id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.8 Rolnummer: P.23.0077.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-06-29 Raadplegingen: 548 - laatst gezien 2026-06-15 08:34 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Artikel 2.6, eerste lid, Wegverkeersreglement bepaalt dat een aardeweg een openbare weg is die breder is dan een pad en die niet voor het voertuigenverkeer in het algemeen is ingericht en het staat aan de rechter te oordelen of een openbare weg breder is dan een pad en niet voor het voertuigenverkeer in het algemeen is ingericht en derhalve een aardeweg is in de zin van de artikelen 2.6, eerste lid, en 12.3.1.
- b)Wegverkeersreglement; het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord
(1).
(1)Zie ook Cass. 20 december 1995, AR P.95.0770.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19951220.2, AC 1995, nr. 560. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-12-1975 - REGLEMENTSBEPALINGEN - Artikel 2 - Artikel 2.6 Wettelijke bepalingen: KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 2.6 - 31 ELI link Pub nr 1975120109 KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 12.3.1,
- b)- 31 ELI link Pub nr 1975120109 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-12-1975 - REGLEMENTSBEPALINGEN - Artikel 12 - Artikel 12.3 Wettelijke bepalingen: KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 2.6 - 31 ELI link Pub nr 1975120109 KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 12.3.1,
- b)- 31 ELI link Pub nr 1975120109 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0077.N E. O. R. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Nicholas De Mot, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 6 december 2022. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek: de appelrechters kunnen op basis van de door hen vastgestelde feiten niet oordelen dat er geen eenheid van opzet is tussen het op 25 juni 2019 om 19.45 u te (…) gesitueerde en thans vervolgde en het op dezelfde datum om 19.50 u te (…) gesitueerde vluchtmisdrijf, waarvoor de eiser bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van 19 januari 2021 reeds is veroordeeld; het bestreden vonnis neemt aan dat die beide feiten weliswaar in een beperkte tijdsruimte zijn gepleegd, maar oordeelt dat dit niet volstaat om te besluiten tot eenheid van misdadig opzet; het betreft volgens de appelrechters verschillende feiten die als herval van criminaliteit afzonderlijk moeten worden bestraft; de appelrechters stellen vast dat de eiser na de eerste aanrijding vluchtte omdat hij in paniek was daar hij ofwel de boorddocumenten niet bij zich had ofwel omdat zijn honden in de camper zaten en de deur openstond, terwijl hij bij de tweede aanrijding de vlucht nam omdat hijzelf geen schade had; op vijf minuten tijd zou de eiser volgens de appelrechters vanuit een paniekmodus zijn geëvolueerd naar een staat van rationaliteit; nochtans was er vijf minuten na de eerste aanrijding nog steeds sprake van een paniektoestand als gevolg van de eerste aanrijding; de beide aanrijdingen komen dan ook voort uit eenzelfde opzet, aangezien zij onderling verbonden zijn door eenheid van doel en verwezenlijking en in die zin slechts één feit opleveren, namelijk een complexe gedraging; er is dan ook sprake van eenheid van gedraging, oorzaak en tijd. 2. Verschillende aan een beklaagde ten laste gelegde misdrijven komen uit eenzelfde opzet voort in de zin van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek wanneer zij onderling verbonden zijn door eenheid van doel en verwezenlijking en in die zin één feit, te weten een complexe gedraging, opleveren. 3. Het in artikel 65, tweede lid, Strafwetboek bedoelde opzet kan omschreven worden als eenheid van drijfveer, waarbij elk van de door de dader gestelde handelingen een welomschreven plaats inneemt in het door hem bedachte systeem om zijn doel te bereiken. 4. De rechter oordeelt onaantastbaar of de voor de toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek vereiste van de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet voorhanden is. 5. De enkele omstandigheid dat er slechts een zeer beperkte tijdsperiode ligt tussen de beide misdrijven of dat het gaat om feiten die beantwoorden aan eenzelfde misdrijfomschrijving verplicht de rechter niet om aan te nemen dat de misdrijven werden gepleegd met eenzelfde misdadig opzet. 6. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. 7. Het bestreden vonnis bevat de volgende vaststellingen: - de eerste aanrijding, die thans ter beoordeling voorligt, werd veroorzaakt door de eiser op 25 juni 2019 om 19.45 u te (…); - aan de politie heeft de eiser verklaard dat hij is uitgestapt, maar nadien verder is gereden omdat hij in paniek was omdat hij de boorddocumenten niet bij zich had. Op de rechtszitting van 11 januari 2022 heeft hij verklaard dat hij op het moment van de feiten geen angstaanval had, maar wel schrik omdat zijn honden in de camper zaten en de deur open stond; - de eiser heeft een tweede aanrijding veroorzaakt te (…) om 19.50 u. In het op die feiten betrekking hebbende vonnis dat hem heeft veroordeeld voor vluchtmisdrijf is vermeld dat de eiser, volgens de verklaringen van de partijen en in het bijzonder de verklaring van de getuige D., na de aanrijding zonder meer is weggereden, hij enige tijd later is teruggekeerd om zijn caravan te halen, hij toen aan de burgerlijke partij heeft gevraagd of die de politie had verwittigd en hij, nadat die bevestigend had geantwoord die burgerlijke partij een slag in het gezicht gaf waarna hij opnieuw de plaats van de feiten verliet en ten slotte dat de eiser in een later verhoor verklaarde dat hij was doorgereden omdat hij geen schade had. 8. Het bestreden vonnis oordeelt dat de eiser bij de eerste aanrijding is gevlucht omdat hij in paniek was ofwel omdat hij zijn boorddocumenten niet bij zich had ofwel omdat zijn honden in de camper met open deur zaten, terwijl hij bij de tweede aanrijding is gevlucht omdat hijzelf geen schade had. 9. Op grond daarvan kan het bestreden vonnis wettig oordelen dat de verschillende feiten weliswaar in een beperkte tijdsruimte werden gepleegd, maar dat zij niet met hetzelfde misdadig opzet in de zin van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek werden gepleegd. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel 10. Het middel voert schending aan van de artikelen 2.6 en 12.3.1.
- b)Wegverkeersreglement: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de (…) geen aardeweg is en dat de eiser bijgevolg geen voorrang diende te verlenen; een aardeweg is volgens artikel 2.6 Wegverkeersreglement een openbare weg die breder is dan een pad en die niet voor het voertuigenverkeer in het algemeen is ingericht; het bestreden vonnis oordeelt dat de (…) een rijbaan is omdat die door de verbalisanten wordt beschreven als een verharde rijbaan bestaande uit aarde en kiezels, zijnde een rijbaan met één rijstrook waar verkeer in beide richtingen mogelijk is en die niet enkel door fietsers en brommers wordt gebruikt; voor de kwalificatie van aardeweg is niet vereist dat die enkel door fietsers en bromfietsers wordt gebruikt en op basis van de foto’s uit het strafdossier en een door de eiser voor het appelgerecht ingediend stuk blijkt dat deze dreef een onverharde weg is. 11. In zoverre het middel het Hof verplicht tot de kennisname van de aan het strafdossier toegevoegde foto’s en het door de eiser ingediende stuk, verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft is het niet ontvankelijk. 12. Artikel 12.3.1.
- b)Wegverkeersreglement bepaalt dat de bestuurder die uit een aardeweg op een openbare weg met een rijbaan komt voorrang moet verlenen. 13. Artikel 2.6, eerste lid, Wegverkeersreglement bepaalt dat een aardeweg een openbare weg is die breder is dan een pad en die niet voor het voertuigenverkeer in het algemeen is ingericht. 14. Het staat aan de rechter te oordelen of een openbare weg breder is dan een pad en niet voor het voertuigenverkeer in het algemeen is ingericht en derhalve een aardeweg is in de zin van de artikelen 2.6, eerste lid, en 12.3.1.
- b)Wegverkeersreglement. 15. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. 16. Het bestreden vonnis doet de volgende vaststellingen: - het dossier bevat foto’s van de (…) en de beschrijving door de politie; - de politie omschreef de (…) als een verharde rijbaan bestaande uit aarde en kiezels en als een rijbaan met één rijstrook waar verkeer in beide richtingen mogelijk is. Op grond van die vaststellingen kan het bestreden vonnis wettig oordelen dat de (…) een verharde rijbaan is bestaande uit aarde en kiezels die voor het voertuigenverkeer in het algemeen is ingericht en dus niet enkel voor fietsers en bromfietsers wordt gebruikt en het derhalve geen aardeweg is in de zin van artikel 2.6, eerste lid, Wegverkeersreglement. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 100,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 6 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.8 Gerelateerde publicatie(
- s)precedenten: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19951220.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div