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.3, d) - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.3 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.3, d) - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.3, d) - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.3, d) - 31 Link Justel databank 19661219-31 Fiches 6 - 11 Wanneer een beklaagde op de rechtszitting verzoekt om uitstel van de behandeling van de zaak om hem toe te laten een raadsman te raadplegen, mag de rechter bij de beoordeling van dit verzoek rekening houden met het gegeven dat de beklaagde reeds geruime tijd kennis had van de datum van de behandeling van de zaak, hij in het verleden reeds werd bijgestaan door een raadsman en hij zijn verzoek slechts heeft geformuleerd op de voor de behandeling van de zaak voorziene rechtszitting of kort voordien, waardoor hij zelf verantwoordelijk is voor de afwezigheid van een raadsman

(1).
(1)Zie ook Cass. 3 november 2020, AR P.20.0672.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201103.2N.5, AC 2020, nr. 676. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.3, d) - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.3, d) - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.3, d) - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.3, d) - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.3, d) - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.3,

  1. d)- 31 Link Justel databank 19661219-31 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1440.N I-II P. G. V. H., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Nelson Vanlocke, advocaat bij de balie Gent, tegen C. V., burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het arrest nr. C/1é/2022 van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 5 oktober 2022 (hierna arrest I). Het cassatieberoep II is gericht tegen het verbeterend arrest nr. C/1249/2022 van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 5 oktober 2022 (hierna arrest II). De eiser voert in twee memories die aan dit arrest zijn gehecht, respectievelijk drie middelen aan tegen het arrest I en een middel tegen het arrest II. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep I 1. Het arrest I verklaart het hoger beroep van de eiser ontvankelijk. In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep I bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middelen tegen het arrest I Eerste middel 2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, artikel 14.3.d IVBPR en de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 2°, Grondwet: door de zaak te behandelen op de rechtszitting van 23 juni 2022 en te weigeren in te gaan op eisers verzoek om de zaak uit te stellen om een raadsman te raadplegen, verantwoordt het arrest de veroordeling van de eiser niet naar recht; het recht op kosteloze rechtsbijstand is een fundamenteel recht voor beklaagden die zelf niet in staat zijn een raadsman te bekostigen; dit geldt te meer voor kwetsbare personen, die ingevolge hun persoonlijke omstandigheden mogelijkerwijze niet de capaciteiten hebben om zelf hun zaak te bepleiten; de eiser, die in het verleden al meermaals werd geïnterneerd, moet als een dergelijke kwetsbare persoon worden beschouwd; door het eenzijdig stopzetten van de tussenkomst door zijn advocaat een maand voor de rechtszitting waarop de zaak zou worden behandeld, was de eiser niet meer in staat om tijdig in een alternatieve bijstand te voorzien. 3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat dat de eiser, die niet het voorwerp uitmaakt van een vordering tot internering, voor de appelrechters heeft aangevoerd dat hij zich in een situatie van bijzondere kwetsbaarheid bevond. In zoverre het middel aanvoert dat de eiser zich in een kwetsbare situatie bevond, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk. 4. Uit artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 14.3.d IVBPR volgt dat een beklaagde het recht heeft op de bijstand van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen. De rechter is in beginsel dan ook ertoe gehouden de behandeling van een strafzaak uit te stellen indien dit noodzakelijk is om dit recht te verzekeren. 5. Uit de voormelde rechten kan voor een beklaagde evenwel geen absoluut recht op uitstel van behandeling van zijn zaak worden afgeleid indien hij op een hem toerekenbare wijze zelf ervoor verantwoordelijk is dat hij op het ogenblik van de behandeling van de zaak niet wordt bijgestaan door een raadsman. Van een beklaagde, die kennis heeft van de datum waarop de strafzaak zal worden behandeld, mag worden verwacht dat hijzelf tijdig de nodige initiatieven neemt om een raadsman te contacteren zodat zijn raadsman of nieuw gekozen raadsman aanwezig kan zijn op de rechtszitting en tijdig zijn verdediging kan voorbereiden. Een beklaagde is immers mee verantwoordelijk voor het kunnen uitoefenen van zijn rechten. 6. Wanneer een beklaagde op de rechtszitting verzoekt om uitstel van de behandeling van de zaak om hem toe te laten een raadsman te raadplegen, mag de rechter bij de beoordeling van dit verzoek rekening houden met het gegeven dat de beklaagde reeds geruime tijd kennis had van de datum van de behandeling van de zaak, hij in het verleden reeds werd bijgestaan door een raadsman en hij zijn verzoek slechts heeft geformuleerd op de voor de behandeling van de zaak voorziene rechtszitting of kort voordien, waardoor hij zelf verantwoordelijk is voor de afwezigheid van een raadsman. 7. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 8. Het arrest I (p. 8-9) oordeelt als volgt: - “Uit de processtukken blijkt dat de [eiser] in […] eerste aanleg werd bijgestaan door Mr. [V.]; - Deze laatste raadsman stond de [eiser] ook nog steeds bij tijdens de inleidingszitting van dit hof [van beroep] in deze zaak op 30 maart 2022. Uit de brief die de [eiser] op 23 juni 2022 aan dit hof [van beroep] voorlegde blijkt dat deze raadsman aan de [eiser] reeds op 8 april 2022 liet weten dat hij de [eiser] niet meer kon bijstaan. De raadsman zelf liet dit trouwens aan dit hof weten bij mailbericht van 23 mei 2022; - Tijdens de inleidingszitting waren conclusietermijnen toegekend overeenkomstig artikel 152 Sv. De pleitdatum was op die inleidingsdatum vastgesteld op 23 juni 2022; - Tussen de datum van 8 april 2022 en de datum van 23 juni 2022 liggen meer dan twee maanden. Het stond de [eiser] al die tijd vrij een nieuwe raadsman te contacteren teneinde tijdig conclusies op te stellen en hem bij te staan in zijn verdediging. Blijkbaar heeft hij ter zake te lang getreuzeld, terwijl de inhoud van zijn brief bij dit hof neergelegd niet verder wordt ondersteund door aannemelijke gegevens: dit hof werd op geen enkel moment ingelicht van het optreden van een nieuwe raadsman. Op die wijze verstreek de hem toegekende conclusietermijn en besliste hij blijkbaar simpelweg om een nieuw uitstel te verzoeken door voorlegging van een brief zoals hoger in dit arrest aangegeven. Hij verzoekt daarin ook dat dit hof “ambtshalve” zou overgaan tot aanstelling van een raadsman, doch gelet op het eigen getreuzel van de [eiser] en het niet aanvragen van een pro-deo raadsman volgens de geëigende procedures ging dit hof daar niet op in; - [De eiser] heeft, gelet op al deze vaststellingen, vanaf 8 april 2022 voldoende tijd en faciliteiten gehad teneinde een raadsman te raadplegen die hem kon bijstaan in zijn verdediging. Het gegeven dat hij ter zitting dd. 23 juni 2022 niet werd bijgestaan door een raadsman is dan ook in zulke omstandigheden enkel het gevolg van de dilatoire treuzelende houding om bijgestaan te worden door een nieuwe raadsman, die eveneens te gepasten tijde en zoals beslist door dit hof tijdens de inleidende zitting ook conclusies had kunnen nemen indien de [eiser] na datum van 8 april 2022 diligent en correct tewerk was gegaan in zijn pogingen om een nieuwe raadsman te vinden.” Met die redenen is de beslissing van het arrest I om niet in te gaan op eisers verzoek tot uitstel van de zaak naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel 9. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet en artikel 504quater Strafwetboek: de veroordeling van de eiser op grond van het geherkwalificeerde misdrijf van informaticabedrog is niet naar recht verantwoord en niet regelmatig gemotiveerd; de eiser was door de raadkamer verwezen op grond van misbruik van vertrouwen en die kwalificatie was bindend voor de correctionele rechtbank; het arrest kon de in het beroepen vonnis doorgevoerde onrechtmatige herkwalificatie dan ook niet hernemen; het arrest kon gelet op de vaststaande rechtspraak over het misdrijf van informaticabedrog dit misdrijf niet bewezen verklaren en die bewezenverklaring is dan ook onterecht; ook het bedrieglijk opzet wordt niet bewezen verklaard; dergelijke strijdige motivering staat gelijk met een gebrek aan motivering. 10. Het middel specificeert niet wat het bedoelt met een “strijdige motivering”. In zoverre is het middel bij gebrek aan duidelijkheid niet ontvankelijk. 11. In correctionele zaken en politiezaken maakt de verwijzingsbeschikking van het onderzoeksgerecht of de dagvaarding om voor het vonnisgerecht te verschijnen niet de daarin vervatte kwalificatie of omschrijving bij het vonnisgerecht aanhangig maar wel de feiten zoals zij blijken uit de stukken van het onderzoek en die aan de verwijzingsbeschikking of de dagvaarding ten grondslag liggen. De rechter is niet gebonden door de kwalificatie van de feiten in de dagvaarding of de verwijzingsbeschikking maar moet aan de feiten de juiste omschrijving geven. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 12. Het arrest I (p. 14, nr. 21.
  2. b)oordeelt dat de eiser schromelijk misbruik heeft gemaakt van de bankkaart van de verweerster voor het verrichten van buitensporige uitgaven waarvoor die laatste geen toestemming heeft gegeven. Het stelt aldus het bedrieglijk opzet bij de eiser vast. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 13. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek 14. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, met name het eensluidend afschrift van het beroepen vonnis, blijkt dat de eiser door dat laatste vonnis werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig maanden en een geldboete. Het arrest I, dat oordeelt dat de eerste rechter aan de eiser een wetmatige en passende straf heeft opgelegd en die straf bevestigt, stelt vast (arrest I, p. 3) dat de eiser door het beroepen vonnis werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden en een geldboete. Aldus miskent het arrest I de bewijskracht van het beroepen vonnis. Overige grieven tegen het arrest I en tegen het arrest II 15. De grieven tegen het arrest I kunnen niet leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing en behoeven bijgevolg geen antwoord. Ingevolge de hierna uit te spreken vernietiging van het arrest II behoeven de grieven tegen dit laatste arrest evenmin een antwoord. Omvang van de cassatie 16. De voormelde onwettigheid tast de wettigheid aan van de volledige beslissing over de straf van het arrest I en de daaruit voortvloeiende beslissingen over de bijdrage aan het Slachtofferfonds en de kosten. Ze leidt ook tot de vernietiging van het arrest II, dat de beslissing over de straftoemeting verbetert, maar laat de beslissing van het arrest I over de ontvankelijkheid van de hogere beroepen, de saisine van het appelgerecht, de schuld, de burgerlijke rechtsvordering, de bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand en de vaste vergoeding onaangetast. Ambtshalve onderzoek voor het overige 17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest I in zoverre het de eiser veroordeelt tot straf, de bijdrage aan het Slachtofferfonds en de kosten. Vernietigt het bestreden arrest II. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest I en op de kant van het vernietigde arrest II. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eiser tot twee derden van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, anders samengesteld. Bepaalt de kosten in het geheel op 907,99 euro, waarvan op het cassatieberoep I 477,09 euro is verschuldigd en op het cassatieberoep II 430,90 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 6 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.7 Gerelateerde publicatie(
  3. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250527.2N.31 precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201103.2N.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241008.2N.9 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250325.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.